Conclusie
2.Feiten
3.Procesverloop
fishing expeditionzou worden (rov. 7-8).
fishing expedition. Dat onderzoek heeft voorts geen rechtstreekse betrekking op eventuele commerciële bedrijfsgeheimen van derden, maar ziet vooral op de rol van [verzoeker] zelf (rov. 4.8). Dat betekent dat het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor in beginsel dient te worden toegewezen, althans voor zover de vragen in het onderzoek, direct of indirect, betrekking hebben op mogelijk onrechtmatige handelingen aan de zijde van [verzoeker] (rov. 4.9).
4.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Alblasserdam Yachtbuildingvolgt dat in een dergelijk geval art. 188 lid 2 Rv Pro (oud) gedurende de gehele procedure van toepassing blijft op zowel de mogelijkheid van, als de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen. [5]
5.Bespreking van het cassatiemiddel
vervolgensnog inhoudelijk uit te laten over het gewijzigde verzoek. Inderdaad is in de bepaling vermeld dat degene die bezwaar maakt tegen een vermeerdering of verandering van het verzoek en
op dit bezwaar een beslissing wil verkrijgen alvorens verder te procederen,dit bezwaar zo spoedig mogelijk kenbaar moet maken. Die zinsnede veronderstelt echter dat er nog verder geprocedeerd gaat worden, dus dat er nadere proceshandelingen zullen worden verricht en de zaak nog niet voor uitspraak staat. Zo is het denkbaar dat op het moment dat een belanghebbende zijn verzoek vermeerdert of verandert, het verweerschrift nog moet worden ingediend (art. 361 lid 3 Rv Pro) of de mondelinge behandeling nog moet plaatsvinden (art. 361 lid 1 Rv Pro).
verder procederenals bedoeld in art. 1.1.2.7 van het procesreglement geen sprake. [verzoeker] kon aan die bepaling dan ook geen recht ontlenen om, nadat hij in de gelegenheid was gesteld om zich bij akte uit te laten over het gewijzigde verzoek van Tradin, bij een toewijzende beslissing van het hof opnieuw een akte te kunnen nemen waarin hij zich alsnog inhoudelijk zou kunnen uitlaten over het gewijzigde verzoek.
subonderdeel 1.3heeft het hof het recht op hoor en wederhoor zoals neergelegd in art. 6 EVRM Pro en art. 19 Rv Pro geschonden, door [verzoeker] niet in de gelegenheid te stellen om te reageren op het gewijzigde verzoek van Tradin. Onjuist is het oordeel van het hof in rov. 4.4 dat het gewijzigde verzoek geen wijziging aanbrengt in het door Tradin gestelde feitencomplex dat ten grondslag is gelegd aan het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor, en dat er redelijkerwijs geen misverstand bij [verzoeker] over kan bestaan dat het getuigenverhoor op die vermeende feiten betrekking zal hebben. Het was namelijk niet aan het hof maar aan [verzoeker] om zich uit te laten over het gewijzigde verzoek. Het hof had [verzoeker] dan ook de gelegenheid moeten bieden verweer te voeren tegen de nieuwe voorgenomen getuigen en hun rol bij het gestelde feitencomplex.