Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:436

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
25/03864
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:3 WvggzArt. 30 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid zorgmachtiging op grond van Wvggz bij psychische stoornis en ernstig nadeel

De zaak betreft een verzoek tot cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam die een zorgmachtiging verleende voor de duur van twaalf maanden op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De rechtbank had vastgesteld dat betrokkene lijdt aan een psychotische stoornis en PTSS, die leiden tot ernstig nadeel, waaronder agressie en paranoïde wanen. Betrokkene was eerder opgenomen geweest en er was sprake van een zorgplan en medische verklaring die deze stoornissen onderbouwden.

In cassatie werd betoogd dat de rechtbank onjuiste maatstaven hanteerde bij het vaststellen van de psychische stoornis en onvoldoende had gemotiveerd waarom aan de criteria voor verplichte zorg was voldaan. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank terecht volstond met een verwijzing naar de medische verklaring en overige stukken, en dat de motivering voldoende inzicht geeft in de beoordeling. Het cassatiemiddel faalt omdat het aangevoerde criterium voor verslavingsgerelateerde stoornissen niet van toepassing is op deze zaak.

De Hoge Raad bevestigt dat de psychische stoornis van betrokkene ernstig genoeg is om gevaarlijk gedrag te veroorzaken en dat er geen passende vrijwillige zorgmogelijkheden zijn. De zorgmachtiging is daarom rechtmatig en het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de rechtmatigheid van de zorgmachtiging voor twaalf maanden op grond van de Wvggz.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/03864
Zitting24 april 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene],
verzoekster tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. M.W. van der Heijden,
tegen
De Officier van Justitie in het arrondissementsparket Amsterdam,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank een (aansluitende) zorgmachtiging verleend voor twaalf maanden. De rechtbank heeft vastgesteld dat uit de overgelegde stukken en bij de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis en dat deze stoornis leidt tot ernstig nadeel. De rechtbank komt tot de conclusie dat is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg. In cassatie wordt geklaagd dat dit oordeel van de rechtbank getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu uit de bestreden beschikking niet rechtstreeks, dan wel impliciet volgt dat bij betrokkene sprake is van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst, althans dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende is gemotiveerd.
1.2
Ik meen dat de klachten falen. De rechtbank mag bij de vaststelling van een psychische stoornis in beginsel volstaan met een verwijzing naar de medische verklaring en de overige stukken in het dossier. Dat heeft de rechtbank in deze zaak gedaan. Uit de stukken (met name de medische verklaring en het zorgplan) volgt afdoende dat bij betrokkene sprake is van een psychische stoornis die zodanig ernstig is van aard dat deze gevaarlijk gedrag van betrokkene veroorzaakt zodat sprake is van een psychische stoornis in de zin van de Wvggz. Ook is de motivering van de rechtbank is op dit punt voldoende begrijpelijk.
2.Feiten en procesverloop [1]
2.1
Op 16 januari 2025 heeft de burgemeester van Amsterdam ten aanzien van betrokkene een crisismaatregel genomen, met een geldigheidsduur tot en met 19 januari 2025.
2.2
De officier van justitie heeft op 17 januari 2025 een verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel ingediend, welk verzoek op 20 januari 2025 door de rechtbank Amsterdam (hierna:
de rechtbank) is toegewezen tot en met 10 februari 2025
2.3
Bij beschikking van 19 februari 2025 heeft de rechtbank een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene verleend voor de duur van zes maanden, tot en met uiterlijk 19 augustus 2025. [2]
2.4
Bij verzoekschrift, binnengekomen op 8 juli 2025, heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om een aansluitende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene te verlenen voor de duur van twaalf maanden. Bij het verzoekschrift zijn diverse bijlagen gevoegd, waaronder een op 7 juli 2025 ondertekende medische verklaring van de onafhankelijk psychiater, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur.
2.5
In de medische verklaring van 7 juli 2025 is het volgende vermeld (mijn onderstrepingen:

4. Psychiatrisch onderzoek
(…)
Voorgeschiedenis:
Januari 2024 intake [A], PTSS en matig ernstige depressie, betrokkene kwam niet op vervolgcontacten.
Oktober 2024 crisisdienst betrokken na beoordeling ivm melding dat betrokkene een bommelding had gedaan, hetgeen ze stellig ontkende (melding was naar haar telefoon getraceerd door politie). Wel psychotische klachten mogelijk bij angst en somberheid, alsmede middelengebruiken een forse conflicten in de partnerrelatie. Aangemeld bij JOT bemoeizorg.
20-01-2025 tot en met 03-04-2025 opname met Crisismaatregel, later ZM na melding van agressie jegens zoon, melding gedaan door ex-parter, het doen van belastende uitspraken over anderen op internet. Bij beoordelingen later tijdens opname floride psychotisch beeld. Na onslag nazorg door FACT.
(…)
e. Tot welke (voorlopige) diagnose ben u gekomen?
Er zijn onmiskenbaar psychotische klachten geweest, hoewel betrokkene deze anders interpreteert. Voor en tijdens de opname werd een floride psychose gezien.De etiologie is mogelijk gebaseerd op onderliggende
PTSSten gevolge van een brand toen ze nog in Rusland woonde, waarbij ze haar partner verloor en zelf ernstig gewond raakte bij het redden van hun zoon, over wie ze vanwege haar transgenderschap de voogdij en het contact verloor en meer recent de relatiebreuk met haar nieuwe partner. Er is ook sprake van middelengebruik (cannabis en designer-amfetamine-achtigen) hetgeen de psychose aangewakkerd kan hebben.
Het beloop en tijdsverloop is niet passend bij schizofrenie oid en indien PTSS behandeld wordt (hetgeen betrokkene ook wenst) en ze abstinent blijft van middelengebruik, is de prognose ook gunstig. Een geleidelijke afbouw van antipychotica is dringend te adviseren om te bezien dat de psychotische klachten niet verhevigen.
(…)

6. Ernstig nadeel

(…)
b. Zo ja: waaruit bestaat het ernstig nadeel?
Vanuit paranoidie mensen in haar omgeving onterecht beschuldigen, ook via social media
Er is sprake geweest van agressie ten tijde van de psychose, dit staat duidelijk in het dossier omschreven maar wordt door betrokkene niet als zodanig herinnerd.Directe aanleiding van opname was de melding van haar nu ex-partner dat betrokkene hun zoon van 10 geduwd had, hetgeen betrokkene stellig ontkent. In oktober 2024 is betrokkene zeer verward op straat aangetroffen en was er een bommelding gedaan waarbij het telefoontje naar betrokkene toe getraceerd werd door de politie.
Bij de eerdere psychose was betrokkene dusdanig door haar belevingen in beslag genomen dat het niet meer lukte te werken en er geldproblemen ontstonden.
(…)
7. Maatregelen ter afwending van ernstig nadeel als gevolg van de psychische stoornis
(…)
c. Toelichting: betrokkene ontkent stellig dat er sprake is of was van een psychose, maar hetgeen ze vertelt kan hier wel zeer goed bij passen. Ze zoekt andere verklaringen voor haar klachten. Betrokkene staat niet achter de behandeling met medicatie, deels omdat zij deze niet nodig vindt maar ze heeft ook veel bijwerkingen.
Een afbouw van de antipsychotica is al besproken en akkoord bevonden door haar behandelend psychiater, betrokkene wil hier ook wel aan meewerken.
Vanwege de ernst van de klachten en het ernstig nadeel dat hieruit voortvloeide, lijkt een ZM wel noodzakelijk als vangnet om betrokkene zorg te kunnen bieden bij een verslechtering van haar toestand, ook als zij niet inziet dit nodig te hebben.
2.6
De rechtbank heeft de zaak mondeling behandeld op 24 juli 2025. Daarbij zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door haar advocaat en een tolk Russisch, de zorgverantwoordelijke en een verpleegkundige.
2.7
Bij beschikking van 24 juli 2025 (hierna:
de bestreden beschikking) heeft de rechtbank een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene verleend voor de duur van twaalf maanden, tot en met uiterlijk 24 juli 2026. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
“2.1. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van een psychotische stoornis en PTSS.
2.2.
Deze stoornis lijdt tot ernstig nadeel, gelegen in:
(…)
2.4.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. De advocaat heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging, omdat betrokkene bereid is om op vrijwillige basis mee te werken aan het afbouwen van de medicatie die zij gebruikt. De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de zorgverantwoordelijke heeft medegedeeld dat zij is meegegaan in de wens van betrokkene om het gebruik van medicatie, maar dat een zorgmachtiging nodig is om snel in te kunnen grijpen als het niet goed gaat met betrokkene. Hierbij speelt mee dat betrokkene geen ziektebesef en -inzicht heeft. Volgens de zorgverantwoordelijke is de kans op een psychotische decompensatie groot als het gebruik van medicatie wordt afgebouwd en in dat geval valt te verwachten dat betrokkene geen samenwerking meer wil met het FACT-team. Volgens de zorgverantwoordelijke is het risico dan groot dat in toenemende mate ernstig nadeel zal ontstaan en dat betrokkene bijvoorbeeld haar woning kan verliezen. Om die reden is verplichte zorg nodig. (…)
2.7.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van 12 maanden.”
2.8
Namens betrokkene is op 23 oktober 2025 – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de bestreden beschikking. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel is gericht tegen r.o. 2.1, 2.2 en 2.7 van de bestreden beschikking. Onderdeel 1 klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat voldaan is aan de criteria voor toepassing van de Wvggz getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd. Onderdeel 2 bevat de voortbouwklacht dat bij het slagen van onderdeel 1 het dictum van de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.
Onderdeel 1
3.2
Het onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen. Subonderdeel 1.1 bevat een rechtsklacht en subonderdeel 1.2 een motiveringsklacht.
3.3
Subonderdeel 1.1betoogt dat het oordeel van de rechtbank dat is voldaan aan de criteria voor toepassing van de Wvggz getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu uit r.o. 2.1 van de bestreden beschikking niet rechtstreeks valt op te maken dat bij betrokkene sprake is van een psychische stoornis “
van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van betrokkene overwegend beheerst.” [3] Ook wanneer deze overweging wordt gelezen in verband met de medische verklaring (dan wel in verband met hetgeen in r.o. 2.2 van de bestreden beschikking wordt overwogen met betrekking tot het ernstig nadeel), ligt daarin niet besloten dat sprake is van een dusdanig ernstige psychische stoornis. De rechtbank is gelet daarop in r.o. 2.7 kennelijk uitgegaan van de opvatting dat het vaststellen van een psychische stoornis en van ernstig nadeel als gevolg van de psychische stoornis, voldoende zijn om te voldoen aan de criteria voor het verlenen van een zorgmachtiging.
3.4
Ik merk het volgende op. De criteria voor verplichte zorg staan genoemd in artikel 3:3 Wvggz Pro. De eerste voorwaarde voor verplichte zorg is dat de betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. [4] De Wvggz geeft geen definitie van het begrip ‘psychische stoornis’. Bij een psychische stoornis gaat het om een aandoening van de geestvermogens, waarbij moet worden gedacht aan de vermogens tot denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen. Een stoornis behoeft niet het functioneren van de geestvermogens in alle opzichten of op elk ogenblik te betreffen, maar er moet volgens artikel 3:3 Wvggz Pro in ieder geval een oorzakelijk verband bestaan tussen de psychische stoornis en ernstig nadeel. Verplichte zorg mag namelijk slechts worden toegepast indien bij betrokkene een psychische stoornis is vastgesteld die zodanig is dat deze gevaarlijk gedrag van de betreffende persoon veroorzaakt. [5] Ik verwijs naar de wetgeschiedenis: [6]
“Als voorwaarde voor het verlenen van verplichte geestelijke gezondheidszorg geldt, dat de psychische stoornis dermate ernstige vormen aanneemt dat zij betrokkene zodanig in zijn greep heeft, dat er ernstige schade voor hem of zijn omgeving ontstaat of dreigt te ontstaan. (…).”
3.5
De vraag of sprake is van een psychische stoornis in de zin van de Wvggz en dus of verplichte zorg mag worden toegepast komt met enige regelmaat aan de orde in zaken waarin bij de betrokkene verslaving aan bijvoorbeeld alcohol of verdovende middelen is geconstateerd. Volgens vaste rechtspraak [7] moet worden aangenomen dat verslaving aan dergelijke middelen op zichzelf niet tot toepassing van verplichte zorg kan leiden. Om wegens het gebruik van dergelijke middelen tot toepassing van de Wvggz te komen moet:
“ (…) sprake zijn van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Deze psychische stoornis kan voortvloeien uit of samenhangen met de verslaving aan middelen. Het kan ook gaan om een van de verslaving losstaande psychische stoornis van andere aard (‘comorbiditeit’).”
3.6
Subonderdeel 1.1 beroept zich op dit criterium en betoogt dat de rechtbank daaraan had moeten toetsen. Het miskent evenwel dat dit criterium niet algemeen wordt toegepast om vast te stellen of een patiënt lijdt aan een psychische stoornis. Daarvoor geldt namelijk het hiervoor in 3.4 kort samengevatte kader. Het criterium waar het middel zich op beroept, wordt enkel toegepast in gevallen waarin de vraag moet worden beantwoord of het gebruik van verslavende middelen oorzaak kan zijn van een psychische stoornis als bedoeld in artikel 3:3 Wvggz Pro. Dat is echter niet de vraag die hier aan de orde is. Het middel legt dus een onjuiste maatstaf aan voor de beoordeling van de vraag of betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Subonderdeel 1.1 faalt derhalve.
3.7
Subonderdeel 1.2betoogt dat in r.o. 2.7 niet is gemotiveerd of en in hoeverre sprake zou zijn van een dusdanig ernstige psychische stoornis, zoals omschreven in subonderdeel 1.1.
3.8
In Wvggz-zaken vindt de motiveringsverplichting haar grondslag in artikel 30 Rv Pro. [8] Een beslissing dient ten minste zodanig te worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken. [9]
3.9
In Wvggz-zaken kan een summiere motivering veelal volstaan. [10] Over de motiveringsplicht ten aanzien van de criteria voor en het doel van verplichte zorg heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld: [11]
“De rechter die een zorgmachtiging verleent, dient te motiveren dat voor de vormen van verplichte zorg waarvoor de machtiging wordt verleend, is voldaan aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg. Daarbij geldt dat de rechter mag volstaan met een verwijzing naar de medische verklaring en de overige aan het verzoek ten grondslag liggende stukken indien daaruit voldoende duidelijk blijkt dat is voldaan aan de criteria voor en het doel van de verplichte zorg. Indien echter de betrokkene bezwaar maakt tegen een bepaalde vorm van zorg, of de duur daarvan, zal de rechter zijn beslissing op dat punt moeten motiveren. De rechter behoeft alleen in te gaan op een dergelijk bezwaar indien het voldoende is toegelicht.”
3.1
De in het subonderdeel aangevoerde motiveringsklacht faalt reeds in het licht van de bespreking van subonderdeel 1.1. De rechtbank hoefde immers niet te motiveren dat is voldaan aan het criterium genoemd in de zaken over verslaving aan alcohol of verdovende middelen.
3.11
Ook overigens is het bestreden oordeel toereikend gemotiveerd. De rechtbank heeft in r.o. 2.1 op basis van de overgelegde stukken, waaronder de medische verklaring van 7 juli 2025, en het verhandelde ter zitting geoordeeld dat is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van een psychotische stoornis en PTSS. Dat betrokkene hieraan lijdt volgt onder andere uit genoemde medische verklaring, waarin de onafhankelijk psychiater met betrekking tot de (voorlopige) diagnose onder meer heeft opgenomen dat zich bij betrokkene onmiskenbaar psychotische klachten hebben voorgedaan en dat bij betrokkene voor en tijdens de opname een floride psychose werd gezien, waarvan de oorzaak mogelijk is gebaseerd op onderliggende PTSS. Betrokkene is gedurende ruim twee maanden opgenomen geweest in het kader van een crisismaatregel en later op grond van een zorgmachtiging.
3.12
Uit de medische verklaring volgt verder dat betrokkene vanuit paranoia mensen in haar omgeving ten onrechte beschuldigt, ook via sociale media, en dat sprake is geweest van agressie ten tijde van de psychose, hetgeen betrokkene zich niet herinnert. Ook was betrokkene bij eerdere psychoses dusdanig door haar belevingen in beslag genomen dat het niet meer lukte te werken en er geldproblemen ontstonden. Vanwege de ernst van de klachten en het ernstig nadeel dat hieruit voortvloeide werd en wordt een zorgmachtiging noodzakelijk geacht als vangnet om betrokkene zorg te kunnen bieden bij verslechtering van haar toestand, ook als zij niet inziet dit nodig te hebben, zo volgt eveneens uit de medische verklaring (zie hiervoor, 2.5). De ernst van de psychische stoornis van betrokkene volgt overigens niet alleen uit de medische verklaring, maar ook uit het zorgplan, waarin onder meer is opgenomen dat bij betrokkene sprake blijft van psychotische symptomen, met name bestaande uit complottheorieën, die waanachtig zijn van aard. [12]
3.13
Kortom, en anders dan het subonderdeel betoogt, volgt uit de bestreden beschikking in het licht van de stukken in het dossier dat bij betrokkene sprake is van een psychische stoornis die zodanig ernstig is van aard dat deze kort gezegd gevaarlijk gedrag van betrokkene veroorzaakt.
Onderdeel 2
3.14
Het tweede onderdeel, dat inhoudt dat bij het slagen van onderdeel 1 ook het dictum van de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, behoeft gelet op het voorgaande geen afzonderlijke bespreking.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De feiten en het procesverloop zijn ontleend aan de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 24 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7905 en het procesdossier. Nadat het aanvankelijk ingediende procesdossier niet de meest recente stukken bleek te omvatten, althans incompleet bleek, heeft de advocaat van betrokkene op 9 april 2026 desgevraagd een aantal aanvullende stukken uit het procesdossier ingediend in het portaal van de Hoge Raad. Ambtshalve is het proces-verbaal van de zitting opgevraagd en op 21 april 2026 ontvangen.
2.De beschikking van de rechtbank van 19 februari 2025 bevindt zich in het procesdossier (die uitspraak is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
3.In de procesinleiding wordt op dit punt onder 1.1.1. verwezen naar HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1433 (r.o. 3.2.1).
4.C. Reijntjes-Wendenburg,
5.M.A.J.M. van Sprundel-Jansen, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 3:3 Wvggz Pro, par. 1 (publicatiedatum 25 april 2025).
7.Zie o.a. HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:559,
8.Zie ook C. Reijntjes-Wendenburg,
9.Aldus luidt de standaardoverweging van de Hoge Raad over het motiveringsbeginsel, zie bijv. HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:262, r.o. 3.5.
10.HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:669,
11.HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:625, r.o. 3.2.
12.Zorgplan 27 mei 2025, gewijzigd op 7 juli 2025, rubriek 3 onder b.