De officier van justitie verzocht op grond van de Wet forensische zorg en de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) een zorgmachtiging voor betrokkene voor zes maanden, inclusief opname in een accommodatie.
Betrokkene maakte bezwaar tegen de opname, stellende dat opname disproportioneel en niet subsidiariteit was, gezien zijn herstel, medicatietrouw en wens tot ambulante zorg. De rechtbank Limburg verleende de machtiging en motiveerde dat verplichte zorg noodzakelijk, evenredig en effectief was, zonder specifiek in te gaan op het bezwaar tegen opname.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de opname noodzakelijk is ondanks het toegelichte bezwaar. Op grond van eerdere jurisprudentie moet de rechter bij voldoende toegelicht bezwaar expliciet ingaan op dat bezwaar. Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking en verwijst de zaak terug voor nadere motivering en beslissing.