ECLI:NL:PHR:2026:29

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
27 december 2025
Zaaknummer
23/04186
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belediging van politieagent door verdachte tijdens aanhouding

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van een verdachte die door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld voor belediging van twee politieagenten in functie. De verdachte, geboren in 1993, heeft op 3 september 2022 tijdens zijn aanhouding beledigende woorden geuit naar hoofdagent [verbalisant 1]. Het gerechtshof heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis. De advocaat van de verdachte heeft cassatie ingesteld en één middel van cassatie voorgesteld, gericht tegen de bewezenverklaring van de belediging. De verdediging stelt dat niet bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk beledigende woorden heeft geuit, omdat de woorden op een afstand van tien meter zijn geuit en niet kan worden vastgesteld dat deze specifiek gericht waren aan [verbalisant 1]. Het hof heeft echter geoordeeld dat er voldoende bewijs is voor de opzet van de verdachte, omdat hij zich omdraaide en [verbalisant 1] aankeek voordat hij de beledigende woorden uitsprak. De conclusie van de advocaat-generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen, omdat de bewijsconstructie niet in strijd is met de wet, ondanks de kritiek op de praktijk van het later aanvullen van bewijsmiddelen. De Hoge Raad zal uitspraak doen meer dan 24 maanden na de indiening van het cassatieberoep, wat een inbreuk vormt op het recht op een redelijke termijn van berechting. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04186
Zitting6 januari 2026
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 24 oktober 2023 (parketnr. 21-001570-23) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens belediging van twee politieagenten in functie veroordeeld tot een taakstraf van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis.
1.2
Deze zaak hangt samen met de zaak 23/04185 tegen dezelfde verdachte. Daarin zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat L.E.G. van der Hut heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel richt zich tegen de onder 2 bewezen verklaarde belediging. In het bijzonder wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat [verbalisant 1] in uniform was gekleed en evenmin dat de verdachte zich heeft omgedraaid en [verbalisant 1] heeft aangekeken toen hij de bewezen verklaarde bewoordingen heeft geuit.
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat:
“hij op 3 september 2022 te [plaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: “slet, manwijf”.”
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

Met betrekking tot de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten met parketnummer 16-225677-22
1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 september 2022, PL0900-2022259584-2, opgenomen op pagina 6 e.v. van het politiedossier met nummer 2022259587, inhoudende de verklaring van [verbalisant 2] :
Ik wens aangifte te doen tegen de verdachte genaamd [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] .
De verdachte heeft mij, in aanwezigheid van mijn collega achter in het dienstvoertuig tijdens het verplaatsen richting het politiebureau aan de [a-straat 1] te [plaats] en bij aankomst op de binnenplaats van het politiebureau, beledigd door meerdere uitlatingen te doen, die hij duidelijk richtte naar mij en mijn collega. Ik hoorde dat hij deze uitlatingen op luide toon riep. Ik hoorde dat hij de volgende uitlatingen deed: “jij sukkel” “jij kankersukkel”, “jij kankermongool”.
Deze uitlatingen heeft hij meerdere keren herhaald. Ik voelde mij onaangenaam door deze uitlatingen. Ik voelde een week gevoel in mijn benen en voelde dat mijn hartslag verhoogde. Ik voelde mij boos worden hierdoor.
Door deze uitlatingen voelde ik mij in mijn goede eer en naam aangetast. Bovendien wens ik niet op deze wijze als mens, maar zeker niet tijdens de uitoefening van mijn werk als inspecteur van politie Midden-Nederland, aangesproken en behandeld te worden.
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 september 2022, PL0900-2022259587-2, opgenomen op p. 9 e.v. van het politiedossier met nummer 2022259587, inhoudende de verklaring van aangeefster [verbalisant 1] :
Ik wens aangifte te doen tegen de verdachte genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] . De verdachte heeft mij, op 3 september 2022, omstreeks 07:15 uur, in aanwezigheid van mijn collega’s en het openbare publiek, 2 burgers, beledigd door meerdere uitlatingen te doen, die hij duidelijk richtte naar mij. Ik hoorde dat hij meerdere uitlatingen op luide toon riep. Ik hoorde dat hij de volgende uitlatingen deed: “slet” en “mannenwijf”. Dit was op een afstand van ongeveer tien (10) meter, toch kon ik het duidelijk verstaan door het volume van zijn stem.
Door deze uitlatingen voelde ik mij in mijn goede eer en naam aangetast.
Bovendien wens ik niet op deze wijze als mens, maar zeker niet tijdens de uitoefening van mijn werk als hoofdagent van politie Midden-Nederland, aangesproken en behandeld te worden.
Dit gedrag en deze uitspraken getuigen van weinig respect naar de mens en naar mij als politieambtenaar.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
3. Een in de wettelijke vorm ongemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2022, PL0900-2022259586-4, opgenomen op pagina 12 van het politiedossier met nummer 2022259587, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Op zaterdag 3 september 2022 waren wij verbalisanten belast met de incidentenafhandeling in [plaats] . We waren in uniform gekleed en reden in een opvallend dienstvoertuig. Tijdens deze aanhouding beledigde hij [verbalisant 1] onder andere met de woorden slet. Tijdens het transport van deze verdachte, beledigde de verdachte, mij [verbalisant 2] , meermaals met de woorden, mongool, kankermongool en sukkel.”
2.4
Het hof heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde het volgende overwogen:

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde belediging van [verbalisant 1] , omdat niet bewezen kan worden dat de bewoordingen opzettelijk zijn gebezigd. De woorden zijn op een afstand van 10 meter waargenomen en [verbalisant 1] stelt zonder nadere onderbouwing dat de woorden tot haar waren gericht.
Het oordeel van het hof
Het gerechtshof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het gerechtshof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Voor een bewezenverklaring van belediging van een verbalisant is (voorwaardelijk) opzet op de aanranding van zijn eer of goede naam vereist. Het opzet moet tevens zijn gericht op de persoon van de beledigde en — indien deze als ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening is beledigd — tevens op die omstandigheid. Het bewijs van het opzet kan uit de aard van de uiting worden afgeleid of uit de aard van de feitelijkheid of gedraging (zie HR 11 juni 2019, ECLl:NL:HR:2019:899; HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:501).
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte tijdens zijn aanhouding zich op een afstand van 10 meter omdraaide en in uniform geklede [verbalisant 1] aankeek. Vervolgens hoorde [verbalisant 1] de verdachte met harde, niet mis te verstane stem, schreeuwen: ‘Slet! Manwijf!’. Voorts zijn deze bewoordingen eveneens waargenomen door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .
Het gerechtshof komt tot het oordeel dat er aanmerkelijke kans was op het aanranden van de eer of goede naam van [verbalisant 1] . Doordat de verdachte zich tijdens zijn aanhouding omdraaide in de richting van [verbalisant 1] , haar begon aan te kijken en vervolgens de tenlastegelegde bewoordingen bezigde, wordt naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op het aanranden van de eer of goede naam van [verbalisant 1] in het leven geroepen. Het handelen van de verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het aanranden van de eer of goede naam van [verbalisant 1] , dat het naar het oordeel van het gerechtshof niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken. In het bijzonder acht het gerechtshof daarbij van belang dat de aangifte van [verbalisant 1] wordt ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .”
2.5
De in de bewijsoverweging genoemde omstandigheden dat (i) [verbalisant 1] in uniform was gekleed en (ii) dat de verdachte zich omdraaide en [verbalisant 1] aankeek waarna hij de bewezen verklaarde bewoordingen uitte, kunnen inderdaad niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Het middel klaagt daarover terecht.
2.6
Het probleem met de bewijsconstructie in de onderhavige zaak komt vaker voor in zaken waarin de bewijsmiddelen pas op een later moment worden uitgewerkt. Dat is op grond van art. 365a lid 1 Sv, waarin is bepaald dat de rechter kan volstaan met het wijzen van een verkort vonnis of arrest zolang daartegen geen rechtsmiddel is aangewend, tegenwoordig vaste praktijk. Het verkorte vonnis of arrest bevat in zo’n geval niet de inhoud van de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt. Pas op het moment dat hoger beroep of cassatie wordt ingesteld, komt de rechter weer in actie en moet het verkorte vonnis of arrest worden aangevuld met de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359 lid 3 Sv.
2.7
Jan Leijten, voormalig advocaat-generaal bij de Hoge Raad, schrijft in zijn boek, De binnenkant van het recht, dat hij deze praktijk altijd “afschuwelijk” heeft gevonden:
“De aanvulling op het verkorte vonnis bevat de bewijsmiddelen en die aanvulling komt pas als ze vereist is wegens hogere voorziening. Die kan onder bepaalde omstandigheden jaren na
het wijzen van het vonnis worden ingesteld, waarna de bewijsmiddelen uit het verre verleden moeten worden opgediept. Iedereen die binnen de rechterlijke macht op een bescheiden trede van die hoog reikende trap is begonnen weet welk een ellende het is, in een verstekzaak waarin jaren later hoger beroep wordt ingesteld, het officiële proces-verbaal op te stellen uit de onleesbare en primitieve aantekeningen die de zittende griffier van toen (nu waarschijnlijk al lang elders werkend of misschien dood en begraven) heeft nagelaten. Niet veel anders is het gesteld met de Aanvulling op het Verkort Vonnis. Die aanvulling raakt echter wel het hart van de zaak, want dat zit, bij een gewoon dier, tussen kop en staart.” [1]
Daarom is het wel eens moeilijk achteraf deze twee niet op elkaar aansluitende lichaamsdelen aan elkaar te passen, aldus Leijten.
2.8
Hoewel de kritiek op deze praktijk vanuit overwegingen van efficiëntie en besparing van werklast al lang is verstomd, bergt de werkwijze een zeker risico in zich. Dit doet zich vooral voor als het verkorte vonnis of arrest wel een bewijsoverweging van de rechter bevat waarin de rechter – al dan niet naar aanleiding van een door de verdediging ingenomen standpunt – uitlegt waarom het ten laste gelegde kan worden bewezen. Omdat zo’n bewijsoverweging verder geen wettelijke basis kent en de beslissing dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan volgens art. 359 lid 3 Sv moet steunen op de redengevende feiten en omstandigheden die uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijken, moet de rechter ervoor waken dat de feiten en omstandigheden waarop hij zich in zijn bewijsoverweging beroept ook zijn terug te voeren op de inhoud van de bewijsmiddelen. [2] Als de aanvulling met bewijsmiddelen veel later wordt opgemaakt, liggen foutjes op de loer.
2.9
Dat risico heeft zich in de onderhavige zaak verwezenlijkt. De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat de verdachte geen opzet had op de belediging en in dat kader aangevoerd dat de woorden op een afstand van tien meter zijn geuit en [verbalisant 1] zonder nadere onderbouwing stelt dat de woorden tot haar waren gericht. Het op 24 oktober 2023 gewezen verkorte arrest bevat naar aanleiding daarvan een bewijsoverweging over de onder 2 ten laste gelegde belediging van [verbalisant 1] . Daarin heeft het hof overwogen dat “[u]it de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte tijdens zijn aanhouding zich op een afstand van 10 meter omdraaide en in uniform geklede [verbalisant 1] aankeek”, waarna hij vervolgens met harde stem de bewezen verklaarde woorden schreeuwde. Op basis van die feiten en omstandigheden is volkomen begrijpelijk dat het hof het standpunt van de verdediging heeft verworpen. Het probleem is echter dat die feiten en omstandigheden niet (helemaal) zijn terug te voeren op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de op 13 februari 2024 opgemaakte aanvulling op het verkorte arrest. Het feit dat [verbalisant 1] in uniform was gekleed lijkt me daarbij nog van ondergeschikt belang, maar de omstandigheid dat de verdachte zich omdraaide en [verbalisant 1] aankeek is dat niet.
2.1
Na een blik achter de papieren muur wordt duidelijk wat er is misgegaan. In de later opgemaakte aanvulling op het verkorte arrest heeft het hof alleen het proces-verbaal van aangifte van [verbalisant 1] als bewijsmiddel opgenomen. Daarin staat als verklaring slechts dat de verdachte zijn woorden duidelijk richtte naar haar, naar aanleiding waarvan de verdediging vervolgens heeft betoogd dat dat verder niet door haar wordt onderbouwd. Het dossier bevat echter ook een proces-verbaal van bevindingen dat door [verbalisant 1] is opgesteld en waarin zij uitgebreid beschrijft wat er tijdens de aanhouding van de verdachte is voorgevallen. [3] Dat proces-verbaal is door het hof niet als bewijsmiddel in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen, maar – gelet op een aantal passages uit dat proces-verbaal – is evident dat het hof bij het uitschrijven van de in het verkorte arrest opgenomen bewijsoverweging het oog heeft gehad op dit proces-verbaal. Ik doel daarbij op de volgende passages:
“Op zaterdag 3 september 2022 was ik, [verbalisant 1] , belast met incident afhandeling voor het werkgebied [plaats] . Ik was werkzaam in uniform en samen met collega [betrokkene 1] .
[…]
Ik zag vervolgens dat collega [verbalisant 3] de verdachte richting zijn dienstauto liep. Op ongeveer een afstand van 10 meter zag ik dat de man zich omdraaide en mij aankeek. Ik hoorde de man met harde niet te verstaande stem schreeuwde: “SLET! MANWIJF!””
2.11
Het hof heeft nagelaten deze onderdelen van het proces-verbaal als bewijsmiddel op te nemen in de aanvulling op het verkorte arrest. Nu het in mijn ogen geen enkele twijfel lijdt dat het hof de verwerping van het verweer van de verdediging heeft gestoeld op de hierboven geciteerde passages uit het proces-verbaal van [verbalisant 1] , zal een nieuwe behandeling van de zaak er enkel toe leiden dat het hof alsnog doet wat het had behoren te doen. Fraai is het zeker niet, maar bij deze stand van zaken meen ik dat de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang heeft bij cassatie en dat terugwijzing van de zaak daarom achterwege kan blijven.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt bij gebrek aan belang en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. In het licht van de opgelegde taakstraf van twintig uren, kan de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en is er geen aanleiding om daar enig ander rechtsgevolg aan te verbinden. [4]
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Jan Leijten,
2.Daarop is in HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985,
3.Het gaat om het proces-verbaal van bevindingen van 3 september 2022 met nummer PL0900-2022259586-3 op pagina 14 en 15 van het dossier.
4.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.1.3.