ECLI:NL:PHR:2026:352

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
26/00857
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 FwArt. 12 lid 1 FwArt. 19 RvArt. 21 RvArt. 24-25 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen faillietverklaring wegens onvoldoende klachten en termijnoverschrijding

Bidfood B.V. verzocht de rechtbank Amsterdam om de faillietverklaring van verzoeker, welke op 6 januari 2026 werd toegewezen. Verzoeker stelde hoger beroep in bij het hof Amsterdam, dat op 17 februari 2026 het vonnis van de rechtbank bekrachtigde. Verzoeker stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad, waarbij hij diverse klachten aanvoerde over de onjuiste rechtsopvatting en feitelijke misslagen in het arrest van het hof.

De Procureur-Generaal beoordeelde of het cassatieberoep ontvankelijk was en aan de eisen van art. 407 lid 2 sub d en Pro 426a lid 2 Rv voldeed. De procesinleiding van verzoeker bevatte echter geen rechtsklachten die met precisie aangaven waarom het recht was geschonden, noch motiveringsklachten die voldoende waren toegelicht. Tevens ontbrak een feitelijke grondslag voor de stelling dat het hof pluraliteit van vorderingen had aangenomen op onjuiste gronden.

Daarnaast was het cassatieberoep te laat ingediend, aangezien de termijn van acht dagen na het arrest van 17 februari 2026 was verstreken. Verzoeker stelde dat technische problemen met het digitale portaal van de Hoge Raad het tijdig indienen hadden verhinderd, maar dit werd niet doorslaggevend geacht. Ook een eventuele aanvulling van de procesinleiding na ontvangst van het proces-verbaal was niet tijdig ingediend.

Gelet op het voorgaande adviseert de Procureur-Generaal het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van art. 80a RO, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden en het beroep te laat is ingediend.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende gemotiveerde klachten en overschrijding van de cassatietermijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer26/00857

Zitting27 maart 2026
UITLATING
R.H. de Bock
In de zaak

[verzoeker]

Advocaat: mr. J. den Hoed
tegen

Bidfood B.V.

Niet verschenen

Uitlating Procureur-Generaal ex art. 80a lid 1 RO

1.1
Op 30 oktober 2025 heeft Bidfood B.V. (Bidfood) bij de rechtbank Amsterdam een verzoek ingediend dat strekt tot faillietverklaring van [verzoeker] ( [verzoeker] ). De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 2 december 2025, waarbij onder meer [verzoeker] aanwezig was.
1.2
Bij uitspraak van 6 januari 2026 heeft de rechtbank het verzoek toegewezen. [1]
1.3
Volgens de rechtbank is summierlijk gebleken dat Bidfood een vordering op [verzoeker] heeft op grond van overeenkomsten in het kader waarvan [verzoeker] zich heeft verbonden als medeschuldenaar. Dit blijkt volgens de rechtbank uit een beschikking van het hof Amsterdam van 23 september 2025. Daarnaast is volgens de rechtbank summierlijk gebleken van een steunvordering van [A] B.V. Dit blijkt volgens de rechtbank uit een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2023 en een vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 januari 2023. Met al het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de vereisten voor faillietverklaring.
1.4
Op 14 januari 2026 heeft [verzoeker] tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof Amsterdam. Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 10 februari 2026, waarbij onder meer [verzoeker] aanwezig was.
1.5
Bij uitspraak van 17 februari 2026 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. [2]
1.6
Volgens het hof is summierlijk gebleken van het bestaan van een opeisbare vordering van Bidfood op [verzoeker] . [verzoeker] heeft zich immers tegenover Bidfood verbonden als medeschuldenaar voor de schuld van Brouwerij De Engel B.V. aan Bidfood. Daarnaast is volgens het hof gebleken van een vordering van het Ministerie SZW op grond van een boetebeschikking van 4 oktober 2010 die blijkens overgelegde deurwaardersexploten steeds tijdig is gestuit. Voorts acht het hof summierlijk gebleken dat de curator van Brouwerij De Engel B.V. een vordering heeft op [verzoeker] op grond van art. 2:248 BW Pro (concreet: schending van de administratie- en boekhoudplicht en van de plicht om jaarrekeningen op te laten maken en tijdig te publiceren). Tot slot overweegt het hof dat is gebleken dat de partner van [verzoeker] de vordering van [A] B.V. op [verzoeker] heeft overgenomen, maar dat dit onverlet laat dat er tot zeer recent sprake was van schulden die [verzoeker] zelf niet kon betalen. Met al het voorgaande is naar het oordeel van het hof voldaan aan de vereisten voor faillietverklaring.
1.7
Op 25 februari 2026 vonden er geplande werkzaamheden plaats aan het digitale portaal van de Hoge Raad, vanaf circa 18:00 uur. Om 22:15 uur op dezelfde dag is het digitale portaal weer vrijgegeven.
1.8
[verzoeker] heeft in persoon op 26 februari 2026 om 02:15 uur een aanbiedingsbrief ingediend in het digitale portaal van de Hoge Raad. Hierin vermeldt [verzoeker] dat van de cassatieadvocaten die hij tot nog toe heeft benaderd geen enkele de zaak binnen de cassatietermijn kon aannemen.
1.9
[verzoeker] heeft op 26 februari 2026 om 02:15 uur eveneens in persoon een procesinleiding ingediend in het digitale portaal van de Hoge Raad.
1.1
In de procesinleiding vermeldt [verzoeker] dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 februari 2026 nog niet is verstrekt, waardoor (een aantal) essentiële proceshandelingen niet controleerbaar zouden zijn (p. 1 en 4).
1.11
Bij brief van 26 februari 2026 heeft de civiele griffie van de Hoge Raad aan [verzoeker] een termijn van twee weken gegeven om de reeds ingediende procesinleiding opnieuw en ongewijzigd te laten indienen door een cassatieadvocaat.
1.12
Bij e-mail van 27 februari 2026 aan de civiele griffie van de Hoge Raad heeft [verzoeker] onder meer het volgende geschreven: “
in uw bericht[is,
A-G]
niet gemeld(…)
dat u werkzaamheden aan de website plaatshadden en exact sávond op de 25ste waardoor het uploaden diezelfde avond en als gevolg van de technische problemen een aantal uren doorliepen tot de nacht.
1.13
Bij e-mail van 11 maart 2026 aan de civiele griffie van de Hoge Raad heeft [verzoeker] laten weten dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 februari 2026 op 11 maart 2026 aan hem is verzonden en verzoekt hij de civiele griffie om toestemming te verlenen voor het indienen van een aanvullende procesinleiding.
1.14
Op 12 maart 2026 heeft mr. J. den Hoed – cassatieadvocaat – een aanbiedingsbrief, de ongewijzigde procesinleiding en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 februari 2026 in het digitale portaal van de Hoge Raad ingediend. In de aanbiedingsbrief is vermeld dat [verzoeker] meent dat hij in zijn procesinleiding voldoende duidelijk het recht op aanvulling van zijn klachten heeft voorbehouden voor het geval hij alsnog het proces-verbaal zou ontvangen en dit proces-verbaal daartoe aanleiding geeft.
1.15
Bij bericht van 13 maart 2026 heeft de waarnemend griffier van de Hoge Raad aan mr. J. den Hoed laten weten dat de zetel uiteindelijk moet beslissen of een eventueel ingediende aanvulling naar aanleiding van het proces-verbaal ontvankelijk is en dat de griffie of de rolraadsheer hierover geen uitsluitsel kan geven.
1.16
Op 18 maart 2026 heeft de Griffier van de Hoge Raad kennisgevingen van de onderhavige zaak aan onder andere Bidfood verstuurd, waarin onder meer is aangegeven dat er gelegenheid bestaat voor het indienen van een verweerschrift (uiterlijk drie weken na 18 maart 2026). Ook heeft de Griffier van de Hoge Raad op 18 maart 2026 aan dezelfde (rechts)personen laten weten dat de enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad tot het oordeel is gekomen dat nader dient te worden onderzocht of de onderhavige zaak in aanmerking komt voor toepassing van art. 80a RO, en dat de zaak op 10 april 2026 is geplaatst voor het fourneren van stukken door [verzoeker] .
1.17
Mij is vervolgens verzocht een standpunt in te nemen over de vraag of de onderhavige zaak in aanmerking komt voor toepassing van art. 80a RO (art. 3.1.8.2/3.2.10.2 procesreglement Hoge Raad).
1.18
Tot op heden heeft [verzoeker] geen aanvulling van zijn procesinleiding ingediend.
1.19
M.i. komt de onderhavige zaak inderdaad in aanmerking voor toepassing van art. 80a RO. Dit wordt als volgt toegelicht.
1.2
Het cassatieberoep van [verzoeker] houdt voor zover relevant in: [3]

“Inleiding

(…) Dit cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het gerechtshof waarin het faillissement van verzoeker is bekrachtigd. Het arrest berust op een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 6 Fw Pro, art. 24-25 Rv, art. 149 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro, alsmede op een reeks feitelijke misslagen en een ondeugdelijke motivering.
Centraal staat dat het hof pluraliteit heeft aangenomen op basis van vorderingen die:
• niet bestonden,
• verjaard waren,
• door de wederpartij waren verlaten,
• door de rechtbank reeds waren verworpen,
• of niet aan verzoeker privé toekwamen.
(…)

Cassatiemiddelen; de gronden van het beroep;

MIDDEL I — Schending art. 6 Fw Pro (pluraliteit ontbreekt)
MIDDEL II — Feitelijke misslagen
MIDDEL III — Onjuiste rechtsopvatting steunvorderingen
MIDDEL IV — Onjuiste rechtsopvatting betwisting / betwiste vordering geen steunvordering MIDDEL V — Schending art. 19 Rv Pro (hoor en wederhoor)
MIDDEL VI — Schending art. 24-25 Rv (beslisplicht)
MIDDEL VII — Schending art. 6 EVRM Pro (fair trial)
MIDDEL VIII — Schending motiveringsplicht
MIDDEL IX — Innerlijke tegenstrijdigheid in het arrest
MIDDEL X — Schending art. 149 Rv Pro (ondeugdelijke bewijswaardering)
MIDDEL XI — Schending art. 21 Rv Pro (waarheidsplicht curator genegeerd)
MIDDEL XII — Onjuiste faillissementsgrond (art. 6 Fw Pro)
MIDDELXIII — Schending recht op contradictie (art. 6 EVRM Pro)
MIDDEL XIV — Samengevatte ondeugdelijke bewijswaardering / totaalbeeld

Conclusie

Verzoek de Hoge Raad der Nederlanden het bestreden arrest van het hof te Amsterdam te vernietigen en de zaak te verwijzen naar een ander arrondissement danwel zelf af te doen.”
1.21
Voor ontvankelijkheid in cassatie is (onder meer) vereist dat de klachten voldoen aan bepaalde eisen (art. 407 lid 2 sub Pro d/426a lid 2 Rv). [4] Deze eisen zijn: [5]
“3.1 Volgens vaste rechtspraak dient een cassatiemiddel, dat moet zijn opgenomen in de cassatiedagvaarding of het cassatieverzoekschrift, te vermelden tegen welke oordelen het is gericht en waarom door de bestreden oordelen het recht is geschonden of deze niet naar behoren zijn gemotiveerd. Een rechtsklacht dient met bepaaldheid en precisie in te houden welke beslissing of overweging in de bestreden uitspraak onjuist is en waarom door die beslissing of overweging het recht is geschonden.
Een motiveringsklacht dient met bepaaldheid en precisie te vermelden welke beslissing of overweging onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is en waarom. Deze laatste eis houdt meer in het bijzonder in dat indien een cassatieklacht (mede) is gebaseerd op in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen, het middel de vindplaats(en) moet vermelden van die stellingen in de stukken van het geding.
Dit alles lijdt slechts dan uitzondering, indien het een rechtsklacht betreft en – zo nodig mede uit de gedingstukken – zonder meer duidelijk is waarin volgens de steller van het middel de onjuistheid van de bestreden rechtsopvatting is gelegen, dan wel indien de wederpartij op basis van de in het middel (en eventueel de daarop in de schriftelijke toelichting gegeven verduidelijking) vervatte rechts- en/of motiveringsklachten de rechtsstrijd in cassatie heeft aanvaard. (…)”
1.22
Uit het hiervoor weergeven gedeelte van de procesinleiding blijkt dat [verzoeker] heeft beoogd zowel motiverings- als rechtsklachten in te stellen. In de procesinleiding kunnen m.i. evenwel geen rechtsklachten worden gelezen die met bepaaldheid en precisie inhouden waarom door een beslissing of overweging van het hof het recht is geschonden. Ook kunnen hierin m.i. geen motiveringsklachten worden gelezen die met bepaaldheid en precisie vermelden waarom een beslissing of overweging van het hof onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is. De procesinleiding verwijst voor de klachten niet naar vindplaatsen van stellingen in de stukken van het geding. Een door de Hoge Raad aanvaarde uitzondering doet zich m.i. verder niet voor.
1.23
Ook mist de procesinleiding feitelijke grondslag (in ieder geval voor een deel) waar zij ervan uitgaat dat het hof pluraliteit van vorderingen heeft aangenomen op grond van vorderingen die niet bestonden, verjaard waren, door de wederpartij waren verlaten, door de rechtbank reeds waren verworpen, of niet aan verzoeker in privé toekwamen. Dit is niet het oordeel van het hof geweest (zie onder 1.6).
1.24
De conclusie moet gezien het voorgaande zijn dat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
1.25
Verder rijst nog de vraag of het cassatieberoep van 26 februari 2026 tijdig is ingediend. Op grond van art. 12 lid 1 Fw Pro kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak van het hof cassatieberoep worden ingesteld. Voor de onderhavige zaak betekent dit dat het cassatieberoep uiterlijk op 25 februari 2026 had moeten worden ingesteld. Dit is niet gebeurd. Het cassatieberoep is daarom in beginsel te laat ingesteld. [verzoeker] heeft zich echter op het standpunt gesteld (zie onder 1.12) dat het uploaden van de procesinleiding wegens technische problemen in verband met onderhoud aan het digitale portaal van de Hoge Raad niet op 25 februari 2026 is gelukt.
1.26
Omdat hiervoor is gebleken dat het cassatieberoep reeds om andere redenen klaarblijkelijk niet kan slagen, kan in het midden worden gelaten of het cassatieberoep van [verzoeker] daadwerkelijk te laat is ingesteld. Wel zij hier nog vermeld dat uit interne correspondentie binnen de Hoge Raad lijkt te volgen dat het in verband met onderhoud aan het digitale portaal van de Hoge Raad (zie onder 1.7) technisch gezien niet valt uit te sluiten dat óók tussen 22:15 en 0:00 uur op 25 februari 2026 een (niet ververste) onderhoudspagina zichtbaar was voor [verzoeker] en dat er inmiddels op dit punt een technische aanpassing is doorgevoerd.
1.27
Volledigheidshalve is nog op te merken dat de procesinleiding in de onderhavige zaak niet meer tijdig kan worden aangevuld, zodat deze aanvulling eveneens niet-ontvankelijk zou zijn als zij toch nog zou worden ingediend. Een aanvulling had binnen acht dagen na de dag van verstrekking of verzending van het proces-verbaal moeten worden ingediend. [6] Nu [verzoeker] het proces-verbaal op 11 of 12 maart 2026 heeft ontvangen (zie onder 1.13-1.14), had een aanvulling van de procesinleiding uiterlijk op 19 of 20 maart 2026 moeten worden ingediend. Dit is niet gebeurd.
1.28
Nu het cassatieberoep klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden, moet het cassatieberoep m.i. niet-ontvankelijk worden verklaard op grond van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Rb. Amsterdam 6 januari 2026, faillissementsnummer C/13/26/9 F (niet gepubliceerd).
2.Hof Amsterdam 17 februari 2026, zaaknummer 200.363.570/01 (niet gepubliceerd).
3.Procesinleiding, p. 1 en 4.
4.Zie bijv. HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3941 (
5.HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1727 (
6.HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3720 (