Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beoordeling van het middel
5.Beslissing
17 mei 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de bisschop cassatie ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam, waarin het hof het verzoek van [verweerder] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor gedeeltelijk toewijst. [Verweerder] stelt dat de bisschop onrechtmatig heeft gehandeld door hem te betichten van imprudent gedrag jegens minderjarigen en kwetsbaren, en dat deze beschuldigingen via een brief aan de Congregatie zijn verspreid, wat smaad en/of laster oplevert.
De rechtbank wees het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor af, maar het hof vernietigde deze beslissing en gaf toestemming voor het verhoor van getuigen, waaronder de bisschop, de kardinaal en [verweerder] zelf. Het hof oordeelde dat het getuigenverhoor relevant is om duidelijkheid te verkrijgen over de intrekking van de brief van 14 februari 2019, die mondeling maar niet schriftelijk aan de Congregatie zou zijn meegedeeld.
De bisschop stelde in cassatie dat het hof buiten het toepassingsgebied van art. 186 Rv Pro is getreden, omdat de vordering van [verweerder] uitsluitend in een kerkelijke rechtsgang kan worden ingesteld op grond van het kerkelijke statuut (art. 2:2 BW Pro). De Hoge Raad overweegt echter dat uit de stellingen van de bisschop niet blijkt dat de civiele rechter niet bevoegd is, zodat het hof terecht het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor heeft toegewezen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt de bisschop in de proceskosten. Hiermee wordt bevestigd dat een verzoek tot voorlopig getuigenverhoor niet per definitie buiten het toepassingsgebied van art. 186 Rv Pro valt wanneer een kerkelijke rechtsgang openstaat, mits de civiele rechter ook bevoegd is.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontvankelijkheid van het voorlopig getuigenverhoor ondanks het bestaan van een kerkelijke rechtsgang.