ECLI:NL:PHR:2026:583

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
24/03083
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 150 RvArt. 6:97 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij woningoverval met afpersing

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens een woningoverval waarbij afpersing werd gepleegd met geweld en bedreiging. Het hof oordeelde dat de verdachte samen met anderen de woning van het slachtoffer binnendrong, waarbij zij met bivakmutsen en wapens het slachtoffer dwongen geld en een kluis te overhandigen.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van € 23.000, bestaande uit € 20.000 materiële schade en € 3.000 immateriële schade. Het hof wees de immateriële schade deels toe (€ 2.000) maar verklaarde de benadeelde niet-ontvankelijk voor het materiële deel vanwege onvoldoende onderbouwing.

In cassatie werden twee middelen aangevoerd: een middel over vermeende innerlijke tegenstrijdigheden in de bewezenverklaring en de bewijsvoering ten aanzien van de schadevordering, en een middel over overschrijding van de inzendtermijn van het cassatieberoep. De Hoge Raad verwierp het eerste middel omdat de vermeende tegenstrijdigheden niet tot vernietiging leiden en bevestigde dat het hof terecht het civiele bewijsrecht toepaste bij de schadevordering.

Het tweede middel slaagde omdat het cassatieberoep te laat was ingediend. De Hoge Raad achtte dit een overschrijding van de redelijke termijn, wat leidt tot strafvermindering. De uitspraak van het hof wordt daarom vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en verminderd naar de gebruikelijke maatstaf, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, het beroep wordt voor het overige verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/03083

Zitting16 juni 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 31 juli 2024 (parketnr. 21-000106-24) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en in verband daarmee de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Het eerste middel houdt in dat “
het arrest innerlijk tegenstrijdig althans onbegrijpelijk is” en bevat twee deelklachten.
4. Ten eerste wordt geklaagd over de partiële vrijspraak van ‘(grote)’ waar was ten laste gelegd: “
(een) (grote) (hoeveelheid) geld”, terwijl het hof omtrent hetzelfde goed bewezen heeft verklaard dat het ‘een
grotehoeveelheid geld’ betrof.
5. Ten tweede bevat het middel de klacht dat het hof de verklaring van de aangever, namelijk dat een geldbedrag van € 20.000,- uit de kluis is weggenomen, voor het bewijs heeft gebruikt, maar tegelijkertijd ten aanzien van de vordering van de aangever als benadeelde partij expliciet heeft geoordeeld dat niet in voldoende mate kan worden vastgesteld dat dit bedrag daadwerkelijk is weggenomen (als gevolg waarvan dit gedeelte van de vordering niet is toegewezen).

De relevante delen van het arrest

6. De tenlastelegging (met onderstrepingen mijnerzijds) bevat het verwijt aan de verdachte dat:

hij op of omstreeks 14 januari 2022, te [plaats] , gemeente [plaats] ,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning,
met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld,
een persoon, genaamd [slachtoffer] ,
heeft gedwongen tot de afgifte van
een portemonnee (met inhoud) en/of(een) (grote) (hoeveelheid) geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele behorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming, een valse sleutel,
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):
-
zich, voorzien van (een) geheel of gedeeltelijk over/voor zijn/hun hoofd/gezicht getrokken sjaal(s)/doek(en) en/of (bivak)muts(en)/capuchon(s), althans (in ieder geval) voorzien van (een) geheel of gedeeltelijk bedekt(e) gezicht(en) en/of voorzien van een of meer knuppels en/of (een) stalen pijp(en), althans een of meer slagwapens, naar/in de woning van die [slachtoffer] , gelegen aan de [a-straat 1] , heeft/hebben begeven,
-
(vervolgens) zich naar/in de slaapkamer - waar op dat moment die [slachtoffer] en diens partner, genaamd [medeslachtoffer] , lagen (te slapen) - heeft/hebben begeven,
- (vervolgens) in de richting van die [slachtoffer] en/of die [medeslachtoffer] heeft/hebben geroepen/geschreeuwd: “The keys, safe, money”,
- (vervolgens) (boven)op die [slachtoffer] is/zijn gaan liggen en/of daarbij (met kracht) heeft/hebben getracht (de handen van) die [slachtoffer] (met een touw en/of met tape) vast te binden (waarbij er een worsteling tussen die [slachtoffer] en verdachte(n) is ontstaan en/of waarbij die [slachtoffer] letsel heeft opgelopen),
- (vervolgens) die [slachtoffer] uit bed heeft/hebben getrokken,
-
(vervolgens) (wederom) in de richting van die [slachtoffer] en/of die [medeslachtoffer] heeft/hebben geroepen/geschreeuwd: “The keys, safe, money, money”,
(waarbij/waarna die [slachtoffer] zijn portemonnee (met inhoud) aan verdachte(n) heeft afgegeven),
-
(vervolgens) die [slachtoffer] (fysiek) heeft/hebben gedwongen naar beneden (naar de kelder) (mee) te lopen en/of
-
(vervolgens) die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen de (in de kelder aanwezige) kluis te openen,
(waarna voornoemde [slachtoffer](een) (grote) (hoeveelheid) geldaan verdachte(n) heeft
overhandigd/afgegeven).
7. De bewezenverklaring (met onderstrepingen mijnerzijds) houdt in dat de verdachte:

op 14 januari 2022, te [plaats] , gemeente [plaats] ,
tezamen en in vereniging met anderen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning,
met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld,
een persoon genaamd [slachtoffer] ,
heeft gedwongen tot de afgifte van
een portemonnee met inhoud eneen hoeveelheid geld
toebehorende aan die [slachtoffer] en
zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft door middel van braak, welk geweld en
welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededaders:
- zich, voorzien van geheel of gedeeltelijk over hun hoofd/gezicht getrokken bivakmutsen en voorzien van een stalen pijp naar/in de woning van die [slachtoffer] , gelegen aan de [a-straat 1] , heeft/hebben begeven,
- vervolgens zich naar/in de slaapkamer - waar op dat moment die [slachtoffer] en diens partner, genaamd [medeslachtoffer] , lagen te slapen - heeft/hebben begeven,
- vervolgens in de richting van die [slachtoffer] en die [medeslachtoffer] heeft/hebben geroepen: "The keys, safe, money”,
- vervolgens bovenop die [slachtoffer] is/zijn gaan liggen en daarbij met kracht heeft/hebben getracht de handen van die [slachtoffer] met een touw vast te binden waarbij er een worsteling tussen die [slachtoffer] en verdachte en/of zijn mededaders is ontstaan en waarbij die [slachtoffer] letsel heeft opgelopen,
- vervolgens die [slachtoffer] uit bed heeft/hebben getrokken,
- vervolgens wederom in de richting van die [slachtoffer] en/of die [medeslachtoffer] heeft/hebben geroepen: "The keys, safe, money, money”,
waarna die [slachtoffer] zijn portemonnee met inhoud aan verdachten heeft afgegeven,
- vervolgens die [slachtoffer] fysiek heeft/hebben gedwongen naar beneden naar de kelder mee te lopen en
- vervolgens die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen de in de kelder aanwezige kluis te openen,
waarna voornoemde [slachtoffer]een grote hoeveelheidgeld aan verdachten heeft overhandigd/afgegeven.
8. Het hof heeft onder meer de aangifte van [slachtoffer] voor het bewijs gebruikt. Die houdt in (onderstrepingen door mij, D.A.):

Mijn vriendin en ik zijn op 14 januari 2022 omstreeks 01.15 uur overvallen in onze woning. Ik woon samen met mijn vriendin [medeslachtoffer] aan de [a-straat 1] te [plaats] . Op 13 januari 2022 ben ik om ongeveer 22.45 uur naar bed gegaan. [medeslachtoffer] is om ongeveer 21.30 uur al naar bed gegaan. [medeslachtoffer] heeft toen de hond ook meegenomen naar onze slaapkamer. Wij slapen boven op de eerste verdieping.
Voordat ik naar bed ben gegaan heb ik de achterdeur slotvast afgesloten. De andere achterdeur nabij het washok was al afgesloten, dit had ik nog even gecheckt. De voordeur is altijd slotvast afgesloten. De buitenverlichting bij de schuur en aan de achterzijde van de woning was aan. Rond 01.00 uur hoorden wij de hond blaffen. Ongeveer 10/15 minuten later schrok ik wakker en zag dat er met meerdere zaklantaarns in mijn ogen werd geschenen, ik hoorde meerdere mannen stemmen roepen/schreeuwen: "the keys, safe, money". Ik zag dat de betreffende personen naar mij toe kwamen lopen. Ik lag op dat moment nog op mijn rug in bed. Ik hoorde [medeslachtoffer] roepen in het Duits: "laat ons met rust, ga weg". Volgens mij kwamen er toen 2 a 3 mannen boven op mij op bed liggen. Ik zag op dat moment alleen maar ogen en zag dat de mannen gemaskerd waren met een soort van bivakmuts en dat ze handschoenen droegen. Er ontstond een worsteling omdat ze met touw mijn handen wilden vastbinden, hier waren zeker twee daders mee bezig, ik voelde en zag dit. Dit touw is achtergebleven en door de politie inbeslaggenomen. Ik heb mij volledig verzet, ik wilde niet worden vastgebonden. De daders wilden mijn handen vastbinden voor mijn buik. Het is de daders niet gelukt om mij vast te binden. Dit kostte mij wel heel veel kracht. Ik was heel bang en stond doodsangsten uit. Door de worsteling heb ik letsel (schaafwond/blauwe plek) opgelopen aan de bovenzijde van mijn linkerpols. Tijdens de worsteling hoorde ik [medeslachtoffer] meerdere keren schreeuwen dat ze mij met rust moesten laten. Ik hoorde de angst in haar stem. Ik zag dat een van de mannen een knuppel of iets dergelijks in handen had. Ik ben toen door de mannen uit bed getrokken en moest met ze meelopen naar beneden. De mannen schreeuwden/riepen: "the keys, safe, money money".Ik toen mijn zwarte herenportemonnee uit mijn broekzak gepakt en aan een van de daders overhandigd omdat ze geld wilden hebben. Mijn broek lag naast mijn bed. In mijn portemonnee zat een paar honderd euro.In mijn portemonnee zaten ook twee bankpasjes, rijbewijs en mijn ID kaart. De daders wilden meer geen (het hof leest: geld) en riepen: "safe, money". Ik ben met de mannen meegelopen naar beneden. De mannen hielden mij vast bij mijn armen toen ik met ze meeliep naar beneden. Ik ben naar de achterdeur gelopen om de sleutelbos uit het slot te halen. Ik ben toen met de sleutelbos naar de kelder gelopen. Aan deze sleutelbos zat namelijk de sleutel van de kluis. Ik ben continu vastgehouden door twee mannen bij mijn armen. De twee mannen die mij vasthielden zijn met mij meegelopen naar de kelder. In de kelder staat de kluis.Ik heb met de sleutel de kluis geopend omdat ik daartoe gedwongen werd en eerst een (1) bak met geld aan de mannen overhandigd. Nadat ik dit had gegeven schreeuwden de mannen: "more, more". Ik heb toen de tweede bak met geld uit de kluis gepakt en aan de mannen gegeven. In elke bak zat 10.000 euro.Ik weet dit omdat ik een korte tijd geleden het geld nog geteld had. In deze bakken zat alleen maar briefgeld van 50 euro en 100 euro.In totaal gaat het om een bedrag van 20.000 euro. Ik moest toen weer meelopen naar boven (begane grond). Ik ben toen met [medeslachtoffer] de WC ruimte ingedrukt. Een van de mannen zei toen dat ik de deur op slot moest draaien. Ik heb de deur op slot gedraaid. Op dat moment hoorde ik ook dat ze met de wc deur aan het breken waren. We hebben toen een paar minuten gewacht. Toen het wat langer stil was durfde ik de wc deur te openen. Ik ben toen naar de keuken gelopen. Ik zag dat mijn telefoon weg was en dacht dat de daders mijn telefoon hadden meegenomen. Ik ben toen naar de woonkamer gelopen omdat ik daar met de huistelefoon 112 wilde bellen. Toen ik naar woonkamer liep zag ik dat de bank rechtop was gezet. Toen ik wilde bellen deed de telefoon het niet. Later bleek dat het snoer van de telefoon was losgetrokken. Nadat ik de politie had gebeld zag ik dat het slot van de achterdeur verbroken was, kennelijk zijn de daders zo naar binnen gekomen.
9. Over de vordering die de aangever heeft ingediend als benadeelde partij heeft het hof overwogen:

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 23.000,00, bestaande uit € 20.000,- aan materiële schade (het buitgemaakte geld) en € 3.000,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00 voor immateriële schade. De benadeelde is voor wat betreft het materiële deel van de schade niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de immateriële schade geheel toegewezen kan worden en dat benadeelde in de vordering voor wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
Vanwege de bepleite vrijspraak heeft de verdediging primair bepleit om de benadeelde in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair werd de hoogte van het bedrag van de materiële schade betwist omdat de vordering niet is onderbouwd met de benodigde papieren, waardoor niet kan worden vastgesteld welk bedrag zich in de kluis bevond.
Oordeel van het hof
Materiële schade
De onder de post 'weggenomen geld uit kluis' opgevoerde schade van € 20.000,- is onvoldoende komen vast te staan omdat de gestelde schade, behalve de mededeling van de benadeelde over de hoogte van het bedrag, niet nader is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist.
Het tijdverloop dat gepaard gaat met het in de gelegenheid stellen van aangever om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. In zoverre kan de benadeelde partij, hoe pijnlijk misschien ook voor aangever, daarom niet in de vordering worden ontvangen en kan hij zijn vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De bespreking van het middel

De eerste deelklacht
10. Op zichzelf constateren de stellers van het middel met juistheid dat het woord “
(grote)” in een onderdeel van het
kwalificatieve deelvan de tenlastelegging, te weten “
(een) (grote) (hoeveelheid) geld” (uit de kluis van de aangevers), niet is overgenomen in de bewezenverklaring, zodat aldaar de woorden “
een hoeveelheid geld” zijn blijven staan. Tegelijkertijd heeft het hof diezelfde (uit de kluis afkomstige) hoeveelheid geld in het
feitelijke deelvan de bewezenverklaring – overeenkomstig de tenlastelegging – omschreven als “
eengrotehoeveelheid geld”.
11. Deze deelklacht faalt echter bij gebrek aan belang. Alleen al doordat de begrippen ‘hoeveelheid’ en ‘grote hoeveelheid’ niet onverenigbaar zijn, bevat de bewezenverklaring op zichzelf geen tegenstrijdigheid en hoeft het abusievelijke wegstrepen van ‘grote’ in het kwalificatieve deel van de bewezenverklaring niet tot cassatie te leiden.
De tweede deelklacht
12. Het hof heeft bewezen verklaard dat de aangever is gedwongen tot de afgifte van ‘een grote hoeveelheid geld’ die uit zijn kluis afkomstig is. Voor het bewijs hiervan heeft het hof gebruikgemaakt van de verklaring van de aangever, te weten dat hij € 20.000 uit zijn kluis heeft gepakt en aan de daders heeft gegeven. Het hof heeft die verklaring kennelijk betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs geacht. Dat stond het hof vrij omdat de feitenrechter volgens het strafrechtelijk bewijsrecht degene is die gaat over de selectie en waardering van het bewijs. [1]
13. Bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij heeft de rechter niet dezelfde vrijheid, maar is hij gebonden aan de regels van stelplicht en bewijslastverdeling uit het civiele recht, aldus overweegt de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest over de vordering van de benadeelde partij uit 2019. De Hoge Raad vervolgt:

Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv Pro rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden.
In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade. (…) In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.” [2]
14. In dit verband heeft het hof overwogen: “
De onder de post 'weggenomen geld uit kluis' opgevoerde schade van € 20.000,- is onvoldoende komen vast te staan omdat de gestelde schade, behalve de mededeling van de benadeelde over de hoogte van het bedrag, niet nader is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. [3] Bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij is het hof klaarblijkelijk uitgegaan van de bewijsregels van het civiele recht.
15. Tegen deze beslissing op de vordering van de benadeelde partij en tegen de motivering ervan zijn in cassatie echter géén klachten geformuleerd. Ik hoef mij zodoende niet uit te laten over de manier waarop het hof het hierboven geciteerde civiele kader heeft toegepast, mede in het licht van de feiten die met het oog op de bewijsvraag zijn vastgesteld. [4] Ook de vraag of de vordering wat betreft de omvang van de schade ten overstaan van het hof daadwerkelijk “
voldoende gemotiveerd” is betwist, is om dezelfde reden niet aan de orde. [5]
16. Gelet hierop zou de verdachte bij cassatie uitsluitend belang hebben indien de aangevoerde “
tegenstrijdigheid” tussen (i) het bewijs van de afpersing van een (grote) hoeveelheid geld en (ii) het oordeel over de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij, tot vernietiging van dat eerste, het bewijsoordeel dus, zou moeten leiden. Bij vernietiging van het oordeel over de vordering van de benadeelde partij, waarbij geen vergoeding van materiële schade is toegekend, heeft de verdachte in zoverre immers geen belang. Vanwege het verschil in de toepasselijke wettelijk kaders, is het contrast tussen het oordeel dat de aangifte van afpersing van € 20.000 op zich betrouwbaar is, maar de omvang van de schade voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij
nietis komen vast te staan, echter niet per definitie problematisch. Tot vernietiging van het bewijsoordeel hoeft de beslissing over de vordering van de benadeelde partij dus niet te leiden. Daarmee faalt ook de tweede deelklacht.
17. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

18. Dit middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
19. Het cassatieberoep is ingesteld op 7 augustus 2024. Het procesdossier is pas op 22 oktober 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van zes maanden (aanzienlijk) is overschreden.
20. Het middel slaagt.

Slotsom

21. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
22. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.
23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. bv. HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413.
2.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
3.Kennelijk bevatte het dossier naast de verklaring van de aangever geen gegevens waaruit bleek hoeveel geld was weggenomen uit de kluis.
4.Vgl. de conclusie van a-g Harteveld van 9 november 2021, ECLI:NL:PHR:2021:893, onder 6.4-6.7, en nader over de nuancering van de toepasselijkheid van de ‘gewone bewijsregels’ op de schadebegroting door de rechter op grond van artikel 6:97 BW Pro, de conclusie van a-g Hartlief van 17 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:845, onder 3.
5.De pleitnota houdt slechts in: “