ECLI:NL:PHR:2026:282

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
25/02099
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 WvggzArt. 3:2 lid 2 WvggzArt. 2:1 WvggzArt. 5 lid 1 WvggzArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt zorgmachtiging voor beperking gebruik communicatiemiddelen bij verplichte zorg

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag een zorgmachtiging verleend voor een periode van twee jaar aan betrokkene, die al meer dan vijf jaar verplichte zorg ontvangt vanwege schizofrenie en cannabisgebruik. Betrokkene maakte bezwaar tegen de duur van de machtiging en tegen de toevoeging van beperkingen op het gebruik van communicatiemiddelen binnen de verplichte zorg.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank bevoegd was om een machtiging voor twee jaar te verlenen, gezien de langdurige zorggeschiedenis en de medische situatie van betrokkene. De rechtbank heeft de noodzaak van verplichte zorg en de duur daarvan voldoende gemotiveerd, mede gelet op het risico van therapieontrouw en voortgezet cannabisgebruik.

Echter, de Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het gebruik van communicatiemiddelen als beperking binnen de verplichte zorg is opgenomen, terwijl betrokkene hiertegen uitdrukkelijk bezwaar maakte en er geen medische onderbouwing voor is gegeven. Daarom vernietigt de Hoge Raad dit onderdeel van de beschikking en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van deze zorgvorm.

De overige onderdelen van de zorgmachtiging blijven in stand, en de Hoge Raad benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij het opleggen van beperkingen die de persoonlijke vrijheid raken, in het bijzonder bij communicatiemiddelen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de zorgmachtiging voor zover deze het gebruik van communicatiemiddelen beperkt en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02099
Zitting20 maart 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene] ,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
de Officier van Justitie in het arrondissement Den Haag,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van twee jaar (betrokkene ontvangt gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaar reeds verplichte zorg). Betrokkene klaagt dat de rechtbank dit niet had mogen doen, omdat betrokkene inmiddels een medicatiedepot krijgt toegediend, waardoor zijn situatie is veranderd, althans in de toekomst mogelijk zal veranderen. Daarom wil hij dat de zorgmachtiging al na een jaar opnieuw wordt beoordeeld. Betrokkene klaagt verder dat de rechtbank aan de zorgvorm ‘het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten’ het gebruik van communicatiemiddelen heeft toegevoegd. Namens betrokkene is hier op de zitting uitdrukkelijk bezwaar tegen gemaakt maar de rechtbank is daar zonder redengeving aan voorbij gegaan.
1.2
Ik meen dat de eerste klacht faalt en de tweede klacht, die ziet op de motiveringsplicht van de rechter, slaagt. Ik concludeer tot gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking.
2.Feiten en procesverloop [1]
2.1
Bij verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 21 februari 2025, heeft de officier van justitie de rechtbank Den Haag (hierna:
de rechtbank) verzocht om een aansluitende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene te verlenen voor 24 maanden voor de volgende vormen van verplichte zorg:
- het toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis ter behandeling van een somatische aandoening;
- de behandeling van een somatische aandoening;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- het uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of bedrijfsruimte op gedrags-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- het controleren op de aanwezigheid van gedrags-beïnvloedende middelen;
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- het opnemen in een accommodatie.
2.2
Bij het verzoekschrift zijn onder andere overgelegd:
- de bevindingen van de geneesheer directeur van 20 februari 2025;
- het zorgplan/behandelplan van 31 januari 2025;
- de medische verklaring van 12 februari 2025 van de onafhankelijk psychiater;
- de niet-ingevulde zorgkaart;
- een historisch overzicht van 21 februari 2025;
- een informatierapport Wvggz van de politie van 15 januari 2025;
- een uittreksel Justitiële Documentatie van 15 januari 2025.
2.3
De rechtbank heeft de zaak mondeling behandeld op 7 maart 2025. Daarbij zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en twee zorgverleners. [2] Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. Daarin is onder meer het volgende vastgelegd (onderstreping hier en in de citaten hierna door mij toegevoegd; A-G):

Betrokkene:
(…)
Ik heb depotmedicatie daar ben ik het dan weer niet zo mee eens. Ik heb nog altijd geen vertrouwen in de farmaceutische industrie. Ik denk dat veel mensen in die industrie oneerlijk zijn. Ik denk dat er in de miljardenbusiness van de farmaceutische industrie geen fair play is. Daar komt bij dat medicatiegebruik veel nadelen en bijwerkingen heeft.
Over medicatie ben ik daarom niet zo positief. Ik zou het liever niet in mijn lichaam hebben.Ik krijg het nu in depotvorm in behoorlijk grote hoeveelheden toegediend. Mijn huidige medicatie valt me mee. Het valt wel aardig eigenlijk.
Mijn voorkeur blijft zijn om het eens een keer zonder medicatie te proberen.
(…)
[Sociaal psychiatrisch verpleegkundige]:
Betrokkene heeft last van een chronische psychose. Hij is nooit psychosevrij, wat volgens ons veel te maken heeft met de visie die hij aanhangt.
Zijn cannabisgebruik wekt psychoses op en houdt die in stand. Zonder cannabis zou hij veel minder last van psychotische klachten hebben. Zijn gebruik houdt hem helaas heel erg vast in de psychose.
(...)
Het blijven gebruiken van medicatie is belangrijk, zeker zolang betrokkene cannabis blijft gebruiken.De medicatie wordt betrokkene al vele jaren onder toezicht aangeboden en inmiddels ontvangt betrokkene medicatie in depotvorm.
Wij vragen de rechtbank de zorgmachtiging te verlenen voor de verzochte periode van twee jaar. Het jaarlijks verlengen van de zorgmachtiging is een stress veroorzakende factor voor betrokkene. Ook voor het volgen van het depot is het prettig als de machtiging voor twee jaar worden verleend.
(…)
Advocaat:
Betrokkene wil het liefst helemaal geen zorgmachtiging en zeker geen zorgmachtiging voor de duur van twee jaar. Betrokkene heeft zich meermaals aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. Wij zijn hier vandaag naar toe gekomen met name vanwege de gevraagde twee jaar, waar hij zich uitdrukkelijk tegen verzet. Betrokkene ervaart geen stress van de jaarlijkse verlengingen van de zorgmachtiging. Hij vindt de contactmomenten juist wel prettig en wil graag perspectief hebben dat het uiteindelijk ooit wel eens zonder zorgmachtiging zou kunnen. Twee jaar is voor betrokkene eindeloos lang. Het is niet proportioneel om betrokkene twee jaar lang een eventuele gedwongen opname boven het hoofd te laten hangen. Betrokkene is momenteel goed stabiel. Voor het monitoren van het depot is natuurlijk geen twee jaar nodig. Betrokkene is ingesteld op zijn depot, dat zijn werking al heeft.
Betrokkene is zelf ook best tevreden over de huidige medicatie, waar hij in vergelijking met eerdere medicatie weinig nadelen of bijwerkingen van ondervindt. Hij staat open voor het depot. Hiermee is een geheel nieuwe situatie is ontstaan en ligt een rechterlijk toetsmoment over een jaar om te zien of er mogelijkheden zijn voor vrijwillige zorg nog eens extra in de rede.
(…)
Er is geen grond om betrokkene bij het “aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen” te verhinderen gebruik te maken van zijn telefoon of hem die af te nemen. De rechtbank wordt gevraagd dat laatste niet toe te staan. Betrokkene heeft nog nooit misbruik gemaakt van zijn telefoon. Het beperken van het gebruik van communicatiemiddelen wordt bij toewijzing van deze zorgvorm niet althans door diverse rechters niet standaard geïncludeerd.”
2.4
Bij beschikking van 7 maart 2025 [3] (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene verleend tot en met 7 maart 2027 en dus voor twee jaar. De rechtbank heeft daartoe, voor zover in cassatie relevant, het volgende overwogen: [4]

Vormen van verplichte zorg
De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken en leiden de rechtbank tot het volgende oordeel over de gevraagde vormen van verplichte zorg.
(…)
De rechtbank [acht] de volgende vormen van verplichte zorg zonder meer noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
- toedienen van medicatie;
- verrichten medische controles;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.
(…)
De rechtbank volgt betrokkene niet in zijn wens om te bepalen dat het “aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, kan worden toegepast, met uitzondering van het gebruik van communicatiemiddelen”. Het is aan de zorgverleners om te bezien in hoeverre de onder deze vorm van verplichte zorg vallende onderdelen noodzakelijk zijn om ernstig nadeel van betrokkene te voorkomen.
Duur van de zorgmachtiging
De rechtbank overweegt dat is voldaan aan de voor het verlenen van een zorgmachtiging voor de duur van 24 maanden geldende wettelijke voorwaarde dat de betrokkene langer dan vijf jaar aansluitend verplichte zorg heeft ontvangen. De wens en hoop van betrokkene om ooit eens van de zorgmachtiging te worden bevrijd is invoelbaar. Maar voorzienbaar is dat de gedwongen zorg de komende 24 maanden noodzakelijk zal blijven.
De rechtbank heeft uit het gesprek op de zitting en de stukken geen aanwijzingen kunnen herleiden die aannemelijk maken dat de zorg binnen de termijn van twee jaar niet meer nodig zijn en betrokkene de noodzakelijke zorg op vrijwillige basis zal accepteren. De rechtbank gunt betrokkene perspectief, maar ziet af van het hem bieden van een zinledig perspectief en zal de zorgmachtiging verlenen voor de verzochte duur van 24 maanden.”
2.5
Namens betrokkene is op 8 juni 2025 [5] – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de bestreden beschikking. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatieberoep bevat twee onderdelen. Onderdeel I klaagt over de duur van twee jaar. Onderdeel II klaagt over het aanbrengen van beperkingen in het gebruik van communicatiemiddelen.
Onderdeel I
3.2
Het eerste onderdeel klaagt dat de beslissing van de rechtbank om de zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twee jaar onjuist, althans onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is. Uit de toelichting onder 1.2 begrijp ik dat de situatie van betrokkene sinds hij andere medicijnen (in de vorm van een medicatiedepot) krijgt toegediend die minder bijwerkingen veroorzaken, is veranderd, althans in de toekomst kan veranderen. Betrokkene wil daarom dat de noodzaak van de zorgmachtiging na een jaar opnieuw wordt beoordeeld en niet pas weer na twee jaar. Dat de jaarlijkse verlengingen van de zorgmachtiging bij betrokkene stress zouden veroorzaken, zoals de sociaal psychiatrisch verpleegkundige ter zitting heeft verklaard, strookt niet met het gegeven dat betrokkene zich in het verleden meermaals heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het verlen(g)en van de zorgmachtiging. De rechtbank heeft dan ook, gelet op artikel 2:1 Wvggz Pro en de positieve ervaringen van betrokkene met zijn nieuwe medicatie, de zorgmachtiging ten onrechte verleend voor de duur van twee jaar.
3.3
Art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz bepaalt dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor twee jaar, indien het een aansluitende zorgmachtiging betreft voor een persoon die gedurende de afgelopen vijf jaar verplichte zorg heeft ontvangen. In de wetgeschiedenis [6] is over de mogelijkheid voor de rechter om een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twee jaar onder meer het volgende opgenomen:
“Voor personen die gedurende een aaneensluitende periode van vijf jaar of langer gedwongen zorg op basis van een zorgmachtiging ontvangen, kan de rechter een zorgmachtiging met een looptijd van maximaal twee jaar afgeven (…). Waar helder is dat personen structureel en wellicht levenslang bepaalde vormen van zorg moeten gedogen om zoveel mogelijk «schadevrij» te kunnen functioneren, zal het niet altijd noodzakelijk zijn om jaarlijks een machtiging aan de rechter te vragen.”
3.4
Uit de procesinleiding maak ik op dat (terecht) niet wordt geklaagd dat de rechtbank art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz verkeerd zou hebben toegepast en daarom geen zorgmachtiging had mogen verlenen voor de duur van twee jaar. Uit het historisch overzicht van het Openbaar Ministerie volgt immers dat betrokkene gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaar gedwongen zorg heeft ontvangen (in ieder geval vanaf december 2020). [7] Het oordeel van de rechtbank zou desondanks onjuist zijn omdat de situatie van betrokkene is veranderd, althans mogelijk een andere situatie dan in het verleden kan opleveren, nu hij een medicatiedepot krijgt, waarover hij relatief tevreden is. Daarom wil betrokkene dat de zorgmachtiging na een jaar opnieuw wordt beoordeeld.
3.5
De klacht faalt. De rechtbank was zoals gezegd bevoegd om ingevolge art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twee jaar, nu is voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat betrokkene langer dan vijf jaar aansluitend verplichte zorg heeft ontvangen. Uit de motivering van de rechtbank volgt bovendien dat de rechtbank het standpunt van betrokkene met betrekking tot zijn visie op de medicatie/het medicatiedepot in de bestreden beschikking uitgebreid heeft weergegeven. In haar oordeel met betrekking tot de duur van de zorgmachtiging heeft de rechtbank de behoefte van betrokkene aan perspectief ook kenbaar meegewogen.
3.6
De rechtbank heeft voorts uitgebreid gemotiveerd waarom een zorgmachtiging voor de duur van twee jaar in dit geval desondanks noodzakelijk is. Uit de bestreden beschikking en de stukken in het dossier volgt immers dat betrokkene lijdt aan schizofrenie en een stoornis in het gebruik van cannabis. [8] Hoewel dat laatste een negatieve invloed heeft op de psychoses waaraan betrokkene lijdt, is hij niet voornemens met het gebruik van cannabis te stoppen. [9] Uit de medische verklaring volgt dat betrokkene vanwege deze stoornissen sinds ongeveer 13 jaar regelmatig wordt opgenomen. Betrokkene is bovendien in het verleden meermaals gestopt met zijn medicatie, waardoor zijn situatie verslechterde en hij gedwongen moest worden opgenomen. [10] Hij heeft bij de mondelinge behandeling van 7 maart 2025 (nogmaals) bevestigd dat hij het liefst met de medicatie wil stoppen. [11] In dit licht bezien is het oordeel van de rechtbank dat zij uit het gesprek op de zitting en de stukken in het dossier geen aanwijzingen heeft kunnen herleiden die aannemelijk maken dat de zorg binnen de termijn van twee jaar niet meer nodig zal zijn en betrokkene de noodzakelijke zorg op vrijwillige basis zal accepteren, voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.
3.7
Voor zover in cassatie wordt geklaagd dat er geen noodzaak zou zijn tot verplichte zorg (ongeacht de duur daarvan) faalt de klacht eveneens. Ten aanzien van de noodzaak tot verplichte zorg heeft de rechtbank het volgende overwogen (p. 4, 3e alinea):
“Het risico dat betrokkene de inname van zijn medicatie staakt, staat momenteel relatief op de achtergrond. Betrokkene is ingesteld op depotmedicatie en laat zorg toe. Naar het oordeel van de rechtbank is niettemin gebleken dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn, zodat verplichte zorg nodig is. De rechtbank neemt in aanmerking dat betrokkene, in weerwil van hetgeen zijn zorgverleners noodzakelijk vinden, wil stoppen met het gebruik van medicatie en doorgaan met het gebruik van cannabis. Betrokkene uit zich ambivalent over het nut en noodzaak van de medicatie. De door cannabisgebruik en therapieontrouw ingeluide periodes van psychotische decompensatie, gaan gepaald met het afhouden van zorg en/of verbale dreiging naar zijn ambulante zorgverleners. Er is een reëel risico dat betrokkene zonder verplichting om zorg te accepteren bij de GGZ uit beeld raakt.”
3.8
Voornoemde overweging van de rechtbank vindt steun in het zorgplan/behandelplan (dossierstuk 6), de medische verklaring (dossierstuk 5) en in hetgeen door betrokkene zelf of zijn advocaat ter zitting is verklaard (zie hiervoor, 2.3).
3.9
Het voorgaande brengt mee dat het eerste onderdeel faalt.
Onderdeel II
3.1
Onderdeel II richt zich tegen de beslissing van de rechtbank om betrokkene niet te volgen in zijn wens om te bepalen dat van de verzochte verplichte zorgvorm “
aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten” wordt uitgezonderd “
het gebruik van communicatiemiddelen” (zie voor de geciteerde rechtsoverweging hiervoor, 2.4 aan het slot ). Geklaagd wordt dat de rechtbank “het gebruik van communicatiemiddelen” ten onrechte heeft toegevoegd aan genoemde zorgvorm, nu dit punt in het behandelplan niet is gemotiveerd en de geneesheer-directeur op dit punt (slechts) verwijst naar het zorgplan. Ook heeft de advocaat van betrokkene ter zitting onder meer betoogd dat betrokkene nog nooit misbruik heeft gemaakt van zijn telefoon (zie hiervoor, 2.3 aan het slot). De rechtbank heeft de aanwezige zorgverleners ter zitting ook niet bevraagd op dit punt. Dat is – mede gelet op artikel 2:1 Wvggz Pro jo. artikel 5 lid 1 aanhef Pro en ander 3 en artikel 8 EVRM Pro – onbegrijpelijk. De rechtbank had deze zorgvorm dan ook niet mogen opleggen, nu geen argumenten zijn aangevoerd waaruit blijkt dat dergelijke zorg ooit eerder nodig is geweest en betrokkene hiertegen uitdrukkelijke bezwaar heeft gemaakt, aldus het tweede onderdeel.
3.11
Bij de bespreking van het tweede onderdeel stel ik het volgende voorop.
3.12
Maatregelen die als verplichte zorg kunnen worden toegepast, staan in art. 3:2 lid 2 Wvggz Pro limitatief opgesomd. [12]
3.13
In een uitspraak van 5 juni 2020 [13] heeft de Hoge Raad ten aanzien van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel en de motiveringsplicht van de rechter met betrekking tot de vormen van verplichte zorg waartoe zo’n machtiging zich uitstrekt het volgende geoordeeld:
“4.2.4 De rechter die een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel verleent, dient te motiveren dat voor de vormen van verplichte zorg waarvoor de machtiging wordt verleend, wordt voldaan aan de voorwaarde dat deze vormen van zorg noodzakelijk zijn om de crisissituatie af te wenden.
Indien in de medische verklaring van de psychiater is vermeld dat een vorm van zorg waarvoor een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel wordt verzocht, noodzakelijk is om de crisissituatie af te wenden (art. 7:2 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvggz), kan de rechter volstaan met een verwijzing naar die medische verklaring.
Indien echter de betrokkene bezwaar maakt tegen een bepaalde vorm van zorg, zal de rechter zijn beslissing op dat punt moeten motiveren.Zodanig bezwaar kan ertoe leiden dat de rechter de noodzakelijk geoordeelde zorg binnen een categorie van zorg zoals genoemd in art. 3:2 lid 2 Wvggz Pro, nader specificeert of beperkt, in het bijzonder indien het gaat om de ruim geformuleerde categorie genoemd onder a van die bepaling.”
3.14
Onder verwijzing naar deze uitspraak heeft de Hoge Raad in een uitspraak van 8 oktober 2021 [14] ten aanzien van een zorgmachtiging in gelijke zin geoordeeld (voetnoten weggelaten):
“3.3 De rechter die een zorgmachtiging verleent, dient te motiveren dat voor de vormen van verplichte zorg waarvoor de machtiging wordt verleend, is voldaan aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg.
De Hoge Raad heeft eerder ten aanzien van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel overwogen dat de rechter daarbij kan volstaan met een verwijzing naar de medische verklaring van de psychiater indien daarin is vermeld dat een vorm van zorg waarvoor de machtiging wordt verzocht, noodzakelijk is om de crisissituatie af te wenden. Indien echter de betrokkene bezwaar maakt tegen een bepaalde vorm van zorg, zal de rechter zijn beslissing op dat punt moeten motiveren.
Deze regel geldt ook voor de motivering van de beslissing tot het verlenen van een zorgmachtiging, met dien verstande dat bij die motivering niet alleen de medische verklaring, maar ook de overige stukken moeten worden betrokken die bij een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging zijn overgelegd (zie art. 5:17 lid Pro 3 e.v. Wvggz).Voor een zorgmachtiging geldt dus dat de rechter mag volstaan met een verwijzing naar de medische verklaring en de overige aan het verzoek ten grondslag liggende stukken indien daaruit voldoende duidelijk blijkt dat is voldaan aan de criteria voor en het doel van de verplichte zorg.
Indien echter de betrokkene bezwaar maakt tegen een bepaalde vorm van zorg, of de duur daarvan, zal de rechter zijn beslissing op dat punt moeten motiveren.
Zowel voor een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel als voor een zorgmachtiging geldt dat de rechter alleen behoeft in te gaan op een dergelijk bezwaar indien het voldoende is toegelicht.
3.15
Indien een betrokkene derhalve een voldoende toegelicht bezwaar maakt tegen een vorm van verplichte zorg, genoemd in artikel 3:2 lid 2 Wvggz Pro, of een onderdeel daarvan, kan dit ertoe leiden dat de rechter de noodzakelijk geoordeelde zorg binnen een categorie van zorg zoals genoemd in deze bepaling, nader specificeert of beperkt. [15]
3.16
Ik keer terug naar de bespreking van het tweede onderdeel.
3.17
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking verschillende vormen van verplichte zorg opgelegd, waaronder de zorgvorm onder art. 3:2 lid Pro 2, onder h, Wvggz. [16] Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling volgt dat de advocaat van betrokkene heeft betoogd dat er geen grond is om betrokkene te verhinderen gebruik te maken van zijn telefoon of hem die af te nemen. De advocaat heeft de rechtbank daarom gevraagd met betrekking tot de verzochte zorgvorm “
het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten” uit te sluiten “
het gebruik van communicatiemiddelen”. [17]
3.18
Nu namens betrokkene een in mijn ogen voldoende toegelicht bezwaar is gemaakt tegen (een gedeelte) van de hiervoor genoemde vorm van zorg, had de rechtbank haar beslissing op dit punt moeten motiveren (zie de onder 3.13 t/m 3.15 hiervoor aangehaalde rechtspraak). Dat heeft de rechtbank gedaan, in die zin dat de rechtbank het verzoek van betrokkene heeft afgewezen en daartoe heeft overwogen dat “
het aan de zorgverleners is om te bezien in hoeverre de onder deze vorm van verplichte zorg vallende onderdelen noodzakelijk zijn om ernstig nadeel van betrokkene te voorkomen”. Hoewel dit niet onjuist is, in die zin dat het voor het daadwerkelijk toepassen van een bij zorgmachtiging toegestane vorm van verplichte zorg vereist is dat de zorgverantwoordelijke een beslissing neemt op grond van art. 8:9 Wvggz Pro [18] , acht ik deze motivering in het licht van de strekking van het bezwaar van betrokkene ontoereikend. De rechtbank legt daarmee namelijk niet uit waarom onder “
het aanbrengen van beperkingen om het eigen leven in te richten”ook
“het gebruik van communicatiemiddelen” dient te vallen teneinde het (dreigend) ernstig nadeel voor betrokkene weg te nemen.
3.19
Daarbij is nog van belang dat zowel in het zorgplan/behandelplan [19] als in de medische verklaring [20] niet wordt toegelicht waarom deze specifieke vorm van zorg, althans het gedeelte dat ziet op het gebruik van communicatiemiddelen, noodzakelijk is om het (dreigend) ernstig nadeel voor betrokkene weg te nemen. De overige stukken in het dossier bevatten evenmin een (nadere) toelichting op dit punt.
3.2
Het voorgaande brengt met zich dat onderdeel II slaagt. Dit betekent overigens niet dat de zorgmachtiging als zodanig niet had mogen worden verleend, nu daarover in cassatie niet (met succes) is geklaagd. Daarom meen ik dat er aanleiding bestaat voor een
gedeeltelijkevernietiging van de bestreden beschikking, namelijk uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat onder de bij wijze van verplichte zorg te treffen maatregel “het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten” ook valt “het gebruik van communicatiemiddelen”. [21] Na terugwijzing dient de rechtbank in beginsel over dat onderdeel van het verzoek van de officier van justitie opnieuw te oordelen.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van de rechtbank Den Haag, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat onder de bij wijze van verplichte zorg te treffen maatregel “het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten” ook valt “het gebruik van communicatiemiddelen”, en tot terugwijzing naar die rechtbank.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De feiten en het procesverloop zijn ontleend aan de beschikking van de rechtbank Den Haag van 7 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13733.
2.Naar ik begrijp waren dat een verpleegkundige (VPK) en een sociaal psychiatrisch verpleegkundige (SPV).
3.Rb. Den Haag, 7 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13733 (schriftelijk uitgewerkt op 28 maart 2025).
4.Rb. Den Haag, 7 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13733, p. 4, 4e en 6e alinea en p. 5, 2e en 3e alinea.
5.Door omstandigheden die los staan van deze zaak kon niet eerder dan heden worden geconcludeerd.
7.Zie dossierstuk 8 van het aanvullend dossier dat namens betrokkene is overgelegd.
8.Zie o.a. de medische verklaring van 12 februari 2025, rubriek 4 onder b en f.
9.Zie o.a. de medische verklaring van 12 februari 2025, rubriek 4 onder b, 2e alinea en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 7 maart 2025, p. 2 onder “Betrokkene”.
10.Zie de medische verklaring van 12 februari 2025, rubriek 4 onder b.
11.Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 7 maart 2025, p. 1, 2e alinea.
12.Zie o.m. M.A.J.M. van Sprundel-Jansen, Sdu Commentaar verplichte zorg, art. 3:2 Wvggz Pro, par. 3 (publicatiedatum 6 januari 2026).
13.HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, r.o. 4.2.4,
14.HR 8 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1475, r.o. 3.3,
15.Zie ook HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:284, r.o. 3.2,
16.Zie de bestreden beschikking, p. 4, 6e alinea.
17.Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 7 maart 2025, p. 3, laatste alinea.
18.Daartegen staat geen beroep open bij de rechtbank. Wel kan de patiënt daarover een klacht indienen op de voet van art. 10:3 Wvggz Pro.
19.Zie zorgplan/behandelplan van 31 januari 2025, rubriek 7 onder b (“
20.Zie medische verklaring van 12 februari 2025, rubriek 7 onder g.
21.Vgl. nogmaals HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:284, r.o. 3.2,