Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
effectieveondervraging van getuige [medeverdachte 1] , terwijl de veroordeling uitsluitend of in beslissende mate op zijn verklaring berust”. Uit de toelichting op het middel maak ik op dat wordt geklaagd dat de beslissing van het hof om het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak af te wijzen i) onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is en ii) tot gevolg heeft gehad dat “onvoldoende gelegenheid is geboden tot een effectieve ondervragingsmogelijkheid” van de getuige (en medeverdachte) [medeverdachte 1] en het gebruik van zijn verklaring voor het bewijs “niet in overeenstemming is met het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces”.
toegewezen;
[medeverdachte 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, vrachtwagenchauffeur van beroep, verklaart:
‘the overall fairness of the trail’”.
3.Het tweede middel
Bewijsoverweging ten aanzien van het in de zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde
Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]
ontlasten, maar om
nietste verklaren, zoals hij al had gedaan. [medeverdachte 1] geeft in het getapte gesprek letterlijk aan:
"Denk je wie er achter mij zit. [verdachte] . Ja ik zweer. En [verdachte] zegt "Je moet helemaal niks zeggen zei die ja.. je krijgt van mij 25000 als je vrij bent. Ik zeg nou is goed jonge.'' Kortom: [medeverdachte 1] waant zich hier onbespied en geeft aan dat hij geld zou krijgen van cliënt als hij niets zou zeggen. Dat had hij al gedaan, want op dat moment had hij nog niets belastends verklaard over cliënt. Als hij was gebleven bij zijn zwijgrecht en niets zou verklaren over cliënt, zou hij daarmee ook voldoen aan deze "opdracht". Uit dit gesprek blijkt niet dat [medeverdachte 1] door cliënt gedwongen zou zijn om de schuld op zich te nemen, of specifieke verklaringen af te leggen over bijvoorbeeld het huren van de garagebox of het opslaan van vuurwerk daar.
[A-G: ik begrijp: professioneel]vuurwerk aan twee particulieren ter beschikking heeft gesteld dan wel voorhanden heeft gehad. Anders dan de steller van het middel betoogt, volgt uit deze overweging van het hof geenszins dat het hof de getuigenverklaring van de [medeverdachte 1] , voor zover betrekking hebbend op dit feit, onvoldoende betrouwbaar heeft geacht. Het hof heeft slechts tot uitdrukking gebracht van oordeel te zijn dat, met het wegvallen van de telefoon voor het bewijs, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs resteert om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen. De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
4.Het derde middel
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
20 (twintig) maanden.
groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.”