ECLI:NL:PHR:2026:309
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatieberoep tegen veroordeling voormalig politiemedewerker voor computervredebreuk, schending ambtsgeheim en bezit cocaïne
De verdachte, een voormalig politiemedewerker, werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens computervredebreuk, schending van een ambtelijk geheim en het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne. In eerste aanleg was hij vrijgesproken van computervredebreuk en bezit van cocaïne, maar veroordeeld voor schending ambtsgeheim. Het hof stelde vast dat de verdachte tussen september en december 2015 met zijn politieaccount opzettelijk en wederrechtelijk toegang had verkregen tot politiesystemen en informatie uit die systemen had verstrekt aan een derde.
De verdediging voerde in cassatie onder meer aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat de verdachte zelf de bevragingen had gedaan en dat het mogelijk was dat anderen gebruikmaakten van zijn account. Ook werd betoogd dat er geen bewijs was van overdracht van informatie aan derden en dat de verdachte de informatie mogelijk voor een collega had opgevraagd. De advocaat-generaal concludeerde dat deze klachten niet slagen, mede omdat het hof de feiten en bewijsmiddelen zorgvuldig had gewogen en de alternatieve scenario's niet aannemelijk waren.
Daarnaast werd een klacht over het bewijs van de aanwezigheid van fenacetine, een versnijdingsmiddel, geuit, maar deze werd niet als cassatiemiddel toegelaten. De Hoge Raad achtte de redelijke termijn voor cassatiebehandeling overschreden indien uitspraak na 9 mei 2026 zou volgen, maar zag geen reden tot vernietiging van het hofarrest. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van de verdachte blijft in stand.