Partijen zijn in 1993 gehuwd en in 2018 gescheiden, zonder kinderen. De man was directeur-grootaandeelhouder van een onderneming via een holding waarvan de aandelen deel uitmaakten van de huwelijksgoederengemeenschap. Bij echtscheiding zijn de aandelen aan de man toegedeeld tegen betaling van een vergoeding aan de vrouw.
De vrouw vorderde partneralimentatie vanaf oktober 2018. De rechtbank stelde deze vast op € 1.033 per maand, het hof verhoogde dit na deskundigenrapport tot € 3.676 per maand, oplopend tot € 4.132 in 2024. Kernpunt was of bij de draagkrachtberekening ook rekening moet worden gehouden met dividenduitkeringen naast het salaris.
De Hoge Raad bevestigt dat bij de draagkrachtberekening niet alleen het salaris, maar ook een redelijke dividenduitkering moet worden betrokken. Dit ondanks dat de aandelen reeds zijn vergoed bij de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Er is geen sprake van dubbeltelling omdat de man de volledige zeggenschap en winstcapaciteit heeft verworven. Het hof heeft ook terecht rekening gehouden met het rendement op de afkoopsom aan de zijde van de vrouw en het feit dat de man geen financieringslasten heeft opgevoerd.
De Hoge Raad wijst op het belang van een redelijke en actuele beoordeling van het inkomen, ook als dit afwijkt van de ondernemersbeloning die bij de aandelenwaardering is gehanteerd. De klachten van de man worden verworpen en het incidentele cassatieberoep blijft buiten behandeling.