Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:305

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
25/02737
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 lid 1 onder e WvggzArt. 6:5 WvggzArt. 6:6 lid 1 en lid 2 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling overschrijding beslistermijn bij verlenging zorgmachtiging Wvggz

In deze zaak gaat het om de verlenging van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De rechtbank Gelderland had een aansluitende zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden, terwijl de wettelijke beslistermijn van drie weken na ontvangst van het verzoek was overschreden.

De officier van justitie had tijdig een verzoek tot verlenging ingediend, en betrokkene had een referteverklaring afgegeven. De rechtbank besloot echter pas na het verstrijken van de beslistermijn, waardoor de bestaande machtiging van rechtswege was vervallen. Volgens de Wvggz kan dan slechts een nieuwe machtiging voor maximaal zes maanden worden verleend.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onbegrijpelijk heeft gehandeld door een machtiging voor twaalf maanden te verlenen. De beschikking wordt vernietigd voor zover deze de twaalf maanden betreft, en de zaak wordt zelf afgedaan door de duur van de machtiging te beperken tot zes maanden. Hiermee wordt de rechtszekerheid en de wettelijke regeling omtrent beslistermijnen en aansluitende machtigingen gewaarborgd.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking voor zover de zorgmachtiging twaalf maanden betreft en beperkt de duur tot zes maanden.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02737
Zitting27 maart 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene] ,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
De Officier van Justitie in het Arrondissementsparket Gelderland,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank na een referteverklaring van betrokkene een aanvullende zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden. In cassatie wordt geklaagd dat de rechtbank heeft beslist na het verlopen van de wettelijke beslistermijn van drie weken, zodat zij geen aansluitende zorgmachtiging kon verlenen voor de duur van twaalf maanden, maar slechts voor de duur van zes maanden.
1.2
Naar mijn mening slaagt het cassatieberoep. De kwestie van het overschrijden van de wettelijke beslistermijn (na referteverklaring van betrokkene) is meermaals in cassatie aan de orde geweest. Ik meen dat de Hoge Raad ook deze zaak zelf kan afdoen door te bepalen dat de zorgmachtiging geldt voor de duur van maximaal zes maanden.
2.Feiten en procesverloop [1]
2.1
Op 25 februari 2025 heeft de rechtbank Gelderland (hierna:
de rechtbank) ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met uiterlijk 25 augustus 2025. [2]
2.2
Bij verzoekschrift, binnengekomen op 4 juli 2025, heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om een aansluitende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene te verlenen voor de duur van twaalf maanden. Bij het verzoekschrift zijn diverse bijlagen gevoegd, waaronder de medische verklaring van de onafhankelijk psychiater, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur.
2.3
Op 14 juli 2025 heeft de rechtbank een e-mailbericht [3] van de advocaat van betrokkene ontvangen met een referteverklaring en een verzoek om de zaak schriftelijk af te doen.
2.4
Bij e-mailbericht van 15 juli 2025 [4] heeft de rechtbank de advocaat van betrokkene bericht akkoord te zijn met de referteverklaring.
2.5
De rechtbank heeft afgezien van een mondelinge behandeling en bij beschikking van 31 juli 2025 ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor diverse vormen van zorg voor de duur van twaalf maanden, geldig tot en met 31 juli 2026 (hierna: de bestreden beschikking).
2.6
Namens betrokkene is op 10 augustus 2025 [5] – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de bestreden beschikking. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bevat één onderdeel, dat zich richt tegen de beslissing van de rechtbank over de duur van de verleende machtiging. Volgens het onderdeel is het onbegrijpelijk dat de rechtbank een aansluitende zorgmachtiging heeft verleend voor de duur van twaalf maanden, nu de rechtbank de wettelijke beslistermijn heeft overschreden en om die reden slechts een zorgmachtiging had mogen verlenen voor de duur van zes maanden.
3.2
Het onderdeel wordt nader toegelicht onder 1.1 t/m 1.4 van de procesinleiding. Omdat de rechtbank niet binnen drie weken na ontvangst van het verzoek van de officier van justitie heeft beslist, was de bestaande zorgmachtiging vervallen en kon daarom geen vervolgmachtiging worden verleend voor de duur van twaalf maanden (1.1). Nu de rechtbank op 31 juli 2025 op het verzoek van 4 juli 2025 heeft beslist, was de bestaande machtiging al verlopen (1.2). De rechtbank kon enkel nog een zorgmachtiging verlenen voor de duur van zes maanden (1.3). De Hoge Raad heeft eerder beslist in een zaak van betrokkene waarin de rechtbank eveneens de wettelijke beslistermijn had overschreden. [6] Die zaak is door de Hoge Raad zelf afgedaan door te bepalen dat de betreffende zorgmachtiging slechts kon worden verleend voor maximaal zes maanden, hetgeen in de onderhavige zaak ook dient te gebeuren (1.4).
3.3
Ik stel het volgende voorop.
3.4
Artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden. Een zorgmachtiging die aansluit op een zorgmachtiging verleend voor zes maanden kan door de rechter worden verleend voor maximaal twaalf maanden (art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz).
3.5
Een zorgmachtiging vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken (art. 6:6 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvggz). Indien de officier van justitie een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend voordat de geldigheidsduur ervan is verstreken, vervalt de eerdere zorgmachtiging, in afwijking van artikel 6:6 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvggz, van rechtswege [7] als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of door het verstrijken van de beslistermijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:6 lid 2 Wvggz Pro in verbinding met art. 6:2 lid Pro 1, aanhef en onder e, Wvggz). Bij inachtneming van deze termijnen is sprake van aansluiting van de vervolgmachtiging op de lopende machtiging als bedoeld in artikel 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, en kan de vervolgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden worden verleend. [8]
3.6
Ook na het verstrijken van de beslistermijn van artikel 6:2 lid Pro 1, aanhef en onder e, Wvggz kan de rechter nog beslissen op het verzoek om een zorgmachtiging. De rechter kan dan echter slechts op grond van artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz een zorgmachtiging verlenen voor de duur van maximaal zes maanden. Van een aansluitende zorgmachtiging is dan immers geen sprake omdat de voorgaande machtiging dan al is vervallen. [9]
3.7
Uit het voorgaande volgt dat het onderdeel gegrond is. In dit geval was de lopende zorgmachtiging verleend voor de duur van maximaal zes maanden, tot en met uiterlijk 25 augustus 2025. [10] De officier van justitie heeft op 4 juli 2025, dus (ruim) vóórdat de geldigheidsduur van de lopende zorgmachtiging zou verstrijken, een verzoekschrift voor een vervolgmachtiging ingediend. De advocaat van betrokkene heeft de rechtbank per e-mailbericht laten weten dat betrokkene zich refereerde aan het oordeel van de rechtbank, welk bericht de rechtbank heeft ontvangen vóór het verlopen van de termijn waarbinnen zij moest beslissen op het verzoek. [11] Die termijn bedroeg uiterlijk drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:2 lid Pro 1, aanhef en onder e, Wvggz). De rechtbank moest dus uiterlijk op 25 juli 2025 op het verzoek beslissen. Dat heeft de rechtbank niet gedaan. Het gevolg daarvan is dat de lopende machtiging van rechtswege is geëindigd op de dag na de laatste dag waarop de rechtbank haar beslissing had moeten geven, dus op 26 juli 2025 (art. 6:6 lid 2 Wvggz Pro in verbinding met art. 6:2 lid Pro 1, aanhef en onder e, Wvggz).
3.8
Gelet op het vorenstaande voert het onderdeel terecht aan dat de op 31 juli 2025 verleende zorgmachtiging niet aansluit op een eerdere zorgmachtiging. De rechtbank kon daarom de zorgmachtiging niet verlenen voor de duur van maximaal twaalf maanden, maar voor maximaal zes maanden.
3.9
De bestreden beschikking dient dan ook vernietigd te worden voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging zal worden verleend voor de duur van twaalf maanden. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen, zoals eerder in soortgelijke zaken ook is gedaan, door de duur van de verleende zorgmachtiging te beperken tot maximaal zes maanden, dus tot en met uiterlijk 31 januari 2026.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van de rechtbank Gelderland, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt voor de duur van maximaal twaalf maanden tot en met 31 juli 2026, en tot afdoening als hiervoor onder 3.9 vermeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De feiten en het procesverloop zijn ontleend aan de beschikking van de rechtbank Gelderland van 31 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7360 en het bijbehorende procesdossier.
2.Dit volgt onder andere uit het historisch overzicht (productie 9 van het procesdossier).
3.Productie 10 van het procesdossier.
4.Productie 11 van het procesdossier.
5.Door omstandigheden die los staan van deze zaak kon niet eerder dan heden worden geconcludeerd.
6.HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:86,
7.Zie hierover
8.Zie recent HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:398, alsmede HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:86,
9.Zie HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:86, r.o. 3.7, onder verwijzing naar HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1811, r.o. 3.7.
10.Zie o.a. het historisch overzicht (productie 9 van het procesdossier).
11.Zie producties 10 en 11 van het procesdossier.