ECLI:NL:PHR:2026:30
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Discrepantie tussen strafmotivering en strafoplegging in verkeerszaak
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep ingesteld door de verdachte, die door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 24 oktober 2023 is veroordeeld voor het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, zoals vastgelegd in artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte kreeg een taakstraf van veertig uren, met een subsidiaire straf van twintig dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk. De proeftijd werd in het dictum vastgesteld op drie jaar, terwijl de strafmotivering een proeftijd van twee jaren vermeldde. Dit leidde tot een kennelijke tegenstrijdigheid tussen de strafmotivering en het dictum van het hof.
De advocaat-generaal, T.N.B.M. Spronken, concludeert dat de Hoge Raad de strafoplegging kan verstaan in het voordeel van de verdachte, door de proeftijd van twee jaren te hanteren zoals vermeld in de strafmotivering. De conclusie stelt dat de Hoge Raad de zaak niet hoeft terug te verwijzen, omdat de bedoeling van het hof duidelijk is, ondanks de tegenstrijdigheid. De conclusie benadrukt ook dat de redelijke termijn voor berechting is overschreden, maar dat dit geen verdere rechtsgevolgen met zich meebrengt. De Hoge Raad zal de proeftijd van twee jaren bevestigen en het beroep voor het overige verwerpen.