Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
3.Procesverloop
4.1 Grief 1 (toedeling van de woning aan de vrouw)
hofoverweegt daartoe als volgt. De voorwaarde van ontslag uit de aansprakelijkheid van de man betreft naar haar aard weliswaar niet de vaststelling van de verdeling als zodanig, maar is niettemin een bij de uitvoering van de verdeling door de vrouw ten behoeve van de man te bewerkstelligen (hier: noodzakelijke) prestatie (HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1722, rov. 3.8). Bij de door de vrouw voorgestane verdeling neemt de man de hypothecaire schuld al voor zijn deel, voor de helft, voor zijn rekening. Hij wordt daarbij immers niet onderbedeeld voor de (getaxeerde) hogere waarde van de woning, maar alleen voor de geringere
overwaarde(die de vrouw becijfert op € 110.000, beroepschrift, pt. 2; hetgeen de man een vordering op de vrouw zou geven van de helft daarvan, te weten € 55.000). Daarmee strookt niet, zoals het verzoek van de vrouw meebrengt, dat de hypotheeknemer (de bank) de man nog steeds voor de hypotheekschuld zou kunnen aanspreken (waarbij de man bovendien het risico draagt van insolventie van de vrouw indien hij een regresvordering tegen haar zou instellen). Dát is, in de woorden van de vrouw, ‘het gevaar’ dat de man loopt. De man zou ten slotte niet alleen het risico dragen, aangesproken te worden tot betaling van de maandelijkse rentetermijnen (die de vrouw in het verleden heeft voldaan, maar waarvoor geen garantie bestaat dat dit in de toekomst ook zo zal zijn), maar ook voor de voldoening van de hoofdsom bij opeisbaarheid daarvan. Aldus zou de man, kort gezegd, anderhalf keer de schuld moeten betalen (de helft aan de vrouw en daarna het volledige bedrag aan de bank).
hofoordeelt als volgt. Met de door haar gewenste opschorting van de verplichting tot verdeling, heeft de vrouw kennelijk op het oog het in de bestreden beschikking aan haar opgelegde geheel van verplichtingen mee te werken aan verkoop en levering van de woning. De nakoming daarvan wil de vrouw opschorten totdat de man de vorderingen die zij op hem heeft, heeft voldaan. Het betreft de onderbedelingsvorderingen van € 59.528,50,-- (vanwege de aan de man toegedeelde vordering op zijn moeder. De vrouw noemt in haar pleitnotitie een bedrag van € 59.582,00,--, maar dat is een verschrijving); van € 11.293,50 (vanwege de aan de man toegedeelde aandelen BST bv; aldus ook pleitnotitie vrouw, p. 2
in fine, onder verwijzing naar prod. 1 in hb) en een vordering vanwege achterstallige alimentatie.
vrouwis van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de finale afrekening ter zake van de te betalen vergoedingen gerelateerd aan de verdeling moet worden voldaan ter gelegenheid van levering van de woning. De vrouw is van mening dat ook de alimentatie moet worden betaald uit het aan de man toekomende bedrag uit de overwaarde. De man heeft ook aangegeven dat hij zijn schulden wil voldoen uit het aan hem toekomende bedrag uit overwaarde. Dat betreft alle schulden.
manvoert kortweg het volgende aan: ‘Zoals aangegeven wil de man zijn schulden voldoen uit het aan hem toekomende bedrag uit overwaarde. Dat betreft alle schulden.’
hofde beschikking op dit onderdeel vernietigen en het verzoek van de vrouw dat ook de alimentatie moet worden betaald uit het aan de man toekomende bedrag aan overwaarde toewijzen als nader omschreven in het dictum.”
4.Bespreking van het cassatiemiddel
willennakomen, in welk verband zij onder meer heeft aangevoerd dat de man de verschuldigde bedragen niet voldoet, “
ook al woont hij met een vriendin in een duur appartement (van zijn broer, prod. 9), rijdt hij in een BMW van € 48.000,00 waarvan hij beweert dat hij die zakelijk nodig heeft, is hij in dienst van zekere [A] waarvan zijn vriendin enig aandeelhouder is en hij enig bestuurder (maar niet met het fiscale norm-salaris van € 56.000,00) is, kan hij, ofwel voor zaken ofwel op vakantie naar Italië.” [2] Wat er zij van deze stellingen van de vrouw, [3] gegeven is dat zij in ieder geval vreest dat de man zal tekortschieten en dat zij er belang bij heeft dat dat niet gebeurt.
ter gelegenheid van de levering van de woning en de afrekening daarvan” en wel “
in die zin dat de door de man uit hoofde van de verdeling(sbeslissingen) aan de vrouw verschuldigde bedragen onmiddellijk bij de levering van de woning zo veel als mogelijk aan de vrouw worden betaald uit zijn aandeel in de overwaarde”. Het dictum van de beschikking van 4 juni 2024 bevat een dienovereenkomstige bepaling (zie nr. 3.1 hiervoor). Het hof heeft deze oplossing van de rechtbank overgenomen en deze ook van toepassing verklaard op de achterstallige alimentatie (zie r.o. 4.2.3 en 4.5).
onderdeel 2. Het is gericht tegen r.o. 4.1.3 en r.o. 4.4 met betrekking tot grief 1 respectievelijk grief 3 en bevat een gemengde rechts- en motiveringsklacht die ziet op de wijze waarop het hof heeft beslist over de verdeling van de woning in relatie tot de onderbedelingsvorderingen van de vrouw. Ik vat enigszins samen. Het onderdeel richt zich tegen de beslissing om de woning niet aan de vrouw toe te delen (r.o. 4.1.3) en de beslissing om het aandeel van de man in de gemeenschap bestaande uit (de overwaarde inbegrepen in) de koopsom niet toe te delen aan de vrouw (volgens het onderdeel in r.o. 4.4). Deze beslissingen gaan volgens het onderdeel uit van een onjuiste rechtsopvatting althans zijn onbegrijpelijk, omdat de grieven van de vrouw een beroep op verdeling van de woning én van de gemeenschap bestaande uit de overwaarde inbegrepen in de koopsom behelst waarbij aan de vrouw een zodanig groter aandeel dan de helft van de woning en/of de overwaarde inbegrepen in de koopsom wordt toegedeeld dat daarmee haar vordering wegens onderbedeling is verrekend. Het hof had dit zo nodig met behulp van art. 25 Rv Pro moeten vaststellen. Het onderdeel werkt dit nader uit onder a en b:
onderdeel 1. Dit bestaat uit subonderdelen 1.1 t/m 1.3. Zij zijn gericht tegen de beslissingen van het hof met betrekking tot het beroep van de vrouw op verrekening en opschorting.
met het aandeel van de overbedeelde in een nog te verdelen gemeenschappelijk goed”, zo betoogt het subonderdeel. Het subonderdeel verwijst daartoe naar een beschikking van de Hoge Raad [22] en de daaraan voorafgaande conclusie A-G. [23]
van de koper ontvangen koopsom” op grond van art. 3:167 BW Pro moet worden aangemerkt als vervangend goed dat in een gemeenschap van de vrouw en de man valt, wat het hof op grond van art. 25 Rv Pro ambtshalve had dienen te constateren.