ECLI:NL:PHR:2026:263
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert gevangenisstraf moord na overschrijding redelijke termijn
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag op 18 december 2024 veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf en TBS wegens moord op zijn partner. De veroordeling was gebaseerd op bekennende verklaringen en ondersteunend bewijs zoals het badjaskoord waarmee het slachtoffer werd gewurgd.
De verdediging stelde in hoger beroep meerdere verzoeken tot aanvullend onderzoek, waaronder het horen van een getuige, identificatie van personen op camerabeelden en DNA-onderzoek op het moordwapen. Het hof wees deze verzoeken af omdat het alternatieve scenario onvoldoende aannemelijk was en het bewijs de verdachte als dader overtuigend aanwees.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de afwijzing van de onderzoeksverzoeken voldoende heeft gemotiveerd en dat het bewijs de schuld van de verdachte wettig en overtuigend vaststelt. Ook het oordeel over het bestanddeel voorbedachte raad is zorgvuldig gemotiveerd. Wel is de redelijke termijn overschreden omdat de verdachte gedurende het hoger beroep in voorlopige hechtenis verbleef en de zaak niet binnen 16 maanden werd afgerond.
De Hoge Raad vernietigt daarom het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en vermindert deze naar bevind van zaken, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen. De zaak wordt niet terugverwezen om verdere vertraging te voorkomen en het belang van de nabestaanden en samenleving te dienen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het beroep voor het overige.