ECLI:NL:PHR:2026:4

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
23/03787
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deelneming aan criminele organisatie gericht op phishingfraude en overschrijding van redelijke termijn in cassatie

In deze zaak heeft het gerechtshof Den Haag op 20 september 2023 het vonnis van de rechtbank Den Haag van 29 april 2019 vernietigd met betrekking tot de opgelegde straf en de motivering daarvan. De verdachte is veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met phishingfraude. Het hof heeft een gevangenisstraf van twintig maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest, en heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen. De verdachte heeft cassatie ingesteld, waarbij twee middelen zijn ingediend. Het eerste middel betreft de betrouwbaarheid van belastende verklaringen van medeverdachten, terwijl het tweede middel zich richt op de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De zaak is complex door de samenhang met andere ontnemingszaken en de omvang van het dossier, wat heeft geleid tot aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03787
Zitting6 januari 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 20 september 2023 (rolnr. 22-001928-19) het vonnis van de rechtbank Den Haag van 29 april 2019 (parketnr. 09-842210-14) vernietigd ten aanzien van de opgelegde straf, de motivering daarvan, de beslissingen ten aanzien van de benadeelde partijen en de toepasselijke wettelijke voorschriften. Het hof heeft het vonnis voor het overige bevestigd met aanvulling en verbetering van gronden. Bij dit vonnis heeft de rechtbank de verdachte wegens “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld. Het hof heeft een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van twintig maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen en in zoverre een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en de vorderingen van de overige benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak tegen de verdachte met nummer 23/03804 en met de zaken 23/03890, 23/03767 en 23/03766. In de ontnemingszaak tegen de betrokkene concludeer ik vandaag ook. In de zaken 23/03890, 23/03767 en 23/03766 zijn geen middelen ingediend en heeft de Hoge Raad reeds uitspraak gedaan op 26 augustus 2025.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
De verdachte is betrokken geweest bij een organisatie die zich gedurende een langere periode op grote schaal en op professionele wijze bezighield met “phishingfraude”. De verdachte en zijn medeverdachten hebben de beschikkingsmacht over bankrekeningen van een aantal klanten van de Rabobank verkregen en geld overgemaakt naar bankrekeningen van vooral juweliers en autohandelaren om horloges en auto’s aan te schaffen. In cassatie wordt geklaagd over de mate waarin het hof heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (het eerste middel) en over het rechtsgevolg dat het hof heeft verbonden aan de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep (het tweede middel).
2.2
Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel houdt in dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de belastende verklaringen van [medeverdachte 1] niet betrouwbaar zijn en moeten worden uitgesloten van het bewijs, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot die afwijking hebben geleid.
3.2
Het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt waarop het middel doelt is volgens de steller van het middel ingenomen op de terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2023 (meer in het bijzonder gaat het kennelijk om hetgeen naar voren is gebracht in de randnummers 53 t/m 96 en 125 t/m 127 van de aldaar voorgedragen pleitaantekeningen). Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2023 blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen, die voor zover van belang inhouden (met weglating van voetnoten):

Inleiding
1. Client is in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden wegens deelname aan een criminele organisatie in de periode van 4 januari 2014 tot en met 7 mei 2014. Namens hem is hoger beroep ingesteld, nu hij het niet eens is met de bewezenverklaring van feit 2, noch met de opgelegde straf en ontnemingsvordering.
2. Nu het Openbaar Ministerie niet in hoger beroep is tegen de vrijspraak van feit 1, is dat niet meer aan de orde. Door de Voorzitter is, ter terechtzitting, op 16 februari 2023 al bevestigd dat cliënt niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep ten aanzien van feit 1.
3. De verweren in hoger beroep zullen als volgt uiteengezet worden:
a. Ontkenning cliënt;
b. Verweer betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ;
c. Verweren telefoons/historische verkeersgegevens;
d. Geen steunbewijs;
e. Eventuele kwalificatie;
f. Benadeelde partijen;
g. Strafmaat;
h. Ontneming.
4. Laat ik vooropstellen dat de gevolgen voor slachtoffers van dit soort fraude zeer vervelend zijn. Uw Hof zal alleen wel moeten oordelen of bewezen kan worden dat cliënt hier een rol in heeft gespeeld. Hij is van mening dat die vraag ontkennend beantwoord moet worden, reden waarom ik uw Hof zal verzoeken om cliënt vrij te spreken.
[…]
Ontkenning cliënt
9. Zowel bij de politie, als ter terechtzitting, is cliënt stellig in zijn ontkenning dat hij onschuldig is en geen strafbare feiten heeft gepleegd. Volgens cliënt kwam hij af en toe in de woning aan de [a-straat] , woonde hij daar niet en pleegde hij daar zeker geen strafbare feiten. Het klopt niet wat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over hem hebben verklaard.
[…]
Verklaring [medeverdachte 1] onvoldoende betrouwbaar
53. Naast de verklaring van [medeverdachte 2] , stelt de verdediging ook dat de verklaring van [medeverdachte 1] onvoldoende betrouwbaar is om te dienen als bewijsmiddelen in de zaak tegen cliënt.
54. In haar verklaring bij de raadsheer-commissaris heeft [medeverdachte 1] al verklaard dat zij bij de politie niet helemaal eerlijk is geweest. Ik vind het van belang om toch stil te staan bij deze leugenachtige verklaringen, nu is gebleken dat zij over veel onderwerpen niet naar waarheid heeft verklaard en deze onwaarheden jarenlang heeft kunnen volhouden.
55. Dit doet mijns inziens ook af aan de betrouwbaarheid van haar latere verklaring, welke zij bovendien pas heeft afgelegd na ontvangst van het volledige dossier en na het veroordelend vonnis. Zij heeft een belang om te verklaren en ik meen dat zij ook nu haar eigen rol bagatelliseert.
Uit angst niet gestopt?
56. In hoger beroep verklaart zij bijvoorbeeld dat zij heel bang is en eerder uit angst niet heeft willen verklaren. Ook was ze, volgens haar verklaring, ten tijde van de ten laste gelegde feiten bang, waardoor zij niet durfde te stoppen. Haar vermeende angst blijkt mijns inziens niet uit tapgesprekken of haar houding richting slachtoffers.
57 . Juist in de getapte telefoongesprekken heeft zij geen bange toon, maar geeft zij juist opdrachten en zegt wat iemand ‘moet’ doen. Tegen [medeverdachte 2] bijvoorbeeld dat hij naar binnen moet gaan, hij verwacht wordt en de mensen relaxed zijn. Of tegen iemand anders dat diegene dan maar zelf gewoon een adres moet verzinnen en het dan wel aan haar moet doorgeven.
58. Ook blijkt uit een getapt telefoongesprek van [medeverdachte 2] dat hij aan iemand verteld dat [bijnaam medeverdachte 1] boos op hem was, omdat hij niet gelijk zijn telefoon opnam. Als dit waar is, getuigt dat niet van een bang iemand, maar juist iemand die de leiding neemt.
59. Bovendien werd tijdens de ondervraging door uw Hof ook voorgehouden dat er vanaf haar account een middelvinger was gestuurd naar een van de slachtoffers, die erachter was gekomen dat hij werd opgelicht. Ook dit gedrag past niet bij haar verklaring dat ze zo bang was.
60. Ook blijkt uit het dossier dat er geregeld e-mail werden verstuurd vanaf het IP-adres bij [medeverdachte 1] thuis. Hiernaar is gevraagd door de raadsheer-commissaris en zij bevestigde dat zij ook vanuit huis e-mails verstuurde en er dan niemand naast haar zat. De bevestiging dat dit de volgende dag dan werd gecontroleerd, na de suggestieve en gesloten vraag van de AG, acht ik niet geloofwaardig. [medeverdachte 1] wist heel goed wat zij deed en deed dit ook zelfstandig vanuit haar woning.
Onwaarheden bij politie
61. Zojuist noemde ik al dat [medeverdachte 1] bij de politie veel onwaarheden heeft verteld. Voorbeelden van deze leugenachtige verklaring bij de politie is allereerst dat zij ontkent dat zij zichzelf [bijnaam medeverdachte 1] noemde en ook dat [bijnaam medeverdachte 1] haar pingnaam is geweest. Dit herhaalt zij in een ander verhoor opnieuw. Ook heeft zij verklaard dat de naam [medeverdachte 2] haar niets zegt en ook [betrokkene 1] of [betrokkene 2] zegt hij niets. Later verklaart zij over [medeverdachte 2] dat zij het allemaal wel mooi vindt wat hij heeft verklaard en dat het niet klopt.
62. Ook doet zij alsof ze weinig van de laptop afwist en dat zij alleen op Youtube zat. [verdachte] zat er (volgens haar) wel eens ook en [betrokkene 3] ook. Een dag later verklaart zij ook dat zij niet wist met welke zaken zij zich bezighielden als zij met een klant bezig was. Er werd dan wel eens gebruik gemaakt van haar laptop. Ook hier verklaart zij al heel bewust dat anderen gebruik maakten van de laptop, waar zij dan niet bij was. Ze wist, ten tijde van het afleggen van de verklaring, natuurlijk al wat er met deze laptop was gebeurd.
63. Op inhoudelijke vragen over de oplichtingen verklaart zij dat zij er niets vanaf weet en niets met de Rabobank te maken heeft. Ook heeft ze geen gesprekken opgevangen, want zij was met andere dingen bezig, het ontvangen van klanten.
64. Als haar het schadebedrag wordt voorgehouden, dan verklaart zij dat zij er echt helemaal niets mee te maken heeft en zij misschien naïef is geweest.
65. Na het voorhouden dat haar stem is herkend in tapgesprekken van een vrouw die zich voordeed als iemand anders, ook dan verklaart zij dat zij het niet is en het haar helemaal niets zegt. Zelfs wanneer de politie het in een volgend verhoor aan haar laat horen, dan blijft zij ontkennen dat het niet haar stem is.
66. Ook als haar het kladblok wordt getoond met haar eigen aantekeningen, dan verklaart zij dat het haar niets zegt en zij het niet geschreven heeft. Zelfs na de conclusies van het NFI over de handschriftherkenning.
67. Ook doet zij alsof zij de naïeve vrouw is, want als haar wordt gevraagd wat de term Chopper betekent, dan antwoordt zij dat zij die term nog nooit heeft gehoord en dan vraagt ze of dat ‘hakker’ betekent in het Engels. Jaren later, bij de raadsheercommissaris verklaart zij dat cliënt Chopper werd genoemd en zij elkaar Chopper noemden.
68. Ook wenst de verdediging nog te wijzen op haar allereerste verklaring, waarin zij verklaarde dat zij zich prostitueerde in de woning en dit deed uit angst. Ook verklaarde zij dat cliënt wel eens klanten meebracht. Volgens cliënt is dit klinkklare onzin en ook ongeloofwaardig en heeft zij dit mogelijk verklaard om uitleg te geven waarom zij in de woning was waar zij is aangehouden.
69. Heel opvallend is dat [medeverdachte 1] in hoger beroep in haar brief heeft aangegeven dat zij nu de stap heeft gezet om een eerlijke verklaring af te leggen. Dit zei zij echter ook in haar verklaring bij de politie in november 2015. Toen verklaarde zij dat zij niet meer wilde weglopen voor haar problemen, haar schulden op een rij wilde krijgen en mijn verantwoording nemen. Hoeveel waarde moeten we hechten aan iemand die meerdere malen zegt dat ze nu echt verantwoordelijkheid gaat nemen en dan weer met een andere versie van het verhaal komt.
70. Het feit dat zij zichzelf nu incrimineert, betekent niet dat zij haar eigen rol niet meer kan bagatelliseren of nog erger: dat zij anderen een grotere rol toedicht, juist om nog weer anderen mensen deels te beschermen, mensen voor wie zij wel bang is.
Herkenning cliënt
71. Bij de politie verklaarde [medeverdachte 1] in eerste instantie dat cliënt gewoon een vriend was met wie zij dagelijks contact had. Cliënt ontkent dat nog steeds. En opmerkelijk genoeg is van dat dagelijkse contact niet gebleken uit de in beslag genomen telefoons en zijn er bijvoorbeeld geen foto’s van hen gevonden.
72. Later verklaarde zij dat cliënt haar opdrachten gaf en vaak meekeek op haar scherm. Bij de raadsheer-commissaris verklaarde zij dat zij hem heel regelmatig zag en dat kon een aantal dagen per week zijn. Of hij nu een vriend is of zij hem een paar keer per week zou hebben gezien, dan verwacht je dat zij hem blijft herkennen.
73. Toen haar een foto van cliënt werd getoond bij de raadsheer-commissaris, toen herkende zij hem. Het betrof echter geen meervoudige fotoconfrontatie en het betrof de foto uit het dossier, welke haar eerder is getoond. Een foto waar [medeverdachte 1] zelf al de beschikking over had in het dossier.
74. Ter terechtzitting in hoger beroep was dit echter anders. [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 16 februari 2023 verklaard dat zij die ochtend dacht dat zij cliënt op de gang herkende, maar dit bleek niet cliënt te zijn maar de tolk. Mijns inziens lijken cliënt en de tolk geenszins op elkaar, behalve dat zij allebei een donkere huidskleur hebben en kort geschoren haar. De tolk is een stuk kleiner en smaller van postuur.
75. De AG kan stellen dat het een lange periode is dat zij elkaar niet hebben gezien, maar wanneer je verklaart dat je zo intensief met iemand hebt gewerkt en van iemand opdrachten hebt moeten aannemen, dan mag je verwachten dat zij hem wel had herkend. En dat deed zij niet.
76. Mijns inziens bevestigt dit de stelling van cliënt dat zij elkaar helemaal niet zo goed kennen en zij elkaar enkel hooguit een paar keer hebben gezien. Hij is niet degene die haar continu opdrachten gaf.
Woning [a-straat]
77. Ook is haar verklaring over de eigenaar van ‘het kantoor’ niet juist. In haar verklaringen bij de politie verklaarde [medeverdachte 1] dat cliënt voornamelijk verbleef in de woning waar zij zijn aangehouden en dat zijn spullen daar stonden. Ze denkt dat de slaapkamer van cliënt was. Deze verklaring is strijd met zowel cliënt zijn verklaring, als de verklaring van [betrokkene 4] . [betrokkene 4] verklaarde bij de raadsheer-commissaris nota bene dat het zijn huis is en zijn eigen spullen er stonden.
Geen inhoudelijke berichten over oplichting of tapgesprekken
78. Indien [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] allebei blijven verklaren dat zij veel contact hadden met cliënt en opdrachten van hem aannamen, hoe kan het dan dat dit nimmer wordt onderbouwd met berichten?
79. Als uw Hof er al vanuit gaat dat een van de aan cliënt toegeschreven telefoons echt aan hem toebehoorden, dan kan in elk geval worden vastgesteld in al die telefoons en tapgesprekken geen enkel bericht kan worden gekoppeld aan een oplichtingszaak of een inhoudelijk gesprek over het ophalen van auto’s.
80. Ook [medeverdachte 2] is een langere tijd getapt en zoals gezegd blijkt niet van inhoudelijke gesprekken met cliënt. En ok dit tast weer hun betrouwbaarheid aan dat zij hebben samengewerkt met deze [verdachte] .
Deelconclusie
81. Gelet op al de genoemde tegenstrijdigheden, verzoek ik uw Hof om kritisch naar haar verklaring te kijken.
82. Het feit dat zij zichzelf incrimineert, betekent niet dat zij over anderen hun rol eerlijk is. Cliënt heeft het gevoel dat hij als zondebok is aangewezen, omdat zijn naam toch al in het dossier voorkwam, terwijl dat voor hem onrechtvaardig voelt.
83. Ik verzoek uw Hof de verklaring van [medeverdachte 1] niet te bezigen in de zaak tegen cliënt.
Historische verkeersgegevens - komen niet overeen met [medeverdachte 1] haar verklaring
84. En ook de historische verkeersgegevens komen mijns inziens niet overeen met de verklaring van [medeverdachte 1] .
85. In map 5 van het dossier heeft de politie een uiteenzetting gemaakt van de historische verkeersgegevens van de telefoons welke aan cliënt, [medeverdachte 1] en [betrokkene 5] worden toegeschreven, en ook de historische verkeersgegevens van de dongle.
86. Los van de uitkomsten van deze historische verkeersgegevens is allereerst van belang om te benoemen dat cliënt nog altijd ontkent dat hij de vaste gebruiker is van de telefoons * [telefoonnummer 1] en * [telefoonnummer 2] .
87. In de processen-verbaal worden de aan cliënt toegeschreven telefoons weergegeven in de kleur [betrokkene 9] (* [telefoonnummer 1] en * [telefoonnummer 2] ). De politie heeft nagelaten om te vermelden welke van de twee genoemde nummers op dat moment het station aanstraalt. Om die reden kan uw Hof niet toetsen of [telefoonnummer 1] of * [telefoonnummer 2] het station aanstraalt, wanneer wordt geverbaliseerd dat ‘cliënt zijn telefoon’ het station aanstraalt.
88. Indien u ervan uitgaat dat het een telefoon betreft welke door cliënt in gebruik is genomen, dan is bevestigen deze historische gegevens niet de verklaring van [medeverdachte 1] . Volgens [medeverdachte 1] zat cliënt er eigenlijk altijd wel bij als zij moest bellen.
89. Indien u de historische verkeersgegevens van de telefoons met elkaar vergelijkt, dan zijn op het merendeel van de data de telefoons van [medeverdachte 1] en de aan cliënt toegeschreven telefoon niet samen, terwijl de telefoon van [medeverdachte 1] dan wel dezelfde paal aanstraalt als de dongle of bijvoorbeeld een werktelefoon.
90. Voorbeelden hiervan zijn:
a. 11 februari 2014, waar de dongle en [medeverdachte 1] tezamen in [plaats] zijn (p. 1460). De aan cliënt toegeschreven telefoon straalt dan geen enkel werkstation aan.
b. Of 19 februari (p. 1469 + 1471) en 20 februari (p. 1476), waar opnieuw de aan cliënt toegeschreven telefoon geen paal aanstraalt, terwijl de dongle, [medeverdachte 1] haar telefoon én de werktelefoon tezamen in [plaats] binnen bereik [b-straat] aanstralen.
c. Hetzelfde geldt voor 26 februari (p. 1482), 7 maart (p.1487) en 12 maart (p.1494), waar op alle drie deze dagen [medeverdachte 1] haar telefoon, de werktelefoon en de dongle de [a-straat] aanstralen en de aan cliënt toegeschreven telefoon van cliënt deze mast niet aanstraalt.
d. Hetzelfde geldt ook voor 5 april (p. 1517), 8 april (p. 1524) en 11 april (p. 1531), waar, naast [medeverdachte 1] , de dongle, de werktelefoon, ook [betrokkene 5] zijn telefoon de mast de [a-straat] aanstraalt én opnieuw niet de aan client toegeschreven telefoons.
e. Tot slot straalde de telefoon van [medeverdachte 1] , de dongle en de werktelefoon de mast in [plaats] opnieuw aan op 19 maart (p. 1497, 98, 99), 20 maart (p. 1505) en 27 maart (p. 1511), terwijl de aan cliënt toegeschreven telefoons die mast niet aanstraalde.
91. Dus op basis van deze historische verkeersgegevens kunt uw Hof vaststellen dat [medeverdachte 1] op
12 dagen, samen met de dongle of de werktelefoon een mast aanstraalde bij het ‘kantoor’ of in [plaats] en dat de aan cliënt toegeschreven telefoons daar
nietbij aanwezig waren.
92. De verdediging stelt om die reden opnieuw dat [medeverdachte 1] haar verklaring onvoldoende betrouwbaar is en dat niet kan worden vastgesteld dat zij onder toezicht of onder dwang van cliënt aangevers moest oplichten. Haar verklaring dat cliënt er eigenlijk altijd wel bij was als zij moest bellen is om die reden zeer ongeloofwaardig.
93. Uit al deze uitgewerkte historische verkeersgegevens in het dossier zijn de twee aan cliënt toegeschreven telefoons in deze gehele periode maar viermaal gezien bij een door de politie benoemd ‘basisstation’. Opvallend daarbij is dat zijn vermeende telefoon maar tweemaal is aangestraald bij de [a-straat] , op 29 en 30 april 2015 (p. 1550 + 1556). Hoe rijmt dit met de verklaring van [medeverdachte 1] dat cliënt altijd daar aanwezig was? Opnieuw ongeloofwaardig.
* [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 1] het meest in de nacht en weekend op [a-straat] ?
94. In map 4 zitten, ten behoeve van de telefoonnummers * [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 1] , processen-verbaal met vaststelling identiteit gebruiker.
95. Heel opvallend is dat van allebei de telefoons wordt geconcludeerd dat zij bijna een jaar lang in de weekenden en in de nacht het bereik van de [a-straat] aanstraalde. Deze simpele conclusie is niet onderbouwd met de daadwerkelijke historische verkeersgegevens en blijkt ook niet uit de map van de historische verkeersgegevens. Om die reden is deze conclusie niet geloofwaardig.
96. Bovendien, als dit wel het geval zou zijn, is het mijns inziens alleen maar een bevestiging dat de nummers * [telefoonnummer 1] en * [telefoonnummer 2] gewoon werktelefoons waren, welke in het pand bleef liggen en welke door meerdere personen werden gebruikt. We weten immers hoeveel werktelefoons er waren en dat er een twintigtal telefoons er in de woning is aangetroffen.
[…]
Conclusie
124. Op basis van het voorgaande stelt de verdediging dus dat de verklaring van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] onvoldoende betrouwbaar zijn ten aanzien van hun verklaringen over cliënt. Daarbij is nogmaals van belang om te benoemen dat [medeverdachte 2] cliënt zijn uiterlijk niet kan omschrijven en hij ter terechtzitting hem niet wilde aanwijzen, waarna hij in hoger beroep zelfs heeft verklaard dat cliënt niet [betrokkene 6] is. Over wie verklaarde hij dan al die tijd? Mogelijk toch over [bijnaam betrokkene 4] , [betrokkene 7] of een van de andere namen van mogelijke verdachten welke nimmer zijn aangehouden.
125. Ten aanzien van [medeverdachte 1] is belangrijk dat zij cliënt niet herkende, maar de tolk voor hem aanzag. En daarnaast worden hun verklaringen niet ondersteund door tapgesprekken welke met cliënt zouden zijn gevoerd.
126. [medeverdachte 2] heeft nota bene veel contact met [betrokkene 5] en [medeverdachte 1] in de getapte gesprekken. En er blijkt, als u de observaties wel moet geloven, dat de aan cliënt toegeschreven nummers helemaal niet vaak op dezelfde locatie waren als het nummer van [medeverdachte 1] . Hoe kan hij haar dan continu hebben gecontroleerd als zij op 12 dagen de gecontroleerde dagen niet eens samen waren?
127. De overige bewijsmiddelen bevatten mijns inziens te veel onduidelijkheden en verkeerde conclusies, waardoor er geen overtuigend bewijs is dat cliënt betrokken is bij de strafbare feiten.”
3.3
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“2.
hij in de periode van 4 januari 2014 tot en met 7 mei 2014 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder meer verdachte en [medeverdachte 1] en [betrokkene 5] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van oplichting en (gewoonte)heling en (gewoonte)witwassen.”
3.4
Deze bewezenverklaring steunt op de door het hof overgenomen (promis)bewijsvoering van de rechtbank (met weglating van voetnoten):

3. Bewijsoverwegingen
3.1
Inleiding
Op 5 augustus 2013 heeft de Rabobank de politie in Den Haag gemeld dat een rekeninghouder slachtoffer was geworden van ‘phishing’. De rekeninghouder had zijn inloggegevens verstrekt aan een vrouw die zich voordeed als [betrokkene 8] , medewerkster van de Rabobank. Vervolgens werden zonder medeweten van de rekeninghouder, grote bedragen overgemaakt naar twee juweliers voor de aankoop van dure horloges. Het contact met de juweliers verliep per e-mail en telefoon met een vrouw die zich [betrokkene 8] noemde. Bij een van de juweliers werden de betaalde horloges opgehaald door een vrouw die zich identificeerde als [betrokkene 9] . De andere juwelier heeft het bestelde horloge uiteindelijk niet geleverd.
Toen sprake bleek te zijn van meerdere vergelijkbare gevallen, heeft de politie in samenwerking met de Rabobank nader onderzoek uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek, Erwt genaamd, is gebruikgemaakt van verschillende opsporingsmethodieken, waaronder het afluisteren van telefoons en de inzet van een IMSI-catcher. Uit dit onderzoek zijn onder meer de verdachten [betrokkene 9] , [betrokkene 10] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [betrokkene 5] naar voren gekomen.
[betrokkene 9] en [betrokkene 10] zijn op 10 september 2013 op heterdaad aangehouden. [medeverdachte 1] , [verdachte] en [betrokkene 5] zijn op 7 mei 2014 aangehouden. [medeverdachte 2] is (in het onderzoek Erwt) op 1 juni 2015 aangehouden.
Omdat in deze strafzaak sprake is van in totaal zes verdachten en de hierna volgende bewijsbeoordeling ook op de andere verdachten ziet, wordt voor de leesbaarheid van de bewijsbeoordeling hoofdzakelijk verwezen naar de verschillende verdachten met hun eigen naam, dus zonder (steeds) de aanduiding ‘de verdachte’ of ‘de medeverdachte’.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of en zo ja, in welke vorm, de verdachte betrokken was bij een of meer van deze phishing zaken.
[…]
3.4
Het oordeel van de rechtbank
[…]
3.4.2
Feit 2 (deelname aan een criminele organisatie)
De rechtbank legt de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag aan haar oordeel.
Inleiding
Modus operandi
Zowel door de Rabobank als door individuele rekeninghouders is aangifte gedaan van oplichting en/of phishing. De modus operandi in het onderzoek Erwt zoals die uit de aangiftes van de Rabobank naar voren komt was - kort samengevat - als volgt.
Allereerst werden (in veel gevallen) uit naam van de Rabobank e-mails naar rekeninghouders verzonden, waarin stond vermeld dat een nieuwe update van het internetbankieren moest plaatsvinden, of dat er een beveiligingsrisico was omdat misbruik van hun internetbankieren-account werd gemaakt, of dat in verband met de invoering van de IBAN-code een nieuwe update uitgevoerd moest worden. Door op een link in de e-mail te klikken, kwamen slachtoffers op een website van ogenschijnlijk de Rabobank terecht. Op deze site werd gevraagd (persoonlijke) gegevens in te vullen.
Nadat slachtoffers hun gegevens hadden ingevuld, werden zij gebeld door een beschaafd Nederlands sprekende vrouw, die zich voordeed als medewerkster van de Rabobank. In de telefoongesprekken vroeg de ‘medewerkster’ om de inlog- en signeercodes van het internetbankieren van de Rabobankrekening van de slachtoffers.
Nadat de codes waren verkregen, werd ingelogd op de Rabobankrekening van de slachtoffers en werd het saldo bekeken. Vervolgens zochten de fraudeurs op internet naar dure goederen, met name horloges en auto’s. Hierna werd door een vrouw per e-mail en/of per telefoon contact gelegd met een juwelier of een autohandelaar. De vrouw informeerde naar te koop aangeboden horloges of auto’s en kondigde aan dat geld zou worden overgemaakt voor de aanschaf van deze goederen. Ook werd vermeld dat de betaalde goederen door een familielid, werknemer of iemand anders opgehaald zouden worden.
De rekeninghouders werden vervolgens opnieuw gebeld door de vrouw die zich voordeed als ‘medewerkster van de Rabobank’ met wie zij eerder contact hadden gehad. Weer werd om de inlog- en signeercodes gevraagd. Zodra die werden verkregen, werd ingelogd op de internetrekening van de slachtoffers en werd via een (spoed)overboeking geld overgemaakt naar de reeds benaderde juwelier of autohandelaar.
Na de overboeking werd weer contact opgenomen met de leveranciers om te verifiëren of het geld ontvangen was en om afspraken te maken met betrekking tot het ophalen van de bestelde en betaalde goederen.
Uit de aangiftes van de Rabobank blijkt voorts dat de bestelde en betaalde goederen kort na de overboeking werden opgehaald. De ophalers (ook wel katvangers genoemd) legitimeerden zich bij de juweliers.
Gebleken is dat er vanaf 14 november 2014 - nadat de branchevereniging van juweliers een waarschuwing had laten uitgaan naar hun leden - nauwelijks nog gebruik gemaakt werd van juweliers als ontvangers van het onrechtmatig overgeboekte geld. De werkwijze leek te zijn aangepast: verschillende autohandelaren hadden onrechtmatig overgeboekt geld ontvangen en in het contact met de autohandelaren werden de namen van slachtoffers gebruikt, in plaats van de namen die ook als werden gebruikt voor de ‘medewerkster van de Rabobank’. Bij de autohandelaren lieten de katvangers de bestelde en betaalde auto’s op hun naam zetten. In enkele gevallen bleek geld te zijn overgemaakt voor de aanschaf van andersoortige goederen of werd het saldo direct overgeboekt naar bankrekeningen van katvangers.
Uit de aangiften van de Rabobank blijkt ook dat de rekeninghouders en leveranciers werden gebeld met telefoonnummers en telefoons die slechts voor een korte periode en voor specifieke onderdelen van de phishing activiteiten gebruikt werden. Soms werden ook katvangers aangestuurd met deze telefoons en telefoonnummers.
Omvang onderzoek Erwt
In het onderzoek Erwt zijn 38 zaaksdossiers uitgewerkt, waarvan 27 zaken aan een of meer van de zes verdachten ten laste zijn gelegd. Verder bevat het dossier een overzicht van 44 zaken die in het kader van het onderzoek Erwt niet tot een verdere uitwerking hebben geleid. Ook bevat het dossier twee gevoegde zaken die aan de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ten laste zijn gelegd en waarin sprake is van een vergelijkbare modus operandi. In het onderzoek komen naast de nu vervolgde zes verdachten nog 18 katvangers voor.
Gebruikte namen en e-mailadressen
Aangevers [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] , [aangever 4] en [aangever 5] hebben verklaard dat zij werden gebeld door een vrouw die zich [betrokkene 8] noemde en zich voorstelde als medewerkster van de Rabobank.
Medewerkers van de juweliers [A] , [B] , [C] , [D] , [E] , [F] en [G] hebben verklaard dat zij werden gemaild en/of gebeld door een vrouw die zich [betrokkene 8] noemde en die interesse in een of meer horloges toonde.
Medewerkers van juweliers [H] , [I] , [J] , [K] , [L] en [M] hebben verklaard dat zij werden gemaild en/of gebeld door een vrouw die zich [betrokkene 13] noemde en die interesse in een of meer horloges toonde.
Medewerkers van de juweliers [N] en [O] hebben verklaard dat zij werden gemaild en/of gebeld door een vrouw die zich [betrokkene 11] noemde en die interesse in een of meer horloges toonde. Aangevers [aangever 6] , [aangever 7] , [aangever 8] , [aangever 9] , [aangever 10] , [aangever 11] , [aangever 12] , [aangever 13] , [aangever 14] , [aangever 15] en [aangever 16] werden gebeld door vrouw die zich [betrokkene 12] noemde en zich voorstelde als medewerkster van de Rabobank.
De politie heeft onderzoek gedaan naar de gebruikte e-mailadressen. De hotmailadressen van [betrokkene 8] , [betrokkene 13] en [betrokkene 11] werden benaderd vanaf hetzelfde IP-adres, dat was uitgegeven door UPC aan [medeverdachte 1] op haar toenmalige verblijfadres in [plaats] .
Dongel en laptop (Acer)
De e-mailadressen van [betrokkene 8] , [betrokkene 13] en [betrokkene 11] bleken verband te houden met [telefoonnummer 3] en een toestel met [IMEI-nummer 1] . Dit laatste toestel is getapt (TA03) en bleek een Huawei dongel te zijn. Uit de tapsessies bleek dat in de dongel meerdere simkaarten met telefoonnummers hebben gezeten. Ook kon de politie vaststellen dat met name zendmasten in [plaats] en [plaats] werden aangestraald. De dongel werd alleen gebruikt voor het surfen op internet: er werd gezocht naar dure horloges en auto’s. Ook werd er gezocht op de namen van enkele slachtoffers en werd regelmatig de site van de Rabobank bezocht. Via de tap heeft de politie in april 2014 kunnen vaststellen dat de dongel in een Acer laptop zat, waarvan ook het serienummer via de tap werd gezien. Net voordat de politie op 7 mei 2014 binnentrad in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] , waar de verdachten [betrokkene 5] , [verdachte] en [medeverdachte 1] werden aangetroffen, werd daar een laptop uit het raam gegooid. Deze laptop bleek hetzelfde serienummer te hebben als de Acer laptop waar de getapte dongel in heeft gezeten. In de woning aan de [a-straat 1] werden twee dongels aangetroffen. Een dongel had het [IMEI-nummer 1] . Op deze dongel waren stickers bevestigd met de telefoonnummers * [telefoonnummer 3] , * [telefoonnummer 4] en * [telefoonnummer 5] . Het [telefoonnummer 4] bleek op 26 juni 2013 tweemaal contact te hebben gehad met * [telefoonnummer 6] en eenmaal op 7 augustus 2013 met * [telefoonnummer 7] .
De harde schijf van de Acer laptop is onderzocht. Op de harde schijf zijn onder meer (delen van) mailberichten aan juweliers en autodealers in de zaaksdossiers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 (2x), 9, 10, 11, 12, 13 (2x), 14, 15, 23 en 35 aangetroffen, de naam [betrokkene 13] en ook nog kennelijke schermafbeeldingen van een notitie-app van een mobiele telefoon met daarop namen, adressen, rekeninggegevens en pasnummers, waaronder de naam [betrokkene 14] , die voorkomt in zaaksdossier 18.
Zendmastgegevens
Het adres [a-straat 1] in [plaats] (in [wijk 1] ) valt binnen het bereik van de [zendmast A] te [plaats] . Het adres [b-straat 1] in [plaats] valt binnen het bereik van de zendmasten [zendmast B] en [zendmast C] te [plaats] . Ook valt dit adres binnen het bereik van de zendmast aan de [c-straat] in [plaats] .
Telefoons en telefoonnummers
Bij de aanhouding van de verdachten [betrokkene 5] , [verdachte] en [medeverdachte 1] is de woning [a-straat 1] in [plaats] doorzocht en zijn 27 telefoons aangetroffen en in beslag genomen. Uit de aangiftes en de verklaringen van leveranciers waren ook al telefoonnummers naar voren gekomen. De politie heeft onderzoek gedaan naar de zendmastgegevens en historische verkeersgegevens van de aangetroffen telefoons en de daarin gebruikte en/of in verklaringen genoemde telefoonnummers. Op sommige nummers zijn taps gezet om gesprekken af te luisteren.
Onder meer de volgende telefoonnummers en telefoons komen in het onderzoek naar voren:
* [telefoonnummer 6]: werd gebruikt tussen 19 juni en 12 augustus 2013. Het nummer is alle dagen binnen het zendbereik van de [zendmast A] te [plaats] gebleven. Met het nummer is gebeld naar de aangevers in de zaaksdossiers 1, 3, 5 en 7. Het nummer belde op 26 juni 2013 tweemaal met * [telefoonnummer 4] , een nummer dat op de dongel stond vermeld.
* [telefoonnummer 7]: werd gebruikt van 27 juli 2013 tot en met 12 augustus 2013. Het nummer is alle dagen binnen het zendbereik van de [zendmast A] te [plaats] gebleven. Met het nummer is gebeld naar juweliers in de zaaksdossiers 1, 2, 4, 5, 6 en 7.
* [telefoonnummer 8]: werd gebruikt van 13 augustus 2013 tot en met 23 augustus 2014. Het nummer is alle dagen binnen het zendbereik van de [zendmast A] te [plaats] gebleven. Met het nummer is gebeld naar de aangevers in de zaaksdossiers 2, 6, 7 en 8 en naar een juwelier in zaaksdossier 2.
* [telefoonnummer 9]: werd gebruikt in 2013. Met het nummer is gebeld naar juweliers in de zaaksdossiers 4, 8, 9 en 11 en naar de aangever in zaaksdossier 9.
* [telefoonnummer 10]: is in gebruik geweest vanaf 8 oktober 2013 tot en met 30 oktober 2013. Op het nummer heeft een tap (TA02) gelopen. De stem van de gebruikster is herkend als die van [medeverdachte 1] . Het nummer is alle dagen binnen het zendbereik van de [zendmast A] te [plaats] gebleven. Met het nummer is gebeld met juweliers in de zaaksdossiers 12 en 14 en in enkele overige oplichtingszaken die in het proces-verbaal van onderzoek Erwt niet zijn uitgewerkt.
* [telefoonnummer 11]: Het nummer werd gebruikt van 17 december 2013 tot en met 10 januari 2014. Het nummer werd gebruikt in een blauwe Nokia telefoon met [IMEI-nummer 2] , die werd aangetroffen bij de doorzoeking op de [a-straat 1] . Het nummer is alle dagen, m.u.v. 23 december 2013, binnen het zendbereik van de [zendmast A] te [plaats] gebleven. Met het nummer is gebeld met de autohandelaar in zaaksdossier 18.
* [telefoonnummer 12]: Het nummer werd gebruikt van 17 december 2013 tot en met 10 januari 2014. Het nummer werd gebruikt in een blauwe Nokia telefoon met [IMEI-nummer 2] , die werd aangetroffen bij de doorzoeking op de [a-straat 1] . Het nummer is alle dagen binnen het zendbereik van de [zendmast A] te [plaats] gebleven. Met het nummer is op 7 januari 2014 tweemaal gebeld naar de aangever in zaaksdossier 12 en op 20 december 2013 met [aangever 17] (feit 4 voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ).
* [telefoonnummer 13]: Het nummer werd gebruikt van 5 tot en met 27 februari 2014. Uit de datagegevens op de getapte Huawei dongel (TA03) bleek dat dit nummer werd opgegeven als contacttelefoonnummer voor de aankoop van horloges, soms met de naam [naam 1] . Het nummer is afgeluisterd (TA04) en werd gebruikt in een wit-zilverkleurige Samsung telefoon met [IMEI-nummer 3] , die werd aangetroffen bij de doorzoeking op de [a-straat 1] . Met het nummer is meermalen contact geweest met [telefoonnummer 14] , dat toebehoorde aan [medeverdachte 2] . In tapgesprekken op 27 februari 2014 wordt door [medeverdachte 2] gesproken met een Nederlands sprekende vrouw en met een Engelstalige man die hij [betrokkene 3] noemt. Het toestel straalde zendmasten aan [zendmast A] te [plaats] en [zendmast B] en [zendmast C] te [plaats] aan en is binnen de tapperiode binnen het bereik van de [zendmast A] te [plaats] gebleven. Met het nummer is gebeld met aangevers en/of leveranciers in zaaksdossiers 16, 17, 18, 19, 20, 21 en 26.
* [telefoonnummer 15]: Het nummer is gebruikt tussen 27 februari 2014 en 12 maart 2014. Het nummer werd gebruikt in een zwarte Samsung telefoon met [IMEI-nummer 4] , die werd aangetroffen bij de doorzoeking op de [a-straat 1] . Het nummer is alle dagen, m.u.v. 27 februari 2014, binnen het zendbereik van de [zendmast A] te [plaats] gebleven. Met het nummer zijn aangevers in de zaaksdossiers 20, 21, 22, 23 en 26 en autohandelaren in de zaaksdossiers 20, 21, 22 en 23 gebeld.
* [telefoonnummer 16]: werd gebruikt tussen 13 en 19 maart 2014. Het nummer werd gebruikt in een zwarte Samsung telefoon met [IMEI-nummer 5] , die werd aangetroffen bij de doorzoeking op de [a-straat 1] . Het toestel straalde zendmasten aan [zendmast A] te [plaats] en [zendmast B] en [zendmast C] te [plaats] aan. Met het nummer is driemaal contact geweest met [telefoonnummer 14] , dat toebehoorde aan [medeverdachte 2] . Met het nummer zijn aangevers in de zaaksdossiers 23, 24, 26 en 28 en autohandelaren in de zaaksdossiers 24 en 25 gebeld.
* [telefoonnummer 17]: werd gebruikt tussen 13 maart en 8 april 2014. dit nummer werd gebruikt in een telefoon van een onbekend merk met [IMEI-nummer 6] , die werd aangetroffen bij de doorzoeking op de [a-straat] . Het toestel straalde zendmasten aan [zendmast A] te [plaats] en [zendmast B] en [zendmast C] te [plaats] aan. Met het nummer is de aangever in zaaksdossier 26 gebeld.
* [telefoonnummer 18]: werd gebruikt tussen 20 en 25 maart 2014. Het nummer werd gebruikt in een Samsung telefoon met [IMEI-nummer 7] , die werd aangetroffen bij de doorzoeking op de [a-straat 1] . Ook [telefoonnummer 19] heeft in het toestel gezeten. Het toestel straalde zendmasten aan [zendmast A] te [plaats] en [zendmast C] te [plaats] aan. Met het nummer zijn de aangevers in zaaksdossiers 26 en 28 gebeld en de autohandelaar in zaaksdossier 25.
* [telefoonnummer 20]: is gebruikt van 25 maart tot en met 3 april 2014. Dit nummer werd genoemd door de aangeefster in zaaksdossier 26. De historische verkeersgegevens zijn opgevraagd en onderzocht. Het toestel waar de simkaart met dit nummer in zat, straalde onder meer zendmasten [zendmast B] en [zendmast C] te [plaats] aan. Het nummer heeft contact gehad met [telefoonnummer 21] dat toebehoorde aan [medeverdachte 2] . Met het nummer is gebeld met aangevers in de zaaksdossiers 26, 28 en 37 en met autohandelaren in de zaaksdossier 26 en 27.
* [telefoonnummer 22]: Het nummer werd gebruikt van 2 tot en met 11 april 2014. Dit nummer werd gebruikt in een Nokia 105 telefoon met [IMEI-nummer 8] , die werd aangetroffen bij de doorzoeking op de [a-straat 1] . Het toestel straalde de zendmasten [zendmast B] en [zendmast C] te [plaats] aan. Met het nummer werden aangevers in zaaksdossiers 21, 22, 23, 26, 29 en 36 gebeld.
* [telefoonnummer 23]: werd gebruikt van 14 april tot en met 1 mei 2014. Dit nummer kwam naar voren in afgeluisterde gesprekken die gevoerd werden met een telefoonnummer van [medeverdachte 2] en werd vervolgens zelf getapt (TA09). Het nummer werd gebruikt in een Samsung E1200 telefoon met [IMEI-nummer 9] , die werd aangetroffen bij de doorzoeking op de [a-straat 1] . Het toestel straalde onder meer de zendmasten [zendmast B] en [zendmast C] te [plaats] aan. Er zijn gesprekken afgeluisterd die een vrouw voerde met medeverdachten, waaronder [medeverdachte 2] , en ook met rekeninghouders van de Rabobank en met leveranciers. De stem van de gebruikster is herkend als die van [medeverdachte 1] . Met het nummer werden aangevers in zaaksdossiers 30 en 34 en de autohandelaar in zaaksdossier 30 gebeld.
* [telefoonnummer 24]: werd gebruikt van 17 tot en met 28 april 2014. Dit nummer kwam naar voren in afgeluisterde gesprekken die gevoerd werden met een telefoonnummer van [medeverdachte 2] en werd vervolgens zelf getapt (TA12). Het nummer werd gebruikt in een Samsung E1200 telefoon met [IMEI-nummer 9] , die werd aangetroffen bij de doorzoeking op de [a-straat 1] . Het toestel straalde onder meer de zendmasten [zendmast B] en [zendmast C] te [plaats] aan. Met het nummer is gebeld naar de aangevers in zaaksdossiers 31 en 32.
* [telefoonnummer 25]: is gebruikt van 29 april tot en met 7 mei 2014. Dit nummer werd gebruikt in een zwarte Samsung GT-E1180 telefoon met [IMEI-nummer 10] , die werd aangetroffen bij de doorzoeking op de [a-straat 1] . Op zowel de telefoon als de simkaart stonden sms-berichten die verband hielden met de zaaksdossiers 25, 33, 34, 35. Met het nummer zijn aangevers in de zaaksdossiers 32, 33, 34 en 37 en een autohandelaar in zaaksdossier 34 gebeld.
* [telefoonnummer 2]Tijdens de doorzoeking is een blauwe Samsung GT-E1200 aangetroffen met daarin een simkaart met het [telefoonnummer 2] . Op de simkaart staan sms-berichten die verband houden met enkele niet tenlastegelegde (‘overige’) oplichtingszaken in het onderzoek Erwt. De politie heeft dit nummer afgeluisterd van 6 tot 19 mei 2014 (TA11). Het nummer had contact met het [telefoonnummer 26] van [medeverdachte 2] .
Gehanteerde terminologie
In de afgeluisterde gesprekken worden personen geregeld ‘Chop’ of ‘Chopper’ genoemd. Deze termen zouden afkomstig zijn uit een Nigeriaans liedje ‘Chop your dollar’. Het liedje gaat over de ’419-scam’, waarmee gerefereerd wordt aan artikel 419 van het Nigeriaanse Wetboek van Strafrecht, dat het leegplukken van andermans rekening strafbaar stelt.
Zo komt de term Chopper voor in de volgende gesprekken:
Gesprek tussen NN man * [telefoonnummer 27] en [medeverdachte 2] op 16 april 2014:
[medeverdachte 2] : Hey? ..goed je te horen ik probeer iedereen te bereiken maar iedereen heeft zijn telefoon uit.
NN man * [telefoonnummer 27] : Serieus??
[medeverdachte 2] : Ja! [verdachte] (fon). ik.uh hij vertelde me dat hij mij zou bellen maar ik wacht nog steeds. vanaf 1 uur al..
NN man* [telefoonnummer 27] : hhmmm,...
[medeverdachte 2] : Ja!, .. wat ben je aan het doen?!
NN man* [telefoonnummer 27] : hmm .. niet al te veel .. morgen! ben je klaar voor morgen?!
[medeverdachte 2] : Jazeker maar uh ik heb het [verdachte] (fon) al gezegd dat ik euh niet meer met die andere man werk. [betrokkene 15] .. (fon) weet Je? je moet de kosten voorschieten (cover the expenses)
NN man * [telefoonnummer 27] : (onderbreekt [medeverdachte 2] ) Maak niet uit?! Ik wil niet weten met wie je werkt. als je iets hebt... regel het zelf! .. ja?! Maar laat het op z'n minst aan [betrokkene 16] (fon) weten ja?!
(19:22:48)
[medeverdachte 2] : Ja? Ik heb mensen klaar staan ... Ik heb mensen klaar staan?! Heb je iets klaar staan?. (wordt onderbroken door NN man * [telefoonnummer 27] )
NN man * [telefoonnummer 27] : morgen, .. morgen hebben wie niemand om te werken dus als je niet serieus bent of geld nodig hebt (broke in the money).. dan .. hoeven we niet met jou te werken morgen?
Gesprek tussen NN man * [telefoonnummer 27] (1) en NN man * [telefoonnummer 28] (2) op 6 mei 2014:
2: Hallo.
1: Ja. Chopper (...).
2: Ja.
1: Hé, die gasten uit Duitsland hebben mij zojuist gebeld om te zeggen dat zij al in de stad zijn, dus ik weet niet wat ik hen zeggen moet: hoe laat kan die andere komen zodat zij dat kunnen komen ophalen?
2: Eh, voor werk?
1: Hoe laat, die afspraak voor dinsdag; hoe laat weet jij zeker dat zij het kunnen komen ophalen, die jongens zijn nu al in de buurt. Ik heb jou gisteren gezegd dat zij vandaag hier zouden zijn, toch?
Ook de termen ‘soldaat’ en ‘kantoor’ worden gebruikt:
Gesprek tussen NN man * [telefoonnummer 27] en [medeverdachte 2] op 14 april 2014:
[medeverdachte 2] : ja ‘good’ ... he waar, waar zijn jullie? op het kantoor?!
NN man(1) * [telefoonnummer 27] : Nee nee, we zijn ver van het kantoor ...
[medeverdachte 2] : Okay okay.
NN man(1) * [telefoonnummer 27] : Maar we zijn druk we zijn druk.
[medeverdachte 2] : Omdat ik euh .. een soldaat net heb bereikt.
NN man(1) * [telefoonnummer 27] : Wacht even wacht even ...
NN man(2) * [telefoonnummer 27] : Hallo?! ( vermoedelijk andere stem)
[medeverdachte 2] : Ja ‘ [betrokkene 17] ’ (Fon)
NN man(2) * [telefoonnummer 27] : Je .. je hebt al iemand gevonden of niet?!
[medeverdachte 2] : Nee voor morgenochtend?!
NN man(2) * [telefoonnummer 27] : Morgenochtend man!? Is laat?!
[medeverdachte 2] Ja, euh .. ik heb ik heb haar net ontmoet en ik was net ook boos op haar want zij vertelde mij op vrijdag dat wij op maandag wat kunnen doen maar zij heeft ook drie kinderen,.. ze kan niet zomaar weggaan.
NN man(2) * [telefoonnummer 27] : Maar euh.. als ik kan .laat mij kijken of ik iemand kan regelen want misschien kan jij die persoon dan gebruiken?
[medeverdachte 2] : Euh nog een keer?
NN man(2) * [telefoonnummer 27] : Laten we vandaag iets doen ... Laat mij kijken of ik iemand snel regelen.. dan heb je een persoon en dan kun je wat doen.
Gesprek tussen NN man 1 * [telefoonnummer 26] en NN man 2 * [telefoonnummer 27] op 22 april 2014:
2: heb je mijn sms ontvangen?
1: Ja, maar [betrokkene 18] , mijn soldaat, zij kan vandaag niet, man.
2: Maar je hebt de sms al?
1: Ja, ik heb het adres al.
2: Oké, dus je hebt het nu.
1: Ja, luister, gisteren zei je dat je iemand hebt om vandaag met mij mee te gaan, toch?
2: Wacht even, hoe zit het nou? Je zei toch dat je over een halfuur wegging?
1: Ja, ik ga al maar heb je iemand om met mij mee.
Tablet Samsung Galaxy
Bij de doorzoeking op de [a-straat 1] is een tablet Samsung Galaxy aangetroffen en inbeslaggenomen. De data op de tablet en de simkaart in het toestel zijn uitgelezen en onderzocht. Uit de data van de tablet blijkt er met de tablet op veel websites van autobedrijven en/f motorbedrijven gekeken is. Ook zijn de sites van de Rabobank, de ABN-AMRO bank en de SNS bank bezocht. Tevens zijn met de tablet websites van autohandelaren bezocht die voorkomen in de zaaksdossiers 30, 33 en 34.
Schrijfblok
Bij de doorzoeking op de [a-straat 1] werd een schrijfblok aangetroffen en inbeslaggenomen. Op dit schrijfblok stonden aantekeningen met namen, adressen, telefoonnummers, horloge- en automerken en prijzen die voorkomen in de zaaksdossiers 7, 8, 15, 18, 25, 26, 29, 30, 31, 32, 34, 35, 36 en 37.
Verklaringen [medeverdachte 2]
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [medeverdachte 2] , afgelegd bij de politie, moet worden uitgesloten van het bewijs, omdat deze onbetrouwbaar zou zijn. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat [medeverdachte 2] aantoonbaar zou hebben gelogen over aantallen auto’s die hij heeft doorverkocht en over de manier waarop hij andere katvangers heeft leren kennen.
De rechtbank constateert dat [medeverdachte 2] sinds zijn eerste verhoor in 2015 - weliswaar na confrontatie met voor hem belastend bewijsmateriaal - op hoofdlijnen consequent heeft verklaard over zijn eigen rol en de rol van [verdachte] bij de feiten waarvan [medeverdachte 2] wordt verdacht. [medeverdachte 2] heeft - in aanwezigheid van de raadsman van [verdachte] - tijdens zijn verhoor als getuige bij de rechter-commissaris op 31 januari 2018 en - desgevraagd door de raadsman van [verdachte] - als getuige tijdens de inhoudelijke behandeling op 8 april 2019 verklaard dat hij blijft bij de verklaring die hij heeft afgelegd bij de politie. Deze verklaring vindt bovendien steun in (ander) objectief bewijsmateriaal, zoals in de ping gesprekken op de Blackberry telefoon van [medeverdachte 1] en in de aanwezigheid van [verdachte] in de woning aan de [a-straat 1] op 7 mei 2014. Ook het gegeven dat [medeverdachte 2] geregeld de naam ‘ [verdachte] ’ noemde in de gesprekken die door de politie zijn afgeluisterd, ondersteunt naar het oordeel van de rechtbank de betrouwbaarheid van diens verklaring. Bovendien heeft [medeverdachte 2] ook zichzelf belast in zijn verklaring, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank bijdraagt aan de betrouwbaarheid daarvan. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het verweer van de raadsman en zal de verklaring van [medeverdachte 2] voor het bewijs gebruiken.
[medeverdachte 2] heeft tijdens zijn verhoor op 2 juni 2015 onder meer het volgende verklaard. Hij was medio 2013 in café [P] in [wijk 2] in contact gekomen met [betrokkene 6] , een Afrikaanse jongen van ongeveer 35 jaar oud. [betrokkene 6] noemde zich aan de telefoon ook “ [betrokkene 17] ” en zo noemden anderen hem ook. [medeverdachte 2] kon wat geld verdienen door voor [betrokkene 6] / [betrokkene 17] auto’s op zijn naam te zetten en deze auto’s dan bij [betrokkene 6] / [betrokkene 17] af te leveren. Later vroeg [medeverdachte 2] op verzoek van [betrokkene 6] / [betrokkene 17] ook aan anderen om auto’s op hun naam te zetten. Hij stond in contact met [betrokkene 6] via de kroeg of via de telefoon. [betrokkene 6] had altijd andere telefoonnummers.
[medeverdachte 2] had ook contact met [betrokkene 18] of [betrokkene 3] . Hij kreeg van [verdachte] of [betrokkene 3] te horen naar welk adres hij moest gaan en zij namen het geld aan van auto’s die hij had weggebracht.
[medeverdachte 2] had ook contact met een Nederlandse vrouw, ongeveer 30 jaar oud. Hij kende deze vrouw als [bijnaam medeverdachte 1] . Zij regelde alles, hij hoefde alleen maar naar de garage te gaan en dan was alles geregeld. Hij heeft haar nooit het geld van de auto gegeven.
[medeverdachte 2] kwam ook op “kantoor”. Dit was het café en ook een flat in [wijk 1] op de […] etage. Als hij daar kwam, waren daar meestal [bijnaam medeverdachte 1] , [betrokkene 3] en [verdachte] . [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de telefoonnummers * [telefoonnummer 14] en * [telefoonnummer 26] van hem kunnen zijn.
[medeverdachte 2] heeft [bijnaam medeverdachte 1] herkend op een politiefoto van [verdachte] , [betrokkene 6] oftewel [betrokkene 17] oftewel [verdachte] op een politiefoto van [verdachte] en [betrokkene 3] op een politiefoto van [betrokkene 5] .
Ter terechtzitting op 9 april 2019 heeft [medeverdachte 2] verklaard dat zijn bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 2] ’ is.
VERDACHTE [verdachte]
Telefoons en telefoonnummers in gebruik bij [medeverdachte 1]
* [telefoonnummer 29]: Tijdens de doorzoeking op de [a-straat 1] is een zwarte BlackBerry Curve 8520 aangetroffen met [IMEI-nummer 11] en met daarin een simkaart met telefoonnummer * [telefoonnummer 29] . Het telefoonnummer straalde voornamelijk een zendmast aan in [plaats] , binnen welk bereik het verblijfadres van [medeverdachte 1] viel. Op de telefoon zijn foto’s aangetroffen die verband houden met [medeverdachte 1] . Bij de contacten stonden onder meer vermeld: [betrokkene 18] met telefoonnummers * [telefoonnummer 30] en * [telefoonnummer 31] en [betrokkene 17] met * [telefoonnummer 32] . Met deze nummers is telefooncontact geweest in maart en april 2014. Ook is contact geweest met het [telefoonnummer 2] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij dit Blackberry toestel gebruikte om te bellen.
* [telefoonnummer 33]: Tijdens de doorzoeking is ook een zwart/witte BlackBerry 9900 Bold aangetroffen met [telefoonnummer 33] , [IMEI-nummer 12] en [ping nummer 1] . Voor het ping nummer was een useraccount aangemaakt met de naam ‘ [bijnaam medeverdachte 1] ’. Het telefoonnummer straalde voornamelijk zendmasten aan in [plaats] , binnen welk bereik het verblijfadres van [medeverdachte 1] viel. Op de telefoon zijn foto’s aangetroffen die verband houden met [medeverdachte 1] . Sommige van deze foto’s zijn opgeslagen als “ [bijnaam medeverdachte 1] ”.
Ook zijn foto’s op de telefoon aangetroffen die gerelateerd kunnen worden aan verschillende zaaksdossiers en schermafbeeldingen van notities waarin geldbedragen worden verdeeld, o.a. met “ [betrokkene 19] ” en “ [betrokkene 17] ”. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij deze telefoon gebruikte om te pingen met [verdachte] , met wie zij redelijk goed bevriend was. Met deze [verdachte] doelt zij op [verdachte] , die samen met haar in de woning aan de [a-straat] werd aangehouden.
* [telefoonnummer 34]: [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat het [telefoonnummer 34] aan haar toebehoort. Dit nummer is getapt met taplijn TA14. In tapsessie 67 geeft de gebruiker volgens de politie de naam “ [bijnaam medeverdachte 1] ” op.
Vergelijkend spraakonderzoek [medeverdachte 1]
Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft een vergelijkend spraakonderzoek uitgevoerd. De stem die gebruikmaakt van [telefoonnummer 34] (waarvan [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het haar telefoonnummer is) is onder meer vergeleken met de stem die gebruikmaakt van telefoonnummers * [telefoonnummer 10] (op 21 en 30 oktober 2013) en * [telefoonnummer 23] (op 15 en 16 april 2014). Het NFI constateert dat de bevindingen van het onderzoek t.a.v. formele gesprekken ‘zeer veel waarschijnlijker’ zijn als - kort gezegd - de gesprekken gevoerd zijn door [medeverdachte 1] , dan wanneer zij door iemand anders gevoerd zijn. Voor de informele gesprekken acht het NFI dit ‘veel waarschijnlijker’.
Tussenconclusie t.a.v. telefoons en telefoonnummers
Gelet op het vorenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de vaste gebruiker was van bovengenoemde BlackBerry telefoons met nummers * [telefoonnummer 29] en * [telefoonnummer 33] en van de telefoon met [telefoonnummer 34] en dat zij gebruik heeft gemaakt van de telefoonnummers * [telefoonnummer 10] (op 21 en 30 oktober 2013) en * [telefoonnummer 23] (op 15 en 16 april 2014).
Vingerafdrukken op de Acer laptop
Op de Acer laptop zijn vingerafdrukken aangetroffen van [medeverdachte 1] .
Vingerafdrukken op het schrijfblok
Op het schrijfblok is een vingerafdruk aangetroffen van [medeverdachte 1] .
Vergelijkend handschriftonderzoek
Het NFI heeft een vergelijkend handschriftonderzoek uitgevoerd. Het NFI heeft daarin geconstateerd dat de bevindingen van het onderzoek ‘veel waarschijnlijker’ zijn als het handschrift door [medeverdachte 1] is geproduceerd dan wanneer dat door een willekeurig andere persoon is geproduceerd.
VERDACHTE [verdachte]
Telefoon en telefoonnummer in gebruik bij [verdachte] :
BlackBerry Q10 met [telefoonnummer 1]: Tijdens de doorzoeking in de woning aan de [a-straat 1] is een BlackBerry Q10 aangetroffen met daarin een simkaart met [telefoonnummer 1] en [ping nummer 2] . Het [telefoonnummer 1] straalde tussen 1 juni 2013 en 8 mei 2014 ‘s nachts en in het weekend voornamelijk twee zendmasten binnen het bereik van de [a-straat 1] aan.
Uit onderzoek is voorts gebleken dat tussen [ping nummer 2] en [ping nummer 1] , toebehorend aan [medeverdachte 1] , is gepingd, waarbij de gebruiker van * [ping nummer 2] “ [betrokkene 17] ” of “ [verdachte] ” werd genoemd en de ping naam [naam 2] $ had. Deze [naam 2] $ sprak de andere gebruiker aan met [bijnaam medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij deze telefoon gebruikte om te pingen met “ [verdachte] ”. Met deze [verdachte] doelt zij op verdachte [verdachte] , die samen met haar in de woning aan de [a-straat] werd aangehouden.
Het [telefoonnummer 1] heeft op 6 mei 2014 de [zendmast B] te [plaats] aangestraald, in het bereik van [b-straat 1] . Het [telefoonnummer 27] dat aan verdachte [betrokkene 5] wordt toegeschreven (zie hieronder) straalde eveneens masten aan in het bereik van de [b-straat] . [telefoonnummer 27] werd op dat moment afgeluisterd (TA10). In het gesprek werd door [betrokkene 5] gezegd dat “ [naam 2] ” bij hem was.
Tussenconclusie t.a.v. telefoons en telefoonnummers
Gelet op het vorenstaande staat - anders dan door de raadsman is betoogd - naar het oordeel van de rechtbank vast dat [verdachte] de vaste gebruiker was van bovengenoemde BlackBerry telefoon met [telefoonnummer 1] .
Verjaardag [verdachte]
Het [telefoonnummer 26] van verdachte [medeverdachte 2] is afgeluisterd (TA08). Op 16 april 2014 feliciteerde [medeverdachte 2] iemand die gebruikmaakte van [telefoonnummer 23] en die zich “ [betrokkene 17] ” noemde alsnog met zijn verjaardag. [verdachte] is jarig op [geboortedatum] .
Vingerafdrukken op het schrijfblok
Op de achterzijde van de tweede pagina van het schrijfblok is een vingerafdruk van [verdachte] aangetroffen. Het NFI heeft nader onderzoek uitgevoerd. Het NFI heeft geconstateerd dat de bevindingen van het onderzoek “extreem veel waarschijnlijker” zijn als het spoor afkomstig is van [verdachte] dan wanneer het afkomstig is van een willekeurig ander persoon.
VERDACHTE [betrokkene 5]
Telefoons [betrokkene 5]
* [telefoonnummer 27]: dit nummer werd gebruikt in een witte Samsung telefoon met [IMEI-nummer 13] die werd aangetroffen bij de doorzoeking op de [a-straat 1] . Van 1 juli 2013 tot en met 6 mei 2014 was het nummer gekoppeld aan IMEI-nummer *2610. Het nummer is van 6 tot en met 19 mei 2014 getapt (TA10). Uit deze tap is gebleken dat het nummer veelvuldig contact had met [telefoonnummer 26] dat in gebruik was bij [medeverdachte 2] . Overdag straalde het nummer hoofdzakelijk de zendmasten [zendmast A] te [plaats] en [zendmast B] en [zendmast C] te [plaats] aan. ‘s Nachts straalde het nummer [zendmast D] te [plaats] aan. Het verblijfsadres van [betrokkene 5] valt binnen het bereik van deze zendmast. In de afgeluisterde gesprekken werd de gebruiker van het nummer ‘ [betrokkene 3] ’ genoemd. Op 16 april 2014 belde [medeverdachte 2] met dit nummeren noemde de gebruiker van het nummer ‘ [betrokkene 19] ’. Hij verontschuldigde zich daarna meerdere malen omdat hij de naam [betrokkene 19] openlijk over de telefoon had genoemd.
Op de simkaart van het nummer stonden berichten over (grote) geldbedragen, garages, gesloten rekeningen, telefoonnummers en [b-straat 2] . Ook werd een sms-bericht aangetroffen met de naam van de leverancier in zaaksdossier 31.
Op 2 juni 2015 werd de verdachte [medeverdachte 2] gehoord. [medeverdachte 2] werd tijdens het verhoor geconfronteerd met een telefoongesprek tussen zichzelf met [telefoonnummer 26] en de gebruiker van * [telefoonnummer 35] , door hem aangesproken als ‘ [betrokkene 18] ’. Op de vraag van verbalisanten wie ‘ [betrokkene 18] ’ was, verklaarde [medeverdachte 2] : “Dat is iemand anders uit de groep. [betrokkene 18] of [betrokkene 3] ”. Even later werd door verbalisanten aan de verdachte [medeverdachte 2] de politiefoto van [betrokkene 5] getoond. Hierop verklaarde [medeverdachte 2] : “Dat is [betrokkene 3] ”.
* [telefoonnummer 31]: dit nummer werd gebruikt in een zwart/grijze Samsung telefoon met [IMEI-nummer 15] die werd aangetroffen bij de doorzoeking op de [a-straat 1] . Het nummer straalde ‘s nachts zendmasten aan binnen het bereik van het toenmalige verblijfsadres van [betrokkene 5] . Het nummer stond bovendien opgeslagen in de telefoon van [betrokkene 20] , de ex-vriendin van [betrokkene 5] . Voorts os gebleken dat het nummer contact heeft gehad met het [telefoonnummer 29] , behorend bij een zwarte BlackBerry Curve 8520. Dit toestel werd gebruikt door verdachte [medeverdachte 1] . Het nummer heeft verder contact gehad met [telefoonnummer 2] (afgeluisterd op taplijn TA11). * [telefoonnummer 24] (afgeluisterd op taplijn TA12) en * [telefoonnummer 14] (afgeluisterd op taplijn TA05).
[betrokkene 5] heeft in zijn verhoor op 8 mei 2014 verklaard dat hij een Samsung telefoon had met een nummer eindigend op * [telefoonnummer 41] .
* [telefoonnummer 37]: dit nummer werd gebruikt in een zwarte iPhone met [IMEI-nummer 16] die werd aangetroffen bij de doorzoeking op de [a-straat 1] . Uit de historische verkeersgegevens is gebleken dat het toestel is gebruikt van 24 januari 2014 tot en met 7 mei 2014 en dat met het telefoonnummer zeer waarschijnlijk geen gesprekken zijn gevoerd, maar dat het vrijwel uitsluitend werd gebruikt voor dataverkeer. Het nummer straalde ‘s nachts twee zendmasten aan binnen het bereik van het toenmalige verblijfsadres van [betrokkene 5] .
In de data van de zwarte iPhone zijn veel foto’s van [betrokkene 5] aangetroffen en ook van het zoontje van [betrokkene 20] . Verder stond er een schermafdruk in de telefoon met de naam van de aangever en de begunstigde in zaaksdossier 37 en een foto van een briefje met de naam van de leverancier in zaaksdossier 16. Ook stonden op deze telefoon twee bestanden met aantekeningen en met lijsten van klantgegevens van de SNS-bank en van de Rabobank. Ten slotte stonden op de telefoon cookies van de Rabobank. Een van de cookies hield verband met de overboeking in zaaksdossier 37.
Tussenconclusie t.a.v. telefoons en telefoonnummers
Gelet op het vorenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [betrokkene 5] de vaste gebruiker was van bovengenoemde Samsung telefoons met nummers * [telefoonnummer 27] en * [telefoonnummer 31] en van de zwarte iPhone met [telefoonnummer 37] .
Zwarte administratiemap
Bij de doorzoeking op de [a-straat 1] werd een zwarte map met administratie aangetroffen en inbeslaggenomen. Deze map bevatte allereerst verschillende stukken, zoals pasfoto’s, een vreemdelingendocument en brieven van Nederlandse overheidsinstanties gericht aan [betrokkene 5] . Naast deze stukken werden ook andere documenten aangetroffen, zoals papieren met gebruikersnamen en wachtwoorden van bankrekeningen en aantekeningen betreffende naam en adresgegevens, inclusief bankrekeninggegevens, waarvan soortgelijke gegevens zijn aangetroffen op beide inbeslaggenomen iPhones. Ook bevatte de map een stuk tekst dat begint met “attentie klant” en waarin gevraagd wordt om een formulier te downloaden en rekeninggegevens in te vullen en terug te sturen.
De rechtbank betrekt verder nog bij haar oordeel de redengevende feiten en omstandigheden zoals die zijn vervat in zaaksdossier 26 en feit 3 van de tenlastelegging van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , welke feiten niet afzonderlijk op de tenlastelegging van de verdachte staan.
Zaaksdossier 26
Aangifte [aangever 18] . [aangever 18] heeft op 31 maart 2014 aangifte gedaan van oplichting. Zij heeft verklaard dat ze op 26 maart 2014 in de middag werd gebeld door een vrouw die vertelde dat ze van de Rabobank was en dat het internetbankieren doorgelicht moest worden tegen fraudegevoeligheid. De vrouw sprak accentloos Nederlands en “had een klein beetje een hoge stem”. Op haar verzoek heeft ze haar betaalpas in de random reader gestoken en de inlogcode doorgegeven. De volgende dag, 27 maart 2014, omstreeks 14.00 uur werd ze opnieuw gebeld door dezelfde vrouw. Ook toen heeft aangeefster meegewerkt en de gevraagde codes doorgegeven en de door de vrouw opgenoemde codes ingetoetst. Ook heeft ze de I- en S-toetsten ingedrukt. Op 31 maart 2014 zag aangeefster dat er een bedrag van € 49.950.- was overgeboekt naar autobedrijf [Q] .
Aangifte Rabobank
Op 26 november 2014 heeft de Rabobank aangifte gedaan van (onder meer) frauduleuze overboekingen van € 49.950,- en € 8.900,- op 27 maart 2014.
[getuige] (autobedrijf [Q] )
[getuige] , eigenaar van het autobedrijf [Q] in [plaats] , heeft verklaard dat hij op 27 maart 2014 omstreeks 12:45 uur werd gebeld door het [telefoonnummer 20] . Hij kreeg een vrouw aan de lijn die [betrokkene 21] heette. Zij wilde graag de Range Rover met [kenteken 1] kopen. Haar chauffeur zou de auto komen bekijken. Omstreeks 15:00 uur kwamen een man en een vrouw de zaak binnen om de auto namens [betrokkene 21] te bekijken. Hierna heeft getuige opnieuw conctact gehad met [betrokkene 21] . [betrokkene 21] vertelde hem dat ze het afgesproken bedrag van € 49.950.- over zou maken naar de rekening van het autobedrijf [Q] . Hij zag korte tijd later dat dit ook gebeurd was. Omdat [betrokkene 21] niet aanwezig was, mocht het voertuig op naam van de aanwezige vrouw gezet worden, te weten [betrokkene 22] .
Historische verkeersgegevens [telefoonnummer 20]
Uit de historische verkeersgegevens van de telefoon met het [telefoonnummer 20] is gebleken op 27 maart 2014 tweemaal is gebeld naar het telefoonnummer van [aangever 18] en dat eveneens op 27 maart 2014 viermaal naar het telefoonnummer van autobedrijf [Q] . is gebeld. De bij dit [telefoonnummer 20] horende telefoon straalde alle dagen dat het nummer is gebruikt de zendmasten aan van de basisstations [e-straat 1] te [plaats] . [d-straat 1] te [plaats] en [c-straat] te [plaats] .
Daarnaast is gebleken dat op 27 maart 2014, voorafgaand aan het ophalen van de Range Rover bij autobedrijf [getuige] , meerdere keren contact is geweest tussen het [telefoonnummer 20] en het [telefoonnummer 21] , die in gebruik was bij [medeverdachte 2] .
Uit de vergelijking tussen het tijdstip van de overboeking, zoals die blijkt uit de aangifte van de Rabobank, en de historische gegevens van [telefoonnummer 20] is gebleken dat de overboeking plaatsvond terwijl [aangever 18] door het betreffende nummer werd gebeld:
Overboeking Rabobank Historische gegevens * [telefoonnummer 20] met [telefoonnummer 38]
Datum Tijd Datum Tijd Duur gesprek in sec
27-03-2014 14:15 27-03-2014 14:03 876
Telefoons en telefoongegevens
[telefoonnummer 13]
Uit de historische verkeersgegevens van het [telefoonnummer 13] is gebleken dat tussen 5 en 26 februari 2014 31keer is gebeld naar het telefoonnummer van [aangever 18] . De duur van de gesprekken ligt tussen de 3 en 9 seconden. De bij het [telefoonnummer 13] horende telefoon straalde alle dagen dat het nummer is gebruikt de zendmast aan van in totaal drie basisstations, te weten: [e-straat 1] te [plaats] , [d-straat 1] te [plaats] en [f-straat 1] te [plaats] .
[telefoonnummer 15]
Uit de historische verkeersgegevens van het [telefoonnummer 15] is gebleken dat tussen 5 maart en 12 maart 2014 22 keer is gebeld naar de [aangever 18] . De contacten betroffen steeds een aantal seconden. De bij het [telefoonnummer 15] horende telefoon straalde alle dagen dat het nummer is gebruikt de zendmast aan van basisstation [f-straat 1] te [plaats] .
[telefoonnummer 16]
Uit de historische gegevens van het [telefoonnummer 16] is gebleken dat tussen 14 en 19 maart 2014 zes keer contact is opgenomen met het telefoonnummer van [aangever 18] . De bij het nummer eindigend op - [telefoonnummer 16] horende telefoon straalde op 13, 14, 17 en 19 maart 2014 de zendmast aan van basisstation [f-straat 1] te [plaats] en de resterende tijd de zendmast van de basisstations [e-straat 1] te [plaats] en [d-straat 1] te [plaats] .
[telefoonnummer 17]
Uit de historische gegevens van het [telefoonnummer 17] blijkt dat er één maal op 28 maart 2014 met het telefoonnummer is gebeld naar het telefoonnummer van [aangever 18] . Het contact vond plaats om 08:40 uur en heeft 85 seconden geduurd. De bij het nummer eindigend op - [telefoonnummer 17] horende telefoon straalde op 14 maart 2014 en in de periode van 21 maart 2014 tot en met 8 april 2014 vrijwel dagelijks de zendmast aan van basisstation [f-straat 1] te [plaats] . Daarnaast straalde de telefoon in de periode tussen 21 maart 2014 en 8 april 2014 de zendmast aan van de basisstations in [plaats] .
Schrijfblok
In het schrijfblok dat is aangetroffen in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , stond onder meer de tekst: “ [telefoonnummer 39] ” geschreven.
Acer laptop
Uit onderzoek aan de aangetroffen Acer laptop en de tap op het [IMEI-nummer 17] (TA03, de dongel) is gebleken dat op 27 maart 2014 omstreeks 15:51 uur op de site van autobedrijf [Q] is gekeken naar een Land Rover Evoque met [kenteken 1] .
Uitdraai RDW
Uit een uittreksel van de RDW blijkt dat voornoemde Range Rover met het [kenteken 1] voor drie dagen op naam van [betrokkene 22] heeft gestaan. Op 31 maart 2014 is de auto overgeschreven op naam van [betrokkene 23] en diezelfde dag nog overgeschreven op naam van [R] B.V.
Verklaring [medeverdachte 2]
heeft verklaard dat hij met zijn ex-vriendin genaamd [betrokkene 22] in opdracht van [verdachte] naar garagebedrijf [getuige] is gereden om daar een Range Rover op te halen. Hij heeft aan [betrokkene 22] gevraagd om de auto op haar naam te zetten. Hij heeft de Range Rover vervolgens (door)verkocht aan [betrokkene 23] . Het geld dat hij daarvoor heeft ontvangen, heeft hij aan [verdachte] gegeven. Hij heeft een bedrag van € 100,- ontvangen voor het ophalen en verkopen van de auto en [betrokkene 22] een bedrag van € 250,- vanwege het op haar naam laten zetten van de auto.
Feit 3 van de tenlastelegging van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]
Aangifte [aangever 19] c.q. [S]
Op 2 december 2013 heeft [aangever 19] namens zijn vader [aangever 20] en namens [S] aangifte gedaan van computercriminaliteit. Op 29 november 2013 is van de Rabobank rekening van de cafetaria een bedrag van € 42.950 afgeschreven door [T] met Rabobank [rekeningnummer 1] , met omschrijving BMW X6, [kenteken 2] . Op 21 november 2013 werd de opa van aangever gebeld door een [betrokkene 24] die zich voordeed als iemand van de Rabobank. Zij belde in verband met de verandering van de omschrijving van de Sepa incasso. De opa van aangever heeft toen het bankrekeningnummer van de cafetaria doorgegeven. Op 29 november 2013 werd de opa van aangever weer gebeld door [betrokkene 24] , met de mededeling dat de beveiliging van de Sepa de vorige keer niet goed gelukt was. Aangever nam de telefoon over en [betrokkene 24] vertelde dat zij twee uur lang niet mochten internetbankieren. Diezelfde dag nog werd aangever gebeld door de afdeling Fraudedienst van de Rabobank. Die vertelde dat er een groot bedrag van de rekening was afgeschreven. Aangever heeft toen gebeld met [T] . Die vertelde dat er net een BMW X6 met [kenteken 2] was verkocht voor € 42.950 en dat hij ook was gebeld door de fraude afdeling van de Rabobank.
Aangifte [aangever 21] c.q. [T]
Op 25 november 2015 heeft [aangever 21] , mede namens zijn bedrijf [T] , ook aangifte gedaan van oplichting. Op vrijdag 29 november 2013 had hij een BW X6 met kenteken [kenteken 2] verkocht voor een bedrag van € 42.950. In opdracht van [betrokkene 25] uit [plaats] was de [medeverdachte 2] , die zich voorstelde als de chauffeur van [betrokkene 25] , in de show room verschenen voor een bezichtiging. In het bijzijn van [aangever 21] belde [medeverdachte 2] [betrokkene 25] en werd besloten tot de koop van de BMW X6. [aangever 21] heeft daarna nog met [betrokkene 25] gesproken over de betaling en overschrijving van de BMW. Het bedrag van € 42.950 werd overgemaakt van [rekeningnummer 2] , die op naam stond van [S] . [aangever 21] heeft bij [betrokkene 25] gecontroleerd of dit correct was. Er stond een juiste omschrijving bij, namelijk BMW X6 [kenteken 2] . De BMW is via de RDW op naam gezet van [medeverdachte 2] en de koopovereenkomst is namens/in opdracht van [betrokkene 25] door [medeverdachte 2] ondertekend. Nadat de koop was gesloten en [medeverdachte 2] met de BMW was vertrokken, werd [aangever 21] gebeld door het fraudeteam van de Rabobank. Ook werd [aangever 21] dezelfde dag gebeld door [aangever 19] . Die vertelde dat de inloggegevens van zijn vader/grootvader onze valse voorwendselen waren verstrekt aan een onbekend persoon en dat € 42.950 was gebruikt voor de aanschaf van een auto vanuit het bedrijf van [aangever 21] .
Bevindingen
De dienst informatie heeft gezocht op de naam [betrokkene 25] , in combinatie met het in de koopovereenkomst van de BMW X vermelde adres [g-straat 1] te [plaats] . Uit dit onderzoek is geen bestaand persoon bekend geworden. Het in de koopovereenkomst vermelde [telefoonnummer 40] is niet te herleiden naar een fysiek persoon. Datzelfde geldt voor het e-mailadres dat vermeld wordt in de koopovereenkomst: [e-mailadres] . De naam [betrokkene 11] komt ook niet voor in de gemeentelijke bassiadministratie of de systemen van de politie. Dit alles doet de politie vermoeden dat de opgegeven [betrokkene 25] een valse identiteit is.
Verklaring [medeverdachte 2]
Toen [medeverdachte 2] door de politie werd gevraagd wat hij kon verklaren over een BMW type X6, verklaarde hij dat hij wist waar het over ging. Een jongen die hij lang kent, had hem gevraagd om een auto op te halen en op zijn naam te zetten. [medeverdachte 2] zou daar ongeveer € 300 of € 400 voor krijgen. [medeverdachte 2] is destijds via via in contact gekomen met die jongen; een Afrikaanse jongen genaamd [verdachte] . [medeverdachte 2] kende deze jongen ook als Chopper. De opdracht was simpel: hij moest de auto ophalen en bij de jongen brengen. De auto zou dezelfde dag nog van zijn naam gehaald worden. Het was in januari of december van 2013. Hij weet niet meer waar het was of namens wie hij de auto op moest halen. Hij kreeg de auto wel mee en deze heeft toen een aantal dagen op zijn naam gestaan. Hij heeft nooit geld gekregen om contant te betalen. Er is tussen de € 40.000 en € 50.000 betaald voor de auto.
Conclusie ten aanzien van feit 2
Algemeen
Een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr is een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen ten minste twee personen. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat men samenwerkt met althans bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, een bepaalde gezamenlijke werkwijze, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling en een bepaalde hiërarchie. De organisatie dient het plegen van misdrijven tot oogmerk te hebben, hetgeen betekent dat het plegen van misdrijven het naaste doel van de organisatie is. Voor het bewijs van het oogmerk kan betekenis toekomen aan het meer duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking. Dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Ook kan het oogmerk blijken uit de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Er is sprake van deelnemen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr, indien de verdachte behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk, te weten: het plegen van misdrijven. De verdachte dient in dat verband in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat de deelnemer enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven, aan enig concreet misdrijf heeft deelgenomen of van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad.
Ten aanzien van de onderhavige zaak
Uit de bewijsmiddelen die hiervoor zijn besproken blijkt dat in 2013 en 2014 op grote schaal geld is ‘gephisht’ van rekeningen bij de Rabobank. Dit geld werd vervolgens witgewassen door dure goederen te kopen. Phishing en witwassen vergen een planmatige en gestructureerde aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen. In de onderhavige zaak was daarvan zonder meer sprake. Klanten van de Rabobank kregen (in de meeste gevallen) eerst een valse e-mail waarin hen werd gevraagd op een link te klikken en/of persoonsgegevens achter te laten. Ze werden kort daarna telefonisch benaderd door een vrouw die zich voordeed als medewerkster van de Rabobank die met hen enkele stappen wilde doorlopen in verband met - in de meeste gevallen - een update van het beveiligingssysteem. Mensen verstrekten nietsvermoedend inloggegevens en codes, waarmee door anderen betalingen konden worden verricht. Terwijl de mensen nog aan de telefoon zaten met de ‘medewerkster van de Rabobank’, werden al bedragen van hun rekening overgemaakt naar rekeningen van derden, waarop vrijwel direct op diverse plekken verspreid over Nederland dure horloges of auto’s werden gekocht. Uit het dossier blijkt dat verschillende auto’s kort na de aankoop met het ‘gephishte’ geld werden doorverkocht voor een opvallend lagere koopsom.
De reeds aangehaalde bewijsmiddelen leveren naar het oordeel van de rechtbank in onderling verband en samenhang beschouwd het wettig en overtuigend bewijs dat een samenwerkingsverband actief is geweest dat tot doel had op frauduleuze wijze het geld van de bankrekeningen te halen en dit zo snel mogelijk buiten het bereik van de rekeninghouder en de bank te brengen; ‘Choppen’ in de terminologie van de verdachten.
Dat het om een grootschalig, planmatig en gestructureerd samenwerkingsverband ging, blijkt uit de beschreven modus operandi, uit het aanzienlijke aantal zaken en verdachten dat in het onderzoek Erwt naar voren is gekomen, uit de hierna te bespreken rolverdeling tussen de verschillende verdachten en uit de wijze waarop zij hun werkzaamheden uitvoerden. De informatie op basis waarvan de rekeninghouders benaderd werden, was systematisch geordend. De telefoonnummers waarmee de verdachten de rekeninghouders, leveranciers en katvangers belden, werden slechts gedurende enkele weken gebruikt. Er werd bijgehouden wanneer een rekeninghouder of leverancier moest worden teruggebeld en of sprake was van specifieke aandachtspunten. Als duidelijk was hoeveel geld er precies op een rekening stond, werd gezocht naar goederen voor dat specifieke bedrag. Vervolgens werd ervoor gezorgd dat de katvangers al in de buurt van de juwelier of autodealer waren, zodat zij onmiddellijk na de frauduleuze overboeking de horloges of auto’s konden afhalen. Het bedrijfsmatige, gestructureerde, karakter van het samenwerkingsverband blijkt ook uit de tapgesprekken. De verdachten gingen naar ‘kantoor’, bespraken hun werk en vrije tijd, en gebruikten specifieke benamingen voor specifieke medewerkers: ‘choppers’ haalden de rekeningen leeg en ‘soldaten’ haalden de goederen op.
Rolverdeling [betrokkene 5] , [verdachte] en [medeverdachte 1]
Hoewel het onderzoek niet alle schakels in het samenwerkingsverband heeft kunnen blootleggen (zo is niet duidelijk geworden wie het brein achter de organisatie was en waar de initiële contactgegevens van de rekeninghouders van de Rabobank vandaan kwamen) is naar het oordeel van de rechtbank wel komen vast te staan dat [betrokkene 5] , [verdachte] en [medeverdachte 1] over een langere periode hebben deelgenomen aan dit samenwerkingsverband en daarin elk hun eigen rol en taak hadden, die cruciaal was voor het welslagen van de door de organisatie beoogde misdrijven.
Zo was [betrokkene 5] degene die zich (onder meer) bezighield met het selecteren en verkrijgen van vertrouwelijke informatie van rekeninghouders en het verspreiden van e-mailberichten die van een bank afkomstig leken. Op de bij [betrokkene 5] aangetroffen zwarte iPhone zijn bestanden aangetroffen met daarop de bankrekeninggegevens (rekeningnummers, telefoonnummer, geboortedata en pasnummer) van een groot aantal gedupeerden in de onderhavige zaak. Deze informatie bleek onmisbaar te zijn voor het plegen van de oplichtingen.
[verdachte] hield zich bezig met het uitzoeken van aan te schaffen goederen en was daarnaast degene die ervoor zorgde dat potentiële katvangers werden gevonden, geronseld en geïnstrueerd. Ook zorgde hij voor de snelle doorverkoop van de aangeschafte goederen en nam hij de opbrengst in ontvangst van de katvangers.
[medeverdachte 1] ten slotte was degene die de rekeninghouders van de Rabobank benaderde en hen de informatie wist te ontfutselen waarmee de organisatie toegang verkreeg tot de rekening. Daarnaast onderhield zij contact met de juweliers en autodealers en stuurde zij de katvangers aan die op pad werden gestuurd om de horloges, auto’s en motoren op te halen.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben [betrokkene 5] , [verdachte] en [medeverdachte 1] alle drie een substantieel aandeel gehad in de criminele organisatie en de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Zoals hiervoor is overwogen en uit de bewijsmiddelen blijkt, was sprake van een handelwijze die een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen vergde. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [betrokkene 5] , [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben deelgenomen aan een samenwerkingsverband dat tot doel had om misdrijven te plegen.
Voor wat betreft de pleegperiode van [verdachte] sluit de rechtbank aan bij de verklaring van [medeverdachte 2] , die heeft verklaard dat hij een halfjaar met [verdachte] heeft “gewerkt”. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [verdachte] gedurende de ten laste gelegde periode aan de criminele organisatie heeft deelgenomen.”
3.5
Het hof heeft deze (promis)bewijsvoering aangevuld met de volgende bewijsmiddelen:
“1.
Een geschrift, zijnde een brief van de [medeverdachte 1] aan het hof, d.d. 4 december 2020, Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
Ik kwam in contact met een man (het hof begrijpt dat hiermee wordt bedoeld [betrokkene 4] ), op dat moment waren mijn schulden zo hoog opgelopen dat ik mijn koophuis zou kwijtraken. Hij kon mij hierbij helpen. Mijn huis was niet meer te redden en is per executie verkocht. Ik mocht gratis verblijven in het huis van een broer van de man die ik had ontmoet, hierna verbleef ik in het huis van een neef van hem.
Ik ben toen in contact gekomen met een vriend van hem. Die wilde weten of ik extra geld wilde verdienen. Ze waren op zoek naar een dame zoals mij. Ik zou niet veel hoeven doen, enkel een paar telefoontjes plegen. Ik kon natuurlijk niet voor niets in het huis blijven waar ik verbleef. Ik kon die vriend van hem (het hof begrijpt dat hiermee de medeverdachte [verdachte] wordt bedoeld) toch wel helpen, dat was ik de man ook wel verschuldigd die mij had geholpen met mijn huis, gaf hij aan.
Het huis zat vol met veel mannen en een andere dame. De man kende ze allemaal. De dame en de verdachte (het hof begrijpt [verdachte] ) legde mij uit wat er moest gebeuren en wat ik moest zeggen, er was een soort van script. Ik moest mij voordoen als een medewerker van de bank en stap voor stap maakte de verdachte en de dame geld over van de rekening van de mensen die gebeld werden. De andere mannen in het huis, brachten steeds informatie aan van mensen die gebeld moesten worden.
Na verloop van tijd vroegen ze mij meer te doen. Ik werd ‘s ochtends gebeld of geappt dat ik moest komen, het adres verschilde nog wel eens. De andere dame was er niet meer bij. Ook nu waren er vaak andere mannen aanwezig.
Wanneer de dag startte gaven de verdachte en de man mij gegevens die ik moest de noteren en waarmee ik contact moest zoeken (voor bijvoorbeeld dure auto’s en horloges). Er werd mij aangegeven wat ik moest zeggen. Er zat steeds iemand naast mij die mee luisterde en ingreep wanneer het nodig was. Zo werden de gesprekken gecontroleerd. Daarnaast waren er andere mannen aanwezig. Zij beschikten over informatie van personen, die ook gebeld moesten worden. Ook hier werd een soort script weer gevolgd en werden de gesprekken die ik moest voeren nauwgezet in de gaten gehouden.
Het verschilde wanneer ik geld kreeg voor de telefoontjes die ik had gepleegd. Ook waren daar geen vaststaande bedragen voor. Ik moest het doen met wat ze me gaven. Ik heb in totaal om en nabij tussen de 20.000 en 30.000 euro ontvangen.
2.
Een proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1]d.d. 2 juni 2021 afgelegd bij de raadsheer-commissaris. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :
als de op 2 juni 2021 afgelegde verklaring van
[medeverdachte 1]:
Het klopt dat ik met twee mannen in de woning was op het moment dat ik werd aangehouden. U toont mij een politiefoto (bijlage 18, dossierpagina 5369). U vraagt mij of ik de man op die foto herken. Ja, ik ken hem, dat is [verdachte] , sommige mensen noemde hem ook Chopper.
[verdachte] en [betrokkene 5] waren de twee mannen die in de woning aanwezig waren toen ik werd aangehouden.
Het klopt dat ik op enig moment informatie kreeg, contactgegevens, om mensen te bellen met als het doel het ontfutselen van gegevens die het mogelijk maakten dat iemand kon inloggen in iemands online bankomgeving en dat wij dan keken of er veel geld op die rekeningen stond. Het klopt ook dat er vervolgens contact werd opgenomen met een juwelier voor de aanschaf van sieraden of een autodealer, daarna weer contact werd opgenomen met de rekeninghouder om het geld over te maken naar de juwelier. Ik ben best wel vaak degene geweest die contact opnam met mensen voor hun bankgegevens en met juweliers en autodealers.
De contactgegevens van rekeninghouders werden mij aangereikt. Het wisselde van wie ik die informatie kreeg. Onder andere van [betrokkene 5] en af en toe van [verdachte] .
Alle informatie stond op een laptop, tablet of het werd doorgestuurd. Ik moest gaan bellen. De heren bleven naast mij zitten en hielden dan goed in de gaten of ik wel deed wat ik moest doen. Ik moest eerst bellen om te kijken of er geld op de rekening stond, degene die naast mij zat checkte dat dan. Er zat altijd iemand naast mij, ik was nooit alleen. [verdachte] zat ook wel eens naast mij, hij was er eigenlijk altijd en zorgde dat iedereen aanwezig was en bij elkaar. Hij sprak voornamelijk Engels, maar hij spreekt wel een beetje Nederlands en verstaat het ook goed.
[verdachte] zocht voornamelijk naar de juwelen en auto’s. [bijnaam betrokkene 4] (het hof begrijpt dat hiermee [betrokkene 4] wordt bedoeld) was er ook vaak bij betrokken. Dit is de man die mij onderdak had gegeven.
Ik moest bij de juwelier of de autohandelaar polsen of hetgeen men op het oog had nog aanwezig was. Ik moest aangeven dat ik geïnteresseerd was en vragen of het geld overgemaakt kon worden. Ook moest ik checken of het bedrijf een Rabobankrekening had, dan was een snelle overboeking mogelijk. Ik plande dan een moment in om de rekeninghouder weer te bellen. De heren die aanwezig waren in het kantoor zorgden dan dat er iemand klaar stond om het goed direct af te halen zodra het geld was overgemaakt. Ik moest dan terugbellen naar het bedrijf dat bijvoorbeeld mijn zus of partner de auto of het juweel zou komen ophalen en ik moest een naam doorgeven. Ik kreeg die naam dan door van [verdachte] .
[verdachte] en [bijnaam betrokkene 4] gingen voornamelijk over de afhandeling. Zij verkochten de sieraden en de voertuigen. Ik was daar niet bij. Het klopt dat ik de informatie die mij werd aangereikt vaak opschreef in het notitieblok. Het was een soort van administratie. [verdachte] heeft denk ik ook wel eens aan het notieblok gezeten. Hij schreef er ook wel eens iets in op terwijl ik aan het bellen was.
De dynamiek was niet gelijkwaardig. Er werd mij verteld wat ik moest doen door [verdachte] en [bijnaam betrokkene 4] . Vooral [bijnaam betrokkene 4] heeft veel druk op mij gelegd.
Ik weet niet wat er in totaal werd verdiend of wat de opbrengst was. Ik was daar eerst niet bij en daar werd ook niet over gepraat. Soms kreeg ik iets en soms ook niets. Ik denk dat ik maximaal tussen de € 20.000,- en € 30.000,- heb ontvangen.
3.
Een proces-verbaal van verhoor van de [medeverdachte 1] als getuige in de zaken van de medeverdachten, d.d. 14 januari 2022 afgelegd bij de raadsheer-commissaris. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :
als de op 14 januari 2022 afgelegde verklaring van
[medeverdachte 1]:
[bijnaam betrokkene 4] [betrokkene 4] is dezelfde persoon als [betrokkene 4] . [bijnaam betrokkene 4] is zijn bijnaam. Hij heeft een broertje en die heette [betrokkene 26] , zo noemden we hem. Ik weet dat [betrokkene 26] de eigenaar was van de woning aan de [a-straat] in [plaats] , ‘het kantoor’.
Als [verdachte] of [betrokkene 4] aanwezig was, dan was het wel zo dat we het gingen doen zoals zij het zeiden. En als er iemand anders aanwezig was dan bepaalden zij wat we gingen doen.
[verdachte] heeft wel in de woning aan de [a-straat] gewoond, maar toen de politie binnenviel in mei 2014 woonde hij daar volgens mij niet meer. Hij heeft daar wel een tijdje verbleven.
Ik kreeg de opdracht om mails te versturen. Ik liet de volgende dag op het kantoor zien wat ik had verstuurd. Dat werd toen besproken en daarna ook gecontroleerd. Ik kende [verdachte] via [betrokkene 4] . Ik zag [verdachte] heel regelmatig.”
3.6
Voorts heeft het hof de (promis)bewijsvoering van de rechtbank aangevuld met onder meer de volgende bewijsoverwegingen:

Aanvullende overweging
[…]
Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]
Namens de verdachte is tevens aangevoerd dat de door de [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te kunnen worden gebruikt, omdat zij heeft verklaard dat de verdachte er eigenlijk altijd wel bij was als zij moest bellen, terwijl uit het dossier zou blijken dat de telefoons van de verdachte en de [medeverdachte 1] op 12 dagen waarop de [medeverdachte 1] met strafbare handelingen bezig was, niet dezelfde zendmast aanstraalden.
De verdediging heeft ter onderbouwing van deze stelling met name verwezen naar een door een verbalisant opgestelde ‘presentatie’, die als bijlage is gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen van 8 mei 2015 (pagina 1449 e.v.). In deze presentatie is over de periode van 11 februari 2014 tot en met 1 mei 2014 met betrekking tot de zaaksdossiers 16 tot en met 39 aangegeven wiens of welke telefoons, alsmede de Huawei internet dongel, op welke tijdstippen bepaalde zendmasten aanstraalden. Ten aanzien van de verdachte betreft het de telefoontoestellen waarin de nummers * [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 1] actief waren.
Met betrekking tot het [telefoonnummer 1] stelt het hof op grond van de verklaringen afgelegd door [medeverdachte 1] en op grond van volgende overwegingen van de rechtbank, welke zij tot de hare maakt, vast dat de verdachte hiervan de gebruiker was.
Tijdens de doorzoeking in de woning aan de [a-straat 1] is een BlackBerry Q10 aangetroffen met daarin een simkaart met [telefoonnummer 1] en [ping nummer 2] . Het [telefoonnummer 1] straalde tussen 1 juni 2013 en 8 mei 2014 ‘s nachts en in het weekend voornamelijk twee zendmasten binnen het bereik van de [a-straat 1] aan.
Voorts blijkt dit uit de verklaringen afgelegd door [medeverdachte 1] (haar brief van 4 december 2020 alsmede tegenover de raadsheer-commissaris op 2 juni 2021 en 14 januari 2022), welke zakelijk weergegeven erop neerkomen dat de verdachte haar een aantal maal informatie gaf over rekeninghouders die zij moest bellen, dat hij er altijd bij was als zij belde en iedereen bij elkaar bracht, dat hij zocht naar juwelen en auto’s, informatie gaf over de personen die deze ophaalden, en haar betaalde voor haar werkzaamheden.
Uit onderzoek is voorts gebleken dat tussen [ping nummer 2] en [ping nummer 1] , toebehorend aan [medeverdachte 1] , is gepingd, waarbij de gebruiker van [ping nummer 2] “ [betrokkene 17] ” of “ [verdachte] ” werd genoemd en de ping naam [naam 2] $ had. Deze [naam 2] $ sprak de andere gebruiker aan met [bijnaam medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij deze telefoon gebruikte om te pingen met “ [verdachte] ”. Met deze [verdachte] doelt zij op verdachte [verdachte] , die samen met haar in de woning aan de [a-straat] werd aangehouden.
Het [telefoonnummer 1] heeft op 6 mei 2014 de [zendmast B] te [plaats] aangestraald. Het adres [b-straat 1] ligt binnen het bereik van die zendmast. Het [telefoonnummer 27] dat aan verdachte [betrokkene 5] wordt toegeschreven straalde eveneens masten die vanaf de [b-straat] konden worden bereikt. [telefoonnummer 27] werd op dat moment afgeluisterd (TA10). In het gesprek werd door [betrokkene 5] gezegd dat “ [naam 2] ” bij hem was.
Het hof stelt vast dit er onvoldoende aanwijzingen zijn om de verdachte aan te wijzen als de gebruiker van het [telefoonnummer 2] . Dat betekent dat voor zover in de presentatie dat nummer wel aan de verdachte wordt toegeschreven, die bevindingen in het navolgende geen rol zullen spelen. Nu steeds zowel dit nummer als het [telefoonnummer 1] tezamen als bij de verdachte in gebruik zijn wordt genoemd, heeft het hof zich de vraag gesteld of dit ook betekent dat steeds beide nummers de betreffende zendmasten aanstraalden. Bij het ontbreken van de onderliggende historische verkeersgegevens (deze zijn blijkens het proces-verbaal vanwege de omvang ervan niet bij het proces-verbaal gevoegd) dient het antwoord op deze vraag elders gevonden te worden.
Nadere bestudering van de presentatie leert dat met betrekking tot de medeverdachte [betrokkene 5] sprake is van in totaal drie verschillende telefoonnummers. Op drie dagen (5, 8 en 11 april) wordt steeds één nummer als actief op een bepaalde zendmast genoemd. Op vijf andere dagen (16, 28, 29 en 30 april en 1 mei) worden naast dat nummer nog twee andere nummers als actief op een bepaalde zendmast genoemd. Het hof maakt hieruit op dat indien in de presentatie een telefoonnummer wordt genoemd, dat nummer daadwerkelijk op het genoemde moment een of meer bepaalde zendmasten aanstraalden.
Het voorgaande houdt in dat uit de presentatie kan worden opgemaakt dat het aan de verdachte toe te schrijven [telefoonnummer 1] op 5 dagen (16, 28, 29 en 30 april en 1 mei) op bepaalde momenten dezelfde zendmast heeft aangestraald als een of meer telefoonnummers in gebruik bij [medeverdachte 1] (en overigens ook als een of meer telefoonnummers in gebruik bij [betrokkene 5] en van diverse werktelefoons alsmede van de dongel). Een en ander doet derhalve niet af aan de betrouwbaarheid van de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen.
De omstandigheid dat ten aanzien van 12 andere in de presentatie genoemde dagen niet is vastgesteld dat een aan de verdachte toe te schrijven telefoon dezelfde mast aanstraalde als een door [medeverdachte 1] gebruikt nummer, diverse werktelefoons en de dongel, maakt evenmin de verklaringen van [medeverdachte 1] minder betrouwbaar. Met het hiervoor genoemde [telefoonnummer 1] , dat bij de verdachte in gebruik was, is immers pas op 17 april 2014 voor de eerste keer een daadwerkelijk gesprek gevoerd (blz. 73 p.v.). Het ligt daarom voor de hand dat de verdachte in de maanden daaraan voorafgaand geen telefoontoestel waarin dit nummer was geactiveerd bij zich droeg.
Ter terechtzitting in hoger beroep op 28 juni 2023 heeft de getuige [betrokkene 4] een nadere verklaring afgelegd. Het hof stelt vast dat deze verklaring in hoger beroep niets af doet aan de rol van de verdachte en tevens niet maakt dat de verklaringen van de [medeverdachte 1] minder betrouwbaar zouden zijn. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de rol die getuige [betrokkene 4] volgens de [medeverdachte 1] zou hebben gespeeld maakt dat de getuige er mogelijk belang bij heeft om als getuige niet naar waarheid te verklaren.”
3.7
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het hof is uitgegaan van een te beperkte omvang van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt en dus niet op alle onderdelen van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt heeft gereageerd. Het hof zou – gelet op de summiere weergave van het standpunt van de verdediging in het bestreden arrest – zijn uitgegaan van een beperkter uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en slechts hebben gerespondeerd op hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht in de randnummers 84 t/m 96 van de pleitaantekeningen. De schriftuur strekt ertoe te betogen dat ook had moeten worden gerespondeerd op hetgeen naar voren is gebracht in de randnummers 53 t/m 96 en 125 t/m 127 van de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen pleitaantekeningen.
3.8
Voor de beoordeling van het middel is van belang wat de Hoge Raad voorop heeft gesteld in onder meer HR 8 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:539, r.o. 2.3.2:
“De rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Dat is anders in een aantal specifieke gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. Die motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. (Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.)”
3.9
In aanvulling hierop verdient aandacht dat van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt sprake is wanneer het gaat om een standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan de feitenrechter is voorgelegd. [1] De nadere motivering van de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt kan ook besloten liggen in de uitspraak, bijvoorbeeld in de gebruikte bewijsmiddelen of in de bewijsoverweging. [2]
3.1
Wat de raadsvrouw van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2023 naar voren heeft gebracht over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [medeverdachte 1] kan moeilijk anders worden opgevat dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan het hof is voorgelegd. Het hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door de verklaringen van [medeverdachte 1] voor het bewijs te gebruiken.
3.11
Het hof heeft in zijn arrest een aanvullende overweging gewijd aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] . Onder het kopje “Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1] ” heeft het hof gemotiveerd uiteengezet waarom het de verklaringen van [medeverdachte 1] betrouwbaar acht. Het hof heeft dus gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. De vraag is dan nog of de omvang van de door het hof gegeven motivering toereikend is voor de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt.
3.12
Het hof heeft het standpunt van de verdediging als volgt samengevat: “[…] dat de door de [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te kunnen worden gebruikt, omdat zij heeft verklaard dat de verdachte er eigenlijk altijd wel bij was als zij moest bellen, terwijl uit het dossier zou blijken dat de telefoons van de verdachte en de [medeverdachte 1] op 12 dagen waarop de [medeverdachte 1] met strafbare handelingen bezig was, niet dezelfde zendmast aanstraalden.” Hieruit kan naar mijn oordeel niet zonder meer worden afgeleid dat dat het hof alleen de randnummers 84 t/m 96 heeft aangemerkt als onderdeel van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt en dus een te beperkte uitleg heeft gegeven aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. Het hof gaat in zijn overweging immers ook in op de verklaringen van de getuige [betrokkene 4] , terwijl de randnummers 84 t/m 96 hier niet over gaan. Dit duidt erop dat het hof in zijn weergave van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt slechts het meest zwaarwegende argument heeft genoemd.
3.13
Dat het hof in zijn aanvullende overweging over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] alleen is ingegaan op de historische verkeersgegevens en de verklaringen van de getuige [betrokkene 4] – en dus niet op de argumenten zoals weergegeven in de randnummers 53 t/m 83 van de pleitnota – maakt mijns inziens niet dat de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ontoereikend is gemotiveerd. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat de verklaringen van [medeverdachte 1] op diverse punten bevestiging vinden in de het hof bevestigde (promis)bewijsvoering van de rechtbank. Ik wijs er in dat verband allereerst op dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de verdachte en [betrokkene 5] de twee mannen waren die in de woning aanwezig waren toen [medeverdachte 1] werd aangehouden (bewijsmiddel 2). Dit blijkt ook uit de (promis)bewijsvoering van de rechtbank (p. 6 vonnis). Daarnaast heeft [medeverdachte 1] verklaard dat de verdachte ook wel eens aan het notitieblok heeft gezeten (bewijsmiddel 2). Dit onderdeel van de verklaringen van [medeverdachte 1] wordt ondersteund door de (promis)bewijsvoering van de rechtbank, waaruit blijkt dat op de achterzijde van de tweede pagina van het schrijfblok een vingerafdruk van de verdachte is aangetroffen (p. 16 vonnis). Het voorgaande impliceert bovendien waarom het verweer omtrent het niet herkennen van de verdachte door [medeverdachte 1] niet aan het gebruik van de door haar afgelegde verklaringen in de weg staat. De verwerping van het verweer dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet betrouwbaar zijn ligt met een en ander dus ook besloten in uitspraak van het hof. Daarbij acht ik het van belang dat de feitenrechter bij de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet op ieder detail van de argumentatie hoeft in te gaan.
3.14
Wat betreft dit laatste merk ik ten overvloede over hetgeen in de randnummers 53 t/m 83 naar voren is gebracht nog op dat dit grotendeels betrekking heeft op verklaringen die [medeverdachte 1] heeft afgelegd in de fase waarin zij haar betrokkenheid nog ontkende en die voor die ontkennende houding van belang waren, dat de verdediging niet haar stelling heeft onderbouwd dat [medeverdachte 1] haar eigen rol in hoger beroep heeft gebagatelliseerd en hoe dit van invloed is op hetgeen zij over de verdachte heeft verklaard, en dat evenmin duidelijk is gemaakt in welk opzicht de volgens de verdediging door [medeverdachte 1] gefingeerde angst afbreuk zou doen aan hetgeen zij over de verdachte heeft verklaard nu [medeverdachte 1] die angst heeft aangevoerd als reden voor haar eerdere proceshouding om niet (mede bekennend) te verklaren.
3.15
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel is gericht tegen het door het hof aan de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn verbonden rechtsgevolg.
4.2
De op de terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2023 door de raadsvrouw van de verdachte voorgedragen en overgelegde pleitaantekeningen houden over de redelijke termijn het volgende in:
“Wel verzoek ik uw Hof om inderdaad tweemaal rekening te houden met een forse overschrijding van de redelijke termijn. Ondanks dat het een lijvig dossier betreft is niet bekend waarom er pas een eerste regiezitting werd gepland in oktober 2020, terwijl het hoger beroep al werd ingediend in mei 2019. Nadien zijn er enkele getuigen gehoord en is deze forse overschrijding van bijna twee jaar in hoger beroep niet aan de verdediging te wijten. Ook in eerste aanleg was er al sprake van een ruimschootse overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank nam als uitgangspunt dat in soortgelijke fraude- en oplichtingszaken een gevangenisstraf van 30 maanden wordt opgelegd en legde, na een korting van 20%, een straf van 24 maanden op.”
4.3
Het hof heeft in het arrest het volgende overwogen over de overschrijding van de redelijke termijn:

Redelijke termijn
De advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, EVRM is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.
Het hof stelt voorop dat in artikel 6, lid 1, EVRM het recht van iedere verdachte is vastgelegd om binnen een redelijke termijn te worden berecht.
Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep overweegt het hof als volgt.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
Het hof overweegt met betrekking tot het totale procesverloop in deze zaak het volgende.
De verdachte is op 7 mei 2014 in verzekering gesteld. Het vonnis waarvan beroep is op 29 april 2019 uitgesproken. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 35 maanden overschreden.
Namens de verdachte is op 10 mei 2019 hoger beroep ingesteld. Het arrest wordt op 20 september 2023 uitgesproken. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 28 maanden overschreden.
Het hof is van oordeel, gelet op genoemd tijdsverloop, dat de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep in zeer ernstige mate, te weten met in totaal ongeveer 64 maanden, is overschreden. Ondanks de ingewikkeldheid en de omvang van de zaak en het feit dat er door en namens de verdachte onderzoekswensen zijn ingebracht, is het hof van oordeel dat deze overschrijding een aanzienlijke matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
Conclusie
Gelet op de aard en ernst van de feiten en de rol die de verdachte in de organisatie heeft gehad, acht het hof oplegging van een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur noodzakelijk. Gelet op de straffen die in soortgelijke fraude- en oplichtingszaken worden opgelegd zou – daarbij ook rekening houdend met de duur van de bewezen verklaarde periode en het grote tijdsverloop sinds het feit – een gevangenisstraf van 24 maanden onvoorwaardelijk passend en geboden zijn. Vanwege de forse overschrijding van de redelijke termijn zal het hof aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 maanden opleggen, met aftrek van voorarrest.”
4.4
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het gelet op de mate waarin de redelijke termijn is overschreden – te weten met ongeveer 64 maanden – niet zonder meer begrijpelijk is dat het hof heeft volstaan met matiging van de opgelegde gevangenisstraf met vier maanden. Daarnaast zou de hoogte van de strafvermindering onbegrijpelijk zijn in het licht van de vaststelling door het hof dat sprake is van “een zeer ernstige mate van overschrijding” van de redelijke termijn en dat die tot “aanzienlijke matiging” moet leiden. Verder wordt aangevoerd dat de constatering van het hof dat sprake is van een “zeer ernstige mate van overschrijding” niet te rijmen is met zijn vaststelling dat het gaat om een “forse overschrijding”. Voorts wordt betoogd dat het openbaar ministerie in hoger beroep zowel de in eerste aanleg in de strafeis verdisconteerde matiging van 20% als uitgangspunt heeft genomen en voor de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep opnieuw is overgegaan tot een matiging van de strafeis met 20%. Tot slot zou het hof de overschrijding van de redelijke termijn na de laatste inhoudelijke zitting op 28 juni 2023 nog eens hebben laten oplopen door op 6 september 2023 het onderzoek te sluiten en op 20 september 2023 arrest te wijzen, terwijl dit kennelijk niet heeft geleid tot een verdere matiging van de strafoplegging.
4.5
Voor de beoordeling van het middel is relevant dat de Hoge Raad in HR 26 maart 2023, ECLI:NL:HR:2024:492,
NJ2023/133, r.o. 3.4 het volgende heeft vooropgesteld: [3]
“Als de Hoge Raad de overschrijding van de redelijke termijn toetst als cassatierechter, geldt in de regel dat zo’n overschrijding wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die, dan wel het ontnemingsbedrag dat, zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverwegingen 3.21 tot en met 3.23). De vermindering van de straf dan wel het ontnemingsbedrag is daarbij mede afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Algemene regels over de wijze waarop de straf dan wel het ontnemingsbedrag moet worden verminderd, zijn niet te geven.”
4.6
Het rechtsgevolg dat de feitenrechter aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden kan door de Hoge Raad slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. [4] Het staat de rechter (tot op zekere hoogte) ook vrij om te volstaan met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. [5] Verder kan in cassatie niet worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn door de feitenrechter, wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg is behandeld in aanwezigheid van de betrokkene en/of zijn raadsman en tijdens die terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd. [6]
4.7
Het hof heeft hetgeen de verdediging over de redelijke termijn heeft aangevoerd kennelijk zo opgevat dat namens de verdachte is bepleit dat de overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. Dit betekent dat in deze zaak in cassatie kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep.
4.8
Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 35 maanden en in hoger beroep met ruim 28 maanden is overschreden. Dit is inclusief de vertraging die is ontstaan na de inhoudelijke behandeling in hoger beroep. De klacht dat het hof de termijnoverschrijding verder heeft doen oplopen snijdt daarom geen hout. In totaal is volgens het hof sprake van overschrijding van de redelijke termijn “in zeer ernstige mate”, te weten met in totaal ongeveer 64 maanden (meer dan 5 jaar). Het hof heeft geoordeeld dat deze overschrijding moet leiden tot een “aanzienlijke matiging” van de redelijke termijn. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de ingewikkeldheid en de omvang van de zaak en de omstandigheid dat namens de verdachte onderzoekswensen zijn ingediend. Het hof heeft vanwege de “forse overschrijding van de redelijke termijn” vier maanden in mindering gebracht op de op te leggen gevangenisstraf van 24 maanden. Gelet op de zeer beperkte controle in cassatie acht ik dit oordeel over de hoogte van de vermindering van de hoogte van de gevangenisstraf niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik op dat de Hoge Raad wel casseerde in HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2186, in welk zaak de redelijke termijn eveneens met 5 jaren was overschreden. Het hof had hieraan echter – anders dan in de onderhavige zaak – helemaal geen rechtsgevolg verbonden. In HR 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:409 ging de Hoge Raad eveneens over tot cassatie. Aan de overschrijding van de redelijke termijn met 11 maanden was ook in deze zaak echter in het geheel geen rechtsgevolg verbonden. In mijn optiek kan een vermindering van 16,7 procent zeer wel worden beschouwd als een “aanzienlijke matiging”. Dat het hof de overschrijding van de redelijke termijn eerst heeft omschreven als “zeer ernstig” en later als “fors” maakt de mate van strafvermindering niet onbegrijpelijk, nu het verschil tussen deze formuleringen verwaarloosbaar is.
4.9
Het middel faalt.

5.Afronding

5.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte op 2 oktober 2023 beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf.
5.3
Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
2.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
3.HR 26 maart 2023, ECLI:NL:HR:2024:492,
4.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
5.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
6.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,