Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:384

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
25/02837
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:404 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt draagkrachtberekening man bij wijziging kinderalimentatie

De vrouw verzocht wijziging van de eerder overeengekomen kinderalimentatie, stellende dat het inkomen van de man hoger was dan aangenomen en dat de draagkracht daardoor verkeerd was berekend. De rechtbank ging uit van een geschat inkomen van €136.500 per jaar, terwijl het hof in hoger beroep rekening hield met een lager inkomen, gebaseerd op een gebruikelijk DGA-salaris en inkomsten uit aanmerkelijk belang.

De man voerde aan dat hij nooit het door de vrouw geschatte hogere inkomen had en dat de rechtbank ten onrechte zijn draagkracht had berekend op basis van dat bedrag. Het hof oordeelde dat de man onvoldoende inzicht had gegeven in zijn inkomsten, maar dat het hof wel rekening kon houden met een lager, gebruikelijk DGA-salaris. De vrouw betwistte dit en verwees naar de levensstijl van de man, maar het hof vond dat onvoldoende onderbouwd.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel over het inkomen en de draagkracht voldoende heeft gemotiveerd en dat het hof terecht rekening hield met een gebruikelijk DGA-salaris. De klachten van de vrouw falen, onder meer omdat het hof de financiële stukken en toelichtingen van de man heeft betrokken bij zijn oordeel en adequaat heeft gereageerd op de stellingen van de vrouw over de levensstijl van de man. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het oordeel van het hof over het inkomen en de draagkracht van de man bij de kinderalimentatie wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02837
Zitting10 april 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. N.C. van Steijn,
tegen
[de man] ,
hierna: de man.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze procedure verzoekt de vrouw, voor zover van belang, wijziging van de eerder tussen partijen overeengekomen kinderbijdrage. Daartoe heeft de vrouw onder meer gesteld dat sprake is van een grove schending van de wettelijke maatstaven en van gewijzigde omstandigheden. De man voert verweer en verzoekt, in hoger beroep, verlaging van de kinderbijdrage.
1.2
In eerste aanleg is de rechtbank bij de beoordeling van de draagkracht van de man uitgegaan van het door de vrouw geschatte inkomen van de man van € 136.500,00 per jaar. In hoger beroep heeft het hof rekening gehouden met een lager inkomen van de man dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, te weten met een fulltime minimum gebruikelijk DGA-salaris per jaar van € 51.000,00 bruto in 2023 en € 56.000,00 bruto in 2024 en vanaf 1 januari 2025 met het door de man genoemde bedrag van € 65.000,00 bruto per jaar te vermeerderen met € 5.000,00 aan inkomsten uit aanmerkelijk belang. Het hof heeft de kinderalimentatie verlaagd met ingang van de datum van zijn beschikking.
1.3
In cassatie komt de vrouw op tegen het oordeel van het hof over het bij de draagkracht in aanmerking te nemen inkomen van de man. Ik meen dat die klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
2.Feiten [1] en procesverloop [2]
2.1
Partijen hebben tot 2020 een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van twee minderjarige kinderen (hierna: de kinderen).
2.2
De man en de vrouw zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
2.3
De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.
2.4
Bij vonnis in kort geding van 28 augustus 2020 [3] heeft de voorzieningenrechter de door partijen gemaakte afspraken vastgelegd en, voor zover van belang, de man veroordeeld om als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw te betalen een bedrag van € 244,50 per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen en ingaande per september 2020. Deze alimentatie bedroeg met ingang van 1 januari 2025 ingevolge de wettelijke indexering € 300,- per kind per maand.
2.5
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de griffie van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) op 8 augustus 2023, heeft de vrouw de rechtbank verzocht, kort gezegd en voor zover in cassatie van belang, te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bijdrage van € 479,- per kind per maand, met ingang van 20 september 2020, en met een bijdrage van € 553,- per kind per maand per datum van de in deze procedure te wijzen beschikking, althans een bijdrage en ingangsdatum die de rechtbank juist acht. [4]
2.6
De man heeft verweer gevoerd en heeft zelfstandige verzoeken gedaan. [5]
2.7
Op 25 januari 2024 heeft de mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat, een zittingsvertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming en een piketmediator. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.8
Bij beschikking van 12 april 2024 [6] heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, met ingang van 8 augustus 2023 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vastgesteld op € 379,50 per kind per maand, wat betreft de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De rechtbank heeft haar beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.9
De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen met betrekking tot de draagkracht van de man:

Draagkracht van de vader
De moeder berekent de draagkracht van de vader op € 6.052,00 per maand, gebaseerd op een door haar geschat jaarinkomen van € 250.000,00 aan salaris en een dividenduitkering van € 50.000,00. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij de levensstandaard van de vader niet kan rijmen met de cijfers die door de vader worden gepresenteerd.
De vader stelt dat zijn draagkracht € 521,00 per maand bedraagt, gebaseerd op inkomen uit loondienst van € 46.500,00 per jaar vanuit zijn eigen holding genaamd Dutch Accounting Group B.V.. Deze holding is volgens de vader niet in staat om meer salaris aan de vader uit te keren of een dividenduitkering te doen.
De draagkracht van de vader is tijdens de mondelinge behandeling besproken aan de hand van de door de vader als bijlage 12 overgelegde berekening. De moeder heeft als verweer tegen het door de vader gestelde inkomen aangevoerd dat de vader veel stukken heeft overgelegd en dat het door de vader gestelde inkomen, zo begrijpt de rechtbank het door de moeder gestelde, zich niet verhoudt tot het feit dat de vader in een huis woont met een waarde van € 700.000,00. Voorts heeft de moeder gesteld dat uit de jaarrekening van de holding van de vader blijkt dat er in 2020 een omzet is behaald van € 26.000,00. De moeder heeft in dit verband verwezen naar de jaarrekening van Dutch Accounting Group B.V. over 2020 die door de vader is overgelegd als productie 18. Dit resultaat is evenwel, zo heeft de moeder gesteld, opgekrikt door het verkoopresultaat van Tore Management B.V. van € 93.857,00. Als dat niet was gebeurd was er in de holding van de vader een verlies geleden.
De moeder vraagt zich af hoe dit te rijmen is met het feit dat de vader zichzelf € 46.500,00 uitkeert. Er lijken overigens in de holding van de vader weinig reserves te zitten. De moeder heeft desgevraagd gesteld dat uitgegaan moet worden van een inkomen aan de zijde van de vader van € 136.500,00, bestaande uit een bedrag van € 46.500,00 per jaar aan salaris, vermeerderd met een dividenduitkering van € 90.000,00 per jaar.
In reactie op het door de moeder gestelde heeft de advocaat van de vader gesteld dat het juist is dat hij in 2020 een eenmalig voordeel heeft gehad. Meer dan het salaris kan er door de holding van de vader niet worden uitgekeerd. De vader heeft ter zake tevens verwezen naar de door hem overgelegde prognoses. Door de moeder is volgens hem onvoldoende gesteld om aan te nemen dat er aan de vader een dividend kan worden uitgekeerd. De vader zelf heeft aanvullend verklaard dat hij eerst een maatschap had met een ex-compagnon. Daarnaast had hij zijn holding. Er waren dus twee inkomensstromen. In 2023 is de maatschap gestaakt. In 2023 is de vader een nieuwe maatschap gestart die nu onder, naar de rechtbank begrijpt, een van zijn vier werkmaatschappijen hangt, te weten de besloten vennootschap Dutch Innovations B.V.. De in totaal in de besloten vennootschappen, te weten een holding met vier werkmaatschappijen, gegenereerde omzet bedraagt € 70.000,00. Na aftrek van de kosten vloeit het resultaat in de holding en dit bedraagt € 55.000,00. Daaruit betaalt de vader naar zijn zeggen zijn salaris. In 2023 bedroeg dat resultaat € 65.000,00. Het verschil tussen de eerder genoemde € 55.000,00 en de € 65.000,00 betrof het restje uit de andere besloten vennootschappen.
De moeder heeft in reactie op het door de vader gestelde afgevraagd hoe zij dit zelf uit de door de vader overgelegde stukken had kunnen halen.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de vader weliswaar bij F9-formulier van 12 januari 2024, ingekomen bij de rechtbank op 15 januari 2024 en derhalve tien dagen voor de mondelinge behandeling, een groot aantal jaarrekeningen en prognoses heeft overgelegd, maar dat hij heeft nagelaten in een begeleidend schrijven enige toelichting te geven op deze stukken. Om die reden was voor de mondelinge behandeling niet duidelijk welke activiteiten in welke ondernemingen zijn ondergebracht en hoe de omzet in de holding van de vader is opgebouwd en of er nog andere inkomensbronnen waren dan wel zijn en, zo ja, welke dit dan waren dan wel zijn. Gelet op vorenstaande in combinatie met de complexiteit van het overgelegde organigram is de rechtbank van oordeel dat hetgeen de vader ter zitting heeft gesteld niet voldoende te volgen was en ook niet, gelet op het verweer van de moeder, voldoende gecontroleerd kan worden. Dit dient voor zijn rekening en risico te komen. Om die reden zal de rechtbank de moeder volgen in haar stelling ter zitting dat aan de zijde van de vader uitgegaan dient te worden van een inkomen van € 136.500,00 per jaar. Op basis van dit inkomen heeft de vader een nbi van € 8.434,00 per maand. De rechtbank bepaalt de draagkracht van de vader aan de hand van de volgende formule:
70% [€ 8.434,00 – (0,3 x € 8.434,00 + € 1.175,00)] op afgerond € 3.310,00 per maand.”
2.1
De man is bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank van 12 april 2024. Hij heeft het hof aanvankelijk verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen voor zover deze ziet op de kinderalimentatie en, kort weergegeven en voor zover in cassatie van belang, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie dan wel haar verzoek af te wijzen en te bepalen dat wat de man als kinderbijdrage onverschuldigd heeft voldaan, door de vrouw dient te worden terugbetaald. [7]
2.11
De vrouw heeft verweer gevoerd.
2.12
Op 16 april 2025 heeft de mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. De advocaat van de man heeft tijdens de mondelinge behandeling pleitnotities overgelegd. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.13
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man zijn verzoeken gewijzigd en alsnog verlaging van de kinderalimentatie verzocht. [8] De man heeft het hof uiteindelijk verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen voor zover deze ziet op de kinderalimentatie, en opnieuw rechtdoende:
- te bepalen dat de man met ingang van 8 augustus 2023 aan de vrouw zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 37,- per kind per maand, met ingang van 1 januari 2024 met een bedrag van € 32,- [9] per kind per maand en met ingang van 1 januari 2025 met een bedrag van € 96,- per kind per maand, althans € 112,- per kind per maand, althans de bijdrage niet op een hoger bedrag vast te stellen dan bij het vonnis in kort geding is vastgesteld;
- te bepalen dat hetgeen de man ten titel van de bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging te veel heeft betaald, door de vrouw dient te worden terugbetaald.
2.14
Het hof heeft bij beschikking van 5 juni 2025 [10] (hierna: de bestreden beschikking) de beschikking van de rechtbank van 12 april 2024 vernietigd en, voor zover in cassatie van belang, bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal voldoen:
- vanaf 8 augustus 2023 tot 1 januari 2024 een bijdrage van € 265,- per kind per maand;
- vanaf 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 een bijdrage van € 282,- per kind per maand;
- vanaf 1 januari 2025 tot 5 juni 2025 een bijdrage van € 300,- per kind per maand;
- vanaf 5 juni 2025 een bijdrage van € 126,- per kind per maand,
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
met dien verstande dat, voor zover de man over de periode vanaf 8 augustus 2023 tot aan de datum van de beschikking van het hof (“tot heden”) meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald, de vrouw die bedragen niet aan de man hoeft terug te betalen.
Het hof heeft zijn beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.15
Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang en kort weergegeven, bij de beoordeling van de draagkracht van de man met een lager inkomen rekening gehouden dan waarvan de rechtbank is uitgegaan. Het hof heeft rekening gehouden met een fulltime minimum gebruikelijk DGA-salaris per jaar van € 51.000,00 bruto in 2023 en € 56.000,00 bruto in 2024 en vanaf 1 januari 2025 met het door de man genoemde bedrag van € 65.000,00 bruto per jaar te vermeerderen met € 5.000,00 aan inkomsten uit aanmerkelijk belang (r.o. 5.6.4-5.6.5).
2.16
Voor de periode vanaf 8 augustus 2023 tot 5 juni 2025 stelt het hof de kinderalimentatie vast op de (geïndexeerde) kinderalimentatie die partijen tijdens het kort geding zijn overeengekomen, zoals de man aanvankelijk in zijn beroepschrift had verzocht (r.o. 5.9.2). Aangezien de man pas tijdens de mondelinge behandeling zijn verzoeken tot verlaging van de kinderalimentatie heeft geformuleerd, laat het hof die verlaging dus niet eerder ingaan dan per datum van zijn beschikking (r.o. 5.3.2 en 5.9.1).
2.17
De vrouw heeft – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de bestreden beschikking. Zij heeft daarbij een voorbehoud tot aanvulling van het cassatiemiddel gemaakt in verband met het ten tijde van het indienen van de procesinleiding nog ontbrekende proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep. Op 12 september 2025 is een afschrift van het proces-verbaal verstrekt aan de advocaat die in feitelijke instanties voor de vrouw is opgetreden. [11] Bij aanvullende procesinleiding, ingekomen bij de griffie op 23 september 2025, heeft de vrouw het cassatiemiddel aangevuld. De man heeft geen verweer gevoerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel in de procesinleiding bestaat uit vier onderdelen, 1A tot en met 1D. De aanvullende procesinleiding bevat enkele aanvullende klachten.
3.2
In cassatie wordt uitsluitend geklaagd over het oordeel van het hof over het inkomen van de man waarmee het hof rekening houdt bij de beoordeling van zijn draagkracht. Het hof heeft daarover in r.o. 5.6.1-5.6.5 van de bestreden beschikking het volgende overwogen (onderstreping van mij; A-G):
“5.6.1. De rechtbank heeft in eerste aanleg de vrouw gevolgd voor wat betreft het inkomen van de man en is in de bestreden beschikking uitgegaan van een geschat inkomen van de man van € 136.500 per jaar, bestaande uit een bedrag van € 46.500,-- per jaar aan salaris, vermeerderd met een dividenduitkering van € 90.000,--. Op basis van dit inkomen heeft de rechtbank het NBI van de man berekend op € 3.310,-- per maand.
5.6.2.
De man stelt in hoger beroep dat hij nimmer een inkomen heeft gehad van € 136.500,-- per jaar en dat de rechtbank ten onrechte zijn draagkracht heeft berekend op € 3.310,-- per maand. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft de man alle relevante financiële stukken in het geding gebracht en tijdens de mondelinge behandeling heeft hij deze stukken toegelicht. Het had op de weg van de rechtbank gelegen om op het moment dat de rechtbank de stukken niet kon duiden een deskundige te benoemen die aan de hand van alle overgelegde stukken het werkelijke inkomen van de man zou becijferen, aldus de man. Daarnaast houdt de rechtbank er ten onrechte geen rekening mee dat de man de helft van de tijd de zorg voor de kinderen heeft. In de brief van 4 april 2025 geeft de man een uitgebreide toelichting op zijn inkomsten en legt hij opnieuw een aantal financiële stukken over. In zijn laatste berekeningen bij zijn brief van 4 april 2025 (HB14) gaat de man uit van een parttime DGA-salaris van € 40.070,-- in 2023 en een parttime DGA-salaris van € 46.620,-- in 2024. De man verwacht dat hij zichzelf in 2025 een volledig DGA-salaris kan toekennen en hij is bereid om met ingang van 1 januari 2025 rekening te houden met een salaris van € 65.000,-- per jaar (verminderd met aanslag Zvw) en € 5.000,-- aan inkomsten uit aanmerkelijk belang.
5.6.3.
De vrouw voert hiertegen verweer en stelt dat de rechtbank terecht de draagkracht van de man heeft bepaald op € 3.310,-- per maand. Zij voert in hoger beroep aan dat de man nog steeds onvoldoende openheid van zaken geeft over zijn inkomsten. De man heeft een nieuwe Range Rover Sport aangeschaft en ook nog een Volvo XC90 in bezit. Daarnaast gaat hij met de kinderen op dure vakanties en woont hij in een woning ter waarde van € 650.000,--. Gelet op de levensstijl van de man betwist de vrouw dat de man in 2023 en 2024 slechts een parttime DGA-salaris ontving. Ondanks de toelichting die de man geeft in zijn brief van 4 april 2025 en de veelheid aan stukken die zijn ingediend, blijft onduidelijk hoe het precies zit met de verschillende vennootschappen, inkomensstromen en bestuursfuncties. Dat de man geen duidelijkheid geeft in zijn inkomen en vermogen komt voor zijn rekening en risico.
5.6.4.
Het hof stelt voorop dat de man (wederom) in een zeer laat stadium in de procedure financiële stukken heeft overgelegd, waarbij hij deze stukken (op de mondelinge behandeling) in hoger beroep van een toelichting heeft voorzien.
Naar aanleiding van de inhoud van deze financiële stukken en de daarop gegeven toelichting ziet het hof aanleiding om voor wat betreft de beoordeling van de draagkracht van de man vanaf 8 augustus 2023 met een lager inkomen rekening te houden dan waar de rechtbank van uit is gegaan. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de man onweersproken heeft verklaard dat hij de hypotheek van zijn woning met moeite rond heeft kunnen krijgen en dat de vrouw haar blote stelling dat de man veel geld uitgeeft aan dure vakanties, ook na betwisting door de man tijdens de mondelinge behandeling, niet heeft onderbouwd.
Het hof zal rekening houden met een minimum DGA-salaris aan de zijde van de man, zoals gebruikelijk in de functie die de man uitoefent en omdat onvoldoende duidelijk is geworden waarom hiervan zou moeten worden afgeweken. Het hof ziet geen aanleiding om met een parttime salaris rekening te houden, mede gelet op het feit dat aan de zijde van de vrouw ook rekening wordt gehouden met een fulltime (minimum)inkomen. Vanaf 1 januari 2025 zal het hof rekening houden met een DGA-salaris van € 65.000,-- en met een bedrag van € 5.000,-- aan inkomsten uit aanmerkelijk belang, zoals door de man is verzocht.
5.6.5.
Op grond van het voorgaande zal het hof voor de beoordeling van de draagkracht van de man vanaf 8 augustus 2023 uitgaan van een gebruikelijk DGA-salaris van € 51.000,-- bruto, vanaf 1 januari 2024 van een gebruikelijk DGA-salaris van € 56.000,-- bruto en vanaf 1 januari 2025 van het door de man genoemde salaris van € 65.000,-- bruto, te vermeerderen met € 5.000,-- aan inkomsten uit aanmerkelijk belang.”
3.3
Bij de bespreking van de klachten stel ik het volgende voorop.
3.4
Artikel 1:404 lid 1 BW Pro bepaalt dat iedere ouder verplicht is naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Bij de bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige komt het niet alleen aan op het inkomen dat hij verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden redelijkerwijs in de naaste toekomst te kunnen verwerven. [12]
3.5
Als een directeur-grootaandeelhouder (DGA) de alimentatieplichtige is, gaat het bij de in aanmerking te nemen inkomsten niet alleen om zijn uit de vennootschap genoten salaris, maar kan ook de in de vennootschap behaalde winst een rol spelen bij de draagkrachtberekening. [13]
3.6
De vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Ook kunnen aan deze oordelen geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Zij moeten voldoende inzicht geven in de gedachtegang die aan de beslissing ten grondslag ligt, in het bijzonder hoe de rechter, gelet op het partijdebat, tot zijn beslissing is gekomen, zonder dat de rechter op alle stellingen van partijen behoeft in te gaan. Wel dient ook een beslissing over alimentatie ten minste zodanig te worden gemotiveerd, dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken. [14]
3.7
Ter inleiding van de bespreking van de klachten schets ik verder het relevante partijdebat.
3.8
De vrouw heeft in deze procedure aan haar verzoek tot wijziging van de kinderbijdrage, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat de tussen partijen overeengekomen tijdelijke onderhoudsbijdrage, vastgesteld bij vonnis in kort geding van 28 augustus 2020, destijds is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven en door wijziging van omstandigheden niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Daarbij heeft de vrouw, onder meer, naar voren gebracht dat haar is gebleken dat de man eigenaar en bestuurder is (geworden) van tal van ondernemingen en dat zij vermoedt dat het inkomen van de man daardoor is gestegen. [15] De vrouw heeft evenwel geen inzage gekregen in de financiële situatie van de man. [16] Zij heeft daarom het inkomen van de man geschat, en wel aanvankelijk op een bedrag van € 250.000,00 bruto per jaar aan salaris en € 50.000,00 per jaar aan dividenduitkering. [17]
3.9
De man heeft in zijn verweerschrift in eerste aanleg gesteld dat zijn inkomen uit loondienst € 46.500,00 per jaar bedraagt. Dit salaris ontvangt de man uit zijn holding. De holding is niet in staat om meer salaris uit te keren en beschikt evenmin over middelen om aan de man een dividenduitkering te doen, aldus de man. [18] De man heeft bij zijn verweerschrift verschillende financiële stukken overgelegd, waaronder aangiften IB 2020 en 2021 en jaarrekeningen van verschillende vennootschappen. [19]
3.1
In aanvulling daarop heeft de man bij bericht van 12 januari 2024 voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 25 januari 2024 bij de rechtbank nog een groot aantal (meer recente) jaarrekeningen en prognoses overgelegd. [20] De man heeft deze stukken pas op de mondelinge behandeling bij de rechtbank van een toelichting voorzien.
3.11
De vrouw heeft tijdens deze mondelinge behandeling betoogd, kort weergegeven, dat de man weliswaar veel stukken heeft overgelegd, maar hier weinig toelichting op heeft gegeven. [21] Ook heeft de vrouw vraagtekens gezet bij de overgelegde financiële gegevens en het door de man gestelde inkomen. [22] Volgens de vrouw strookt dat inkomen niet met de levensstijl van de man. Zo heeft de vrouw onder meer aangevoerd: [23]

mr. R.T.P. Tielemans namens de moeder
(…) De vader heeft een woning van zeven ton met dit inkomen. Wat wij hier zien, kan niet. De moeder weet niet hoe dit kan. Uit pagina 6 van de jaarrekening van 2020 van de holding, bijgevoegd als productie 18, volgt een omzet van de vader van € 26.000,00. Vervolgens wordt op pagina 13 het aandeel gespecificeerd. € 82.000,00 met als resultaat € 92.000,00. De vader heeft de bv verkocht, waardoor dit positief is geworden. Als de moeder dit ziet, lijkt het alsof de vader bijna geen inkomen heeft. De levensstijl van de vader is echter anders.
(…)
Mr. R.T.P. Tielemans namens de moeder
Het bedrag is omhoog gekrikt door de onderneming. Er was anders verlies geleden. Als je, gelet op pagina 13, € 93.857,00 elimineert, komt er een negatief resultaat uit. De vader keert zich in 2023 € 46.000,00 uit. Hoe kan dit? Er lijken weinig reserves in te zitten. Er is weinig toelichting gegeven. Hoe moet ik dit zien? Er wordt een organogram overgelegd in productie 17, met de werkzaamheden in [plaats] die zijn beëindigd, maar daar zat de omzet in. Waar haalt de vader zijn inkomen uit? Er moet ook gekeken worden naar het resultaat wat er in de onderneming wordt gehaald. Je moet uitgaan van de € 90.000,00 die daarbij komt.”
(…)

De moeder
De vader heeft al redelijk vanaf het begin van onze relatie ondernemingen. Dat ging steeds beter. Nu heeft de vader een huis van € 750.000,00 en een Range Rover van meer dan één ton. Hij gaat iedere vakantie met de kinderen en zijn vriendin naar het buitenland op vakantie. En dan heeft hij maar een loon van € 23,70 per uur? Zelfs ik begrijp nog dat dit niet kan. Ook al ben ik niet financieel onderlegd. (…)”
3.12
Volgens het standpunt van de vrouw ter zitting moet worden uitgegaan van een inkomen aan de zijde van de man van € 136.500,00 per jaar, bestaande uit een bedrag van € 46.500,00 aan salaris, vermeerderd met een dividenduitkering van € 90.000,00. [24]
3.13
De rechtbank heeft de vrouw in dat standpunt gevolgd. Aan dat oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat voor de mondelinge behandeling niet duidelijk was welke activiteiten in welke ondernemingen zijn ondergebracht en hoe de omzet in de holding van de man is opgebouwd en of er nog andere inkomensbronnen waren. Gelet daarop, in combinatie met de complexiteit van het door de man overgelegde organogram, was wat de man ter zitting heeft gesteld niet voldoende te volgen en niet voldoende controleerbaar. Dat dient voor rekening en risico van de man te komen, aldus de rechtbank (zie citaat hiervoor onder 2.9).
3.14
De man heeft in hoger beroep een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot zijn inkomen. De man heeft daarbij naar voren gebracht dat hij voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg alle relevante financiële stukken in het geding heeft gebracht en deze ter zitting ook heeft toegelicht. De man heeft zich opnieuw op het standpunt gesteld dat hij nooit een inkomen heeft gehad van € 136.500,00 bruto per jaar en dat zijn redelijkerwijs te verwerven inkomen € 46.500,00 per jaar bedraagt. [25] Hij heeft bij zijn beroepschrift geen nieuwe stukken overgelegd om die stelling te staven.
3.15
In haar verweerschrift in hoger beroep heeft de vrouw kort gezegd gesteld dat de man ook nu niet heeft toegelicht wat zijn inkomen is. [26] Ook heeft zij opnieuw de vraag opgeworpen hoe de man met een gesteld inkomen van € 46.500,00 per jaar een nieuwe Range Rover Sport kan aanschaffen, naast de vorige auto ter waarde van thans nog € 40.000,00, en hoe de man met dit salaris alleen een woning kan financieren ter waarde van minimaal € 650.000,00. [27]
3.16
Bij brief van 4 april 2025 heeft de advocaat van de man diverse producties met toelichting overgelegd, met de opmerking dat een groot deel van de aanvullende stukken ook al in eerste aanleg is overgelegd. In deze brief is onder meer het volgende naar voren gebracht: [28]
“(…)
Ingaande 1-1-2023 is er geen sprake meer van winst uit onderneming.
Relevant voor
de draagkracht van de manis vanaf genoemde datum nog slechts de hoogte van het salaris van de man uit DAG BV, alsmede de vraag in hoeverre de man geacht kan worden, althans van hem verwacht mag worden dat hij als DGA, rekening houdend met het al dan niet ontbreken van zeggenschap in de verschillende deelnemingen, aan zichzelf een hoger salaris (box 1) kan uitkeren, respectievelijk in redelijkheid rekening dient te worden gehouden met een aanvulling op zijn salaris in de vorm van box 2 inkomen (dividend) (…)”
(…)
“(…)
De man heeft in 2024 een parttime inkomen (box 1/salaris) ontvangen ter hoogte van € 46.620 (inclusief ZVW-bijtelling als dga). Zie ook het inkomensoverzicht
productie HB8en de aangifte IB 2024 (
productie HB9).
De man verwacht echter dat hij ingaande
2025, fiscaal geacht worden zichzelf een zogenaamd gebruikelijk loon toe te (moeten) kennen van ca. € 65.000 (inclusief ZVW-bijtelling als dga). Dat heeft uiteraard invloed op de winst voor Vpb, zodat deze (naar beneden toe) moet worden bijgesteld. Het verschil tussen de beloning in 2024 (€ 46.620) en 2025 (ca. € 65.000) is aldus ca. € 18.380, zodat de gecorrigeerde winst
voorVpb naar verwachting afgerond ca. (€ 23.500 -/- € 18.620 =) € 7.000 zal zijn. Rekening houdend met Vpb van 19% is aldus sprake van een winst na Vpb van (afgerond) € 5.670. De man is bereid in het kader van de berekening van zijn draagkracht rekening ingaande 2025 te houden met een salaris (box 1) van € 65.000 (verminderd met aanslag ZVW als dga) en € 5.000 box 2 inkomsten.”
3.17
In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 april 2025 bij het hof is het tussen partijen gevoerde debat over de draagkracht van de man, voor zover thans van belang, als volgt weergegeven: [29]
“Advocaat man
Bij het verweerschrift in eerste aanleg zijn veel financiële stukken ingediend, behalve over 2024. Die waren er toen nog niet. Ik heb geprobeerd in hoger beroep het inkomen van de man nog duidelijker inzichtelijk te maken. De man heeft zijn (conceptcijfers van de) jaarrekeningen overgelegd. Daaruit blijkt een winst uit onderneming van ruim € 55.000,-- en een inkomen uit loondienst van ruim € 18.000,--. Hoe het zit met de andere aandeelhouders is terug te vinden in productie HB8. De man bepaalt niet hoe de winst wordt uitgekeerd in de maatschappen. (…) De man keert zichzelf als DGA een parttime salaris uit, omdat hij op donderdagmiddag en vrijdagmiddag voor de kinderen zorgt. Hoe hoger het salaris dat de man aan zichzelf uitkeert, hoe lager de winst zal zijn. In 2023 en 2024 was er geen ruimte om een hoger salaris uit te keren. (…)
Man
Hoe de verhoudingen zijn tussen de verschillende ondernemingen is terug te vinden in de onderliggende stukken. (…) Al mijn jaarcijfers zijn overgelegd. Ik werk nu fulltime. Op donderdag- en vrijdagmiddag zorg ik voor de kinderen, maar mijn werk doe ik op een ander moment. Ik vind dat wij beiden fulltime zouden kunnen werken. In 2025 zal ik doorvoeren dat ik mezelf weer een fulltime DGA-salaris zal uitkeren.
Advocaat vrouw
Het zijn heel veel cijfers. Mr. Van Wieren brengt het alsof wij moeten begrijpen hoe het in elkaar zit, maar ik begrijp het niet helemaal. In 2023 en 2024 zou er een verlies zijn. De vrouw vraagt zich af hoe het kan dat de man de vrouw kan uitkopen en een Range Rover kan kopen met een verlies. De man vraagt toestemming voor een vakantie en vult een verblijf in dat € 25.000,-- kost voor 11 dagen. De man rijdt dure auto’s en zegt dat hij geen geld heeft voor de kinderen. Er wordt veel gegoocheld met cijfers en wij moeten onderling maar uitvogelen hoe het zit. De vrouw betwist dat het inkomen van de man in 2025 € 65.000,-- plus € 5.000,-- bedraagt. De vrouw verbaast zich over de leaseverplichting van € 55.261,-- in 2023 (…)
Man
Op de vraag hoe het kan dat ik een hypotheek heb van € 650.000,--, een kostbare auto rijd en dure vakanties boek, antwoord ik dat ik bij de bank de hypotheek met veel moeite rond heb kunnen krijgen. Ik heb veel gegevens moeten laten zien en veel inzage moeten geven in gegevens voordat de bank de hypotheek wilde verstrekken. Er wordt een verkeerd beeld geschetst. Ik heb een forse hypotheekschuld en geen spaargeld. Ik heb mijn auto verkocht en een auto teruggekocht. Achteraf had ik beter geen dure auto moeten kopen, maar dit was ik gewend en het is niet zo dat ik met geld loop te smijten.
(…) Ik ben niet op vakantie geweest naar een resort van € 25.000,--. Het is lastig om me nu tegen deze verhalen van de vrouw te verweren. (…) Tore Management B.V. is verkocht om de hypotheek over te kunnen nemen. Van de opbrengst is ook de auto gekocht.
Advocaat man
De woonlast van de man is niet zo hoog. Hij woont samen met zijn partner. (…)
De man kan niet sjoemelen met de cijfers. Deze cijfers worden met de medematen bepaald. Als je niet snapt hoe een jaarrekening werkt, dan noem je het gegoochel met cijfers. Het is niet complex.
Advocaat vrouw
Het is nog steeds onduidelijk hoe de man de hypotheek kan overnemen, een auto kan kopen en de kinderalimentatie kan betalen. Het verandert telkens. Er blijkt een leasecontract te lopen voor de auto. (…)
Advocaat man
De man heeft een lease-auto. De schuld van deze auto neemt af.
In 2019 had de man wel bijtelling, maar nu niet.”
3.18
Ik keer terug naar de bespreking van de klachten.
3.19
Onderdeel 1Ais gericht tegen de eerste alinea van r.o. 5.6.4. Geklaagd wordt dat deze overwegingen onjuist of onbegrijpelijk zijn. Het onderdeel stelt daartoe voorop dat ook in alimentatiezaken het beginsel geldt dat de motivering voldoende inzicht moet geven in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om deze zowel voor partijen als voor derden, daaronder begrepen de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Volgens het onderdeel heeft het hof deze maatstaf miskend, althans zijn conclusie over de draagkracht onvoldoende onderbouwd door slechts te verwijzen naar de inhoud van de door de man ingediende financiële stukken en de daarop gegeven toelichting zonder uit te leggen waarom het tot zijn conclusie over de draagkracht kwam. Het hof heeft niet overwogen dat de vrouw de financiële stukken en de toelichting daarop onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, terwijl de conclusie van het hof over de draagkracht zonder nadere motivering niet valt af te leiden uit de twee door het hof als onvoldoende betwist beschouwde stellingen. Het is dan ook onjuist of zonder verdere toelichting onbegrijpelijk dat het hof de financiële stukken en de toelichting van de man volgt, aldus het onderdeel.
Dat klemt volgens het onderdeel te meer, kort gezegd, nu de rechtbank in haar beschikking van 12 april 2024 al had overwogen dat de man op het laatste moment op de mondelinge behandeling een toelichting had gegeven en dit patroon zich in hoger beroep herhaalde en voor de vrouw en voor derden is nog steeds niet controleerbaar is hoe het hof bij zijn oordeel over het inkomen van de man is gekomen.
3.2
In
aanvullinghierop wordt in de aanvullende procesinleiding (onder 2 en 3) betoogd dat de klacht, dat de motivering onvoldoende inzicht geeft in de aan de beslissing ten grondslag liggende gedachtegang, verder wordt ondersteund door verschillende passages in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep.
3.21
De klachten van dit onderdeel, zoals aangevuld bij de aanvullende procesinleiding, falen.
3.22
Het onderdeel klaagt dat het hof de maatstaf voor motivering heeft miskend door slechts te verwijzen naar de inhoud van de door de man overgelegde financiële stukken en de daarop gegeven toelichting, zonder uit te leggen waarom het tot zijn conclusie over de draagkracht kwam. Volgens het onderdeel is het onjuist of zonder verdere toelichting onbegrijpelijk dat het hof de financiële stukken en de toelichting van de man volgt. Mijns inziens kan de motivering die het hof heeft gegeven echter, in het licht van het partijdebat, de toets der kritiek doorstaan, zoals ik hierna zal toelichten.
3.23
Het hof heeft eerst de standpunten van de man ten aanzien van zijn draagkracht (r.o. 5.6.2) en daarna die van de vrouw ten aanzien van de draagkracht van de man (r.o. 5.6.3) samengevat weergegeven. [30] De thans relevante stellingen van de vrouw komen er in de kern op neer (1) dat de man zijn inkomen onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en (2) dat de door de man geproduceerde stukken en de stelling van de man dat daaruit volgt dat hij in 2023 en 2024 slechts een parttime minimum DGA-salaris ontving, niet stroken met zijn levensstijl en dus wel bezijden de waarheid moeten zijn.
3.24
Vervolgens komt het hof in r.o. 5.6.4 tot en met r.o. 5.6.8 tot zijn beoordeling van de draagkracht van de man. In r.o. 5.6.4 betrekt het hof in zijn beoordeling de daarvoor weergegeven standpunten van partijen. Deze in cassatie bestreden r.o. 5.6.4 dient dus mede gelezen te worden in het licht van en bouwt voort op de daarvoor in r.o. 5.6.2 en r.o. 5.6.3 weergegeven standpunten van partijen. Uit r.o. 5.6.4 vloeit voort dat het hof van oordeel is dat de man met de door hem overgelegde stukken, mede gelet op de daarop gegeven toelichting, zijn inkomen voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. In die stukken en de toelichting daarop ziet het hof aanleiding om bij de beoordeling van de draagkracht van de man met een lager inkomen van de man rekening te houden dan waarvan de rechtbank is uitgegaan. En daarbij heeft het hof het niet gelaten, wat betreft de motivering van zijn oordeel omtrent het inkomen van de man. Het hof heeft namelijk vervolgens in dat kader ook gerespondeerd op de op de levensstijl van de man gebaseerde betwisting door de vrouw van het door de man gestelde inkomen door in te gaan op zijn hypotheek en zijn vakanties. [31] Ik ga ervan uit dat daar waar het middel spreekt van “de twee door het hof als onvoldoende betwist beschouwde stellingen”, dit ziet op deze overwegingen van het hof, al heeft het hof hier mijns inziens niet twee stellingen als onvoldoende betwist beschouwd.
3.25
Gelet op het voorgaande behoefde het oordeel van het hof over het bij de draagkracht in aanmerking te nemen inkomen van de man – dat aan het hof als feitenrechter is voorbehouden – geen nadere toelichting om begrijpelijk te zijn.
3.26
Het voorgaande wordt ook niet anders doordat, kort gezegd, de rechtbank al had overwogen dat de man op het laatste moment op de mondelinge behandeling een toelichting had gegeven en dit patroon zich herhaalde in hoger beroep. Ik licht dat hierna toe.
3.27
De man heeft in eerste aanleg tien dagen voor de mondelinge behandeling een veelheid aan financiële stukken overgelegd, zonder enige toelichting in een begeleidend schrijven. De rechtbank spreekt van “een groot aantal jaarrekeningen en prognoses”. [32] Pas tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft de man een toelichting gegeven op deze stukken. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat hetgeen de man ter zitting heeft gesteld niet voldoende te volgen was en ook niet, gelet op het verweer van de vrouw, voldoende gecontroleerd kon worden. Het voorgaande neemt niet weg dat deze financiële stukken wel deel zijn gaan uitmaken van de gedingstukken en dat, voor zover het debat daarover ter zitting in eerste aanleg niet goed tot wasdom heeft kunnen komen, dit debat in hoger beroep kon worden voortgezet. In dit verband is van wezenlijk belang dat de man zich in zijn beroepschrift op het standpunt heeft gesteld dat voorafgaand aan de zitting “alle relevante financiële stukken” door hem in het geding waren gebracht. [33] Bij de meergenoemde brief aan het hof van 4 april 2025 heeft de advocaat van de man voorts nog aanvullende producties met toelichting overgelegd. Daarbij is opgemerkt dat een groot deel van de aanvullende stukken ook al eerder in eerste aanleg is overgelegd. Een ander deel betreft volgens de man ook nieuwe stukken. [34] Het voorgaande brengt met zich dat het hof, anders dan de rechtbank, wel alle stukken in zijn beoordeling heeft kunnen betrekken en deze in de bestreden overweging ook in de motivering heeft kunnen betrekken.
3.28
Het zou ontegenzeggelijk beter zijn geweest als de man zijn poging om “in hoger beroep het inkomen van de man nog duidelijker inzichtelijk te maken” [35] meer naar voren had gehaald en een nadere toelichting zo veel mogelijk in zijn beroepschrift had opgenomen. Dat laatste moet, naar ik aanneem, in ieder geval mogelijk zijn geweest waar het een nadere toelichting op de in eerste aanleg overgelegde stukken betreft. Ik kan mij dan ook wel iets voorstellen bij de verzuchting van het hof in r.o. 5.6.4 dat “de man (wederom) in een zeer laat stadium in de procedure financiële stukken heeft overgelegd, waarbij hij deze stukken (op de mondelinge behandeling) in hoger beroep van een toelichting heeft voorzien”. Tegelijk moet worden vastgesteld dat de brief van 4 april 2025 tijdig – dat wil zeggen – met inachtneming van de tiendagentermijn van artikel 87 lid 6 Rv Pro en artikel 1.4.5 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, is ingediend, dat het hof die stukken klaarblijkelijk toelaatbaar heeft geacht [36] en dat die beslissing in cassatie niet ter discussie is gesteld.
3.29
In de aanvullende procesinleiding (onder 2, derde gedachtestreep, en onder 3) wordt er tot slot nog op gewezen dat de voorzitter blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep de mogelijkheid heeft benoemd dat het hof een deskundige zal benoemen en heeft vermeld dat het hof dit in overweging zal nemen. [37] Deze uitlatingen van de voorzitter ter zitting binden het hof echter niet en noopten het hof evenmin tot een nadere motivering van het bestreden oordeel.
3.3
Mijns inziens falen dan ook de klachten dat het hof de bij de motivering te hanteren maatstaf heeft miskend dan wel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd door te verwijzen naar de door de man ingediende financiële stukken en de daarop gegeven toelichting.
3.31
Onderdeel 1Bstelt voorop dat, nu het hof rekening houdt met een minimum DGA-salaris, het daadwerkelijke inkomen van de man voor het hof kennelijk niet duidelijk is geworden. Het onderdeel klaagt in de eerste plaats dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bij deze stand van zaken uitgaat van een (fictief) minimum DGA-salaris. Het onderdeel klaagt dat het hof daarnaast is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door daarvan uit te gaan en niet op basis van de wettelijke maatstaven het daadwerkelijke inkomen en de draagkracht van de man te bepalen, althans daar nader onderzoek naar te doen. Dat klemt volgens het onderdeel te meer nu het gaat om kinderalimentatie en gelet op de in onderdeel 1C te noemen stellingen van de vrouw waarop het hof niet (voldoende) heeft gereageerd.
3.32
De klachten van dit onderdeel falen.
3.33
Om te beginnen volg ik het middel niet in de lezing dat voor het hof het daadwerkelijke inkomen van de man niet duidelijk is geworden.
3.34
De man heeft gesteld dat ingaande 1 januari 2023 geen sprake meer is van winst uit onderneming, en dat voor de draagkracht van de man vanaf genoemde datum nog slechts relevant is de hoogte van het salaris van de man uit de holding, alsmede de vraag in hoeverre van de man verwacht mag worden dat hij als DGA aan zichzelf een hoger salaris kan uitkeren, respectievelijk in redelijkheid rekening dient te worden gehouden met een aanvulling op zijn salaris in de vorm van box 2-inkomen (zie hiervoor onder 3.16). De man heeft verder gesteld dat hij zichzelf een parttime DGA-salaris heeft uitgekeerd en dat in 2023 en 2024 er geen ruimte was om een hoger salaris uit te keren (zie hiervoor onder 3.17). Als de man zichzelf in 2025 een fulltime gebruikelijk DGA-loon moet toekennen, dan zal naar verwachting de winst na Vbp (afgerond) € 5.670,00 zijn en dus is de man in dat jaar bereid rekening te houden met een salaris van € 65.000,00 en € 5.000,00 box 2-inkomsten (zie hiervoor onder 3.16).
3.35
Ik begrijp het oordeel van het hof in r.o. 5.6.4 zo dat het hof de man in deze stellingen is gevolgd, met dien verstande dat het hof ook voor 2023 en 2024 van een fulltime salaris is uitgegaan. Ik meen dan ook dat het oordeel van het hof zo moet worden verstaan dat de man in 2023 en 2024 zich in redelijkheid niet meer kon verwerven dan een fulltime minimum gebruikelijk DGA-salaris en in 2025 niet meer dan het door de man genoemde bedrag van € 65.000,00, vermeerderd met € 5.000,00 aan inkomsten uit aanmerkelijk belang, waarmee het hof dit dan dus ook als het daadwerkelijke inkomen van de man beschouwt. Voor de lezing dat het daadwerkelijke inkomen van de man niet duidelijk is geworden, zie ik dan ook geen grond. In zoverre faalt dit onderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag.
3.36
Onderdeel 1Cklaagt over het passeren van stellingen van de vrouw die relevant en essentieel zijn in verband met de beoordeling van de draagkracht en waarop het hof gemotiveerd had moeten reageren. Meer specifiek gaat het in het onderdeel mijns inziens in de kern om twee stellingen van de vrouw die betrekking hebben op de levensstijl van de man. Gelet op zijn levensstijl betwist de vrouw dat de man in 2023 en 2024 slechts een minimum DGA-salaris ontving.
3.37
In de
eerste plaatsgaat het om de stelling van de vrouw dat de man woont in een woning ter waarde van € 650.000,00. De vrouw heeft met een advies van [betrokkene 1] van [A] onderbouwd dat het verkrijgen van een hypotheek ter hoogte van meer dan € 500.000,00 met een inkomen van € 46.000,00 onmogelijk is. [38] De overweging van het hof dat de man onweersproken heeft verklaard dat hij de hypotheek van zijn woning met moeite rond heeft kunnen krijgen, is zonder nadere toelichting onvoldoende voor de conclusie dat de man een lagere draagkracht heeft. Over de hoogte van het inkomen stelt de man immers niets concreet vast, aldus het onderdeel.
3.38
In
aanvullinghierop bevat de aanvullende procesinleiding (onder 4) nog een klacht tegen de overweging van het hof dat de man onweersproken heeft verklaard dat hij de hypotheek met moeite rond heeft kunnen krijgen. Volgens die aanvullende klacht is deze overweging onbegrijpelijk gelet op de mededeling van de advocaat van de vrouw ter zitting bij het hof dat het “nog steeds onduidelijk [is] hoe de man de hypotheek kan overnemen, een auto kan kopen en de kinderalimentatie kan betalen” [39] , omdat daaruit wel degelijk een weerspreking volgt.
3.39
Deze klachten falen.
3.4
Aan het onderdeel moet worden toegegeven dat de overweging van het hof dat de man onweersproken heeft verklaard dat hij de hypotheek van zijn woning met moeite rond heeft kunnen krijgen op zichzelf niet redengevend kan zijn voor de conclusie dat bij de beoordeling van de draagkracht van de man met een lager inkomen moet worden gerekend dan waarvan de rechtbank is uitgegaan. Immers, met moeite of niet: de financiering is er wel gekomen. De betreffende overweging van het hof krijgt echter meer kleur als in ogenschouw wordt genomen dat de man in dit verband ter zitting bij het hof – weliswaar in een laat stadium – naar voren heeft gebracht dat “Tore Management B.V. is verkocht om de hypotheek over te kunnen nemen” (zie het citaat hiervoor onder 3.17). De vrouw heeft deze stelling niet betwist, waarbij ik erop wijs dat de verkoop van Tore Management B.V. bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank al aan bod is gekomen en daar door de vrouw zelf is benoemd (zie hiervoor onder 2.9 en 3.11). Wel is namens de vrouw volhard in het standpunt dat “nog steeds onduidelijk [is] hoe de man de hypotheek kan overnemen, een auto kan kopen en de kinderalimentatie kan betalen” (zie het citaat hiervoor onder 3.17). Kennelijk hecht het hof aan dit aspect van de door de vrouw gestelde levensstijl van de man minder (of geen) belang voor zijn oordeel over de draagkracht van de man, nu de woning deels is gefinancierd uit een eenmalige of incidentele bate. Aldus heeft het hof met zijn overweging dat de man onweersproken heeft verklaard dat hij de hypotheek met moeite rond heeft kunnen krijgen mijns inziens wel voldoende gerespondeerd op de stellingen van de vrouw ter zake.
3.41
Voor zover in dit verband nog wordt betoogd dat het hof niets concreet vaststelt over de hoogte van het inkomen, verliest de klacht overigens uit het oog dat het hof in de tweede alinea van r.o. 5.6.4 wel vaststelt van welk inkomen van de man moet worden uitgegaan.
3.42
Ook de hiervoor onder 3.38 weergegeven aanvullende klacht faalt. De meergenoemde opmerking van de advocaat van de vrouw dat nog steeds onduidelijk is hoe de man de hypotheek kan overnemen, een auto kan kopen en de kinderalimentatie kan betalen, lijkt mij, meer dan een betwisting specifiek op het punt van de financiering van de woning, een herhaling van het overkoepelende standpunt dat de combinatie van aspecten die de vrouw noemt als de levensstijl van de man, naast de verplichting tot het betalen van kinderalimentatie, niet mogelijk is bij het door de man gestelde salaris. Ik ga ervan uit dat het hof die betwisting ook zo heeft begrepen. De overweging dat de verklaring van de man dat hij de hypotheek met moeite rond heeft kunnen krijgen onweersproken is, is dus niet onbegrijpelijk in het licht van deze opmerking.
3.43
In
de tweede plaatsgaat het in onderdeel 1C om de stelling van de vrouw dat de man in 2024 een nieuwe Range Rover Sport heeft gekocht met een aanschafprijs van meer dan € 105.000,00, naast de Volvo XC90, een dure SUV, en weigert te verklaren hoe hij dit kan betalen. Zelfs met lease zal een dergelijke auto met financiële bescheiden onderbouwd moeten worden aangevraagd, aldus het onderdeel. [40]
3.44
In
aanvullingop de klacht over het passeren van deze stelling van de vrouw, is in de aanvullende procesinleiding betoogd dat uit de discussie op de zitting niet duidelijk wordt of het nu om een leaseauto of een gekochte auto gaat en de man en zijn advocaat hierover tegengestelde standpunten innemen. Dit roept serieuze vragen op over de draagkracht van de man en zijn (potentiële) inkomen waar het hof op had moeten reageren, aldus de klacht (zie de aanvullende procesinleiding onder 5, met verwijzing naar kennelijk de onder 2, tweede gedachtestreep weergeven passages).
3.45
Ook deze klachten falen.
3.46
Bij de bespreking van deze klachten stel ik voorop dat de rechter niet op iedere stelling van partijen hoeft in te gaan. De vrouw heeft in deze procedure een beroep gedaan op een combinatie van aspecten in de levensstijl van de man die volgens haar niet strookt met de stellingen van de man over zijn salaris. [41] Daarbij heeft zij concreet de woning (en bijbehorende hypotheek), de nieuwe auto en de dure vakanties genoemd. Het hof heeft in r.o. 5.6.4 twee van die drie aspecten in zijn motivering betrokken en inhoudelijk ter zijde gelegd. Gelet op de stellingname van de vrouw, waarbij de genoemde aspecten in onderlinge samenhang de betwisting vormen van de stellingen van de man over zijn inkomen, had het hof bij die stand van zaken mijns inziens niet ook nog afzonderlijk aandacht hoeven te besteden aan de stellingname van de vrouw over de auto. Anders gezegd: de auto alléén hoefde het hof nog niet tot een ander oordeel te brengen ten aanzien van het inkomen van de man.
3.47
Maar ook als de stellingname van de vrouw over de auto wel op zichzelf als een essentiële stellingname moet worden beschouwd [42] , faalt de klacht mijns inziens. Deze stellingname van de vrouw is immers erop gebaseerd dat de man een Range Rover Sport heeft aangeschaft (of geleaset) náást een Volvo XC90, een dure SUV, die de man ook nog in bezit heeft. [43] Zie ook de opmerking van de advocaat van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep: [44]
“De man rijdt dure auto’s en zegt dat hij geen geld heeft voor de kinderen.”
3.48
Tijdens de mondelinge behandeling – en dus weliswaar weer in een laat stadium – heeft de man hierover evenwel (onder meer) opgemerkt dat hij zijn auto heeft verkocht en een auto heeft teruggekocht. [45] De vrouw heeft dit niet betwist.
3.49
Het hof heeft de stellingname van de vrouw ook aldus begrepen dat het haar erom te doen is dat de man deze twee kostbare auto’s in bezit heeft (zie r.o. 5.6.3). In het licht van de onbetwiste stelling van de man dat hij ook een auto heeft verkocht (terwijl van andere auto’s dan deze twee in de procedure niet is gebleken), hoefde het hof naar mijn mening de meergenoemde stellingname van de vrouw niet in zijn motivering te betrekken. Dat ter zitting niet duidelijk is geworden of het om een leaseauto of een gekochte auto gaat, is dan ook verder niet van belang.
3.5
Nu de klachten van de onderdelen 1A tot en met 1C, zoals aangevuld bij de aanvullende procesinleiding, falen, faalt ook de daarop voortbouwende klacht van
onderdeel 1D.
3.51
Het cassatieberoep dient mijns inziens dan ook te worden verworpen.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De feiten zijn ontleend aan r.o. 3.2-3.5 van de in cassatie bestreden beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 juni 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1552.
2.Het procesverloop is opgenomen voor zover in cassatie van belang.
3.Overgelegd als productie 5 bij het inleidend verzoekschrift van de vrouw.
4.De vrouw heeft verder verzoeken gedaan met betrekking tot kort gezegd de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en het ouderlijk gezag. Deze verzoeken zijn in cassatie niet van belang.
5.De zelfstandige verzoeken van de man in eerste aanleg hebben kort gezegd betrekking op de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en vervangende toestemming in verband met de paspoorten van de kinderen en zijn in cassatie niet van belang. De man heeft in eerste aanleg niet om verlaging van de kinderalimentatie verzocht: zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, p. 4 (onderaan) en p. 5.
7.De man streefde aanvankelijk ook in hoger beroep dus geen verlaging van de kinderalimentatie na; zie ook met zoveel woorden het beroepschrift onder 2.7 en 6.3.
8.Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling de toelaatbaarheid van de gewijzigde verzoeken in het midden gelaten; zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 16 april 2025, p. 2, tweede en vijfde tekstblok. Uit de bestreden beschikking volgt dat het hof de gewijzigde verzoeken toelaatbaar heeft geacht; zie in het bijzonder r.o. 4.3 en 5.3.2.
9.In r.o. 4.3 van de bestreden beschikking is een bedrag van € 37,- per kind per maand vermeld, maar dat beschouw ik als een verschrijving: zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 16 april 2025 (p. 1-2) alsmede de brief van de advocaat van de man aan het hof van 4 april 2025 waarnaar in dat proces-verbaal wordt verwezen.
11.Blijkens de datumstempel op de laatste pagina van dit afschrift van het proces-verbaal. Op 15 oktober 2025 heeft het hof een nieuw afschrift van het proces-verbaal afgegeven, met de daarbij behorende spreekaantekeningen van de advocaat van de man waar in het proces-verbaal naar wordt verwezen. De brief met bijbehorende stukken van de griffier van het hof van 15 oktober 2025 is op 16 oktober 2025 door de griffie van de Hoge Raad in het digitale portaal geplaatst.
12.Vaste rechtspraak van de Hoge Raad; zie onder meer HR 12 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1268,
13.Zie HR 12 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1268,
14.Zie HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3478,
15.Zie het inleidend verzoekschrift onder 53 e.v., in het bijzonder onder 59-60 en de beschikking van de rechtbank van 12 april 2024, p. 5.
16.Zie het inleidend verzoekschrift onder 63-64. Zie ook het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank, p. 7, tweede tekstblok.
17.Zie de draagkrachtberekening die is overgelegd als productie 10 bij het inleidend verzoekschrift.
18.Zie het verweerschrift onder 6.16.
19.Zie het verweerschrift onder 6.5 en producties 5-8.
20.Zie het F9-formulier van 12 januari 2024, met producties 17 tot en met 28.
21.Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank, p. 8, vierde tekstblok, en vgl. p. 9, derde en zevende tekstblok.
22.Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank, p. 7, tweede tekstblok, en p. 8, tweede en vierde tekstblok.
23.Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank, p. 8, tweede en vierde tekstblok, onderscheidenlijk p. 10, achtste tekstblok.
24.Zie aldus de beschikking van de rechtbank van 12 april 2024, p. 9, eerste tekstblok.
25.Zie het beroepschrift onder 5.1-5.6.
26.Zie ook, na en naar aanleiding van de hierna onder 3.16 te noemen brief van de advocaat van de man aan het hof van 4 april 2025, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 2, derde tekstblok (“Daarnaast wordt uit het pakket papier nog steeds niet duidelijk wat het inkomen is van de man”).
27.Zie het verweerschrift in hoger beroep onder 15-18. Zie over de auto en de woning ook de brief van de advocaat van de vrouw aan het hof van 4 april 2025, p. 2-3 en producties 11 en 12.
28.De brief van de advocaat van de man aan het hof van 4 april 2025, p. 3, vijfde tekstblok, onderscheidenlijk p. 4, vijfde tekstblok en p. 5, eerste tekstblok.
29.Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof, p. 4, vierde tekstblok e.v., en p. 5.
30.Vgl. ook hiervoor het onder 3.7 e.v. samengevat weergegeven partijdebat.
31.Het middel klaagt in onderdeel 1C als gezegd onder meer dat het hof niet heeft gerespondeerd op enkele essentiële stellingen van de vrouw. Bij de bespreking van dat onderdeel kom ik ook terug op het in de aanvullende procesinleiding onder 2, tweede gedachtestreep, genoemde debat over de auto.
32.Zie de beschikking van de rechtbank van 12 april 2024, p. 9.
33.En vgl. ook de opmerking van de advocaat van de man ter zitting bij het hof, proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 4, vierde tekstblok: “Bij het verweerschrift in eerste aanleg zijn veel financiële stukken ingediend, behalve over 2024. Die waren er toen nog niet. Ik heb geprobeerd in hoger beroep het inkomen van de man nog duidelijker inzichtelijk te maken.”
34.Vgl. ook de opmerking van de advocaat van de man ter zitting bij het hof dat het in deze brief “vooral [gaat] over de draagkracht in 2024 en de toekomstige verdiencapaciteit” en dat de meest recente jaarrekeningen pas eind maart 2025 zijn opgesteld en snel zijn overgelegd; zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 2, vierde tekstblok.
35.Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 4, vierde tekstblok.
36.Zie r.o. 2.3 en 5.6.4 van de bestreden beschikking. Het hof had die beslissing daarover ter zitting uitgesteld tot de uitspraak; zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 2, vijfde tekstblok.
37.Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 5, laatste tekstblok.
38.Zie de brief van de advocaat van de vrouw aan het hof van 4 april 2025, p. 2, toelichting bij productie 12, en zie ook het verweerschrift van de vrouw in hoger beroep onder 17.
39.Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 5, vierde tekstblok; hiervoor onder 3.17 geciteerd.
40.Zie de brief van de advocaat van de vrouw aan het hof van 4 april 2025, p. 2, toelichting bij productie 11, en zie ook het verweerschrift van de vrouw in hoger beroep onder 17.
41.Vgl. ook hiervoor onder 3.42.
42.Zoals de steller van het middel meent blijkens voetnoot 8 van de procesinleiding in cassatie.
43.Zie de hiervoor in voetnoot 45 aangehaalde vindplaatsen.
44.Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 4, laatste tekstblok.
45.Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 5, tweede tekstblok.