ECLI:NL:PHR:2026:22

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
24/01870
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep tegen veroordeling voor opzettelijk aanwezig hebben van hennep in woonboot

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van de verdachte, die op 26 april 2024 door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien dagen wegens opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 28,7 kilogram hennep in de kelder van een woonboot. De advocaat van de verdachte heeft cassatie ingesteld, waarbij werd geklaagd dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd was. Het hof oordeelde dat de verdachte zich bewust was van de hennep in de woonboot, maar de verdediging betwistte dat de verdachte over de hennep kon beschikken. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, T.N.B.M. Spronken, concludeerde dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd was en dat er onvoldoende bewijs was voor de beschikkingsmacht van de verdachte over de hennep. De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het hof en terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe behandeling van de zaak.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01870
Zitting6 januari 2026
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 26 april 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-004694-19) wegens “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien dagen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben een middel van cassatie voorgesteld, waarin wordt geklaagd dat de bewezenverklaring dat de verdachte opzettelijk hennep aanwezig heeft gehad ontoereikend is gemotiveerd.

2.De bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 23 maart 2015 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 28,7 kilogram hennep (drooggewicht).”
2.2
De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1500-2015089571-16 van 23 maart 2015, met fotobijlage, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 92-103].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op maandag 23 maart 2015 omstreeks 05:15 uur was ik tezamen met mijn collega [verbalisant 3] , met noodhulp belast in een opvallend surveillance voertuig en in opvallend politie-uniform gekleed.
Ik hoorde dat de 0650 eenheid door de centrale meldkamer van politie eenheid Den Haag werd gestuurd naar de [a-straat] alwaar bij een bedrijfspand een optisch alarm af zou gaan.
Ter plaatse hoorde ik van collega’s dat deze een man staande hadden gehouden die zich daar verdacht had opgehouden en zich niet kon legitimeren, waarop de collega’s de man hadden aangehouden ter zake wet-ID. Ter plaatse op de [a-straat] rook ik in de gehele straat een geur die ik ambtshalve herkende als afkomstig van hennep.
Ik hoorde meerdere collega’s zeggen dat zij dezelfde hennepgeur roken. Ik rook dat de hennepgeur het sterkst rook voor een woonboot aan de [a-straat] perceelnummer [1] .
Ik hoorde hoofdagent van de politie eenheid Den Haag [verbalisant 4] zeggen dat hij een spoor van hennepresten op de grond zag liggen welke liepen tot aan de deur aan de voorzijde van de woonboot. Ik zag de hennepresten daadwerkelijk op de grond liggen.
Tijdens het forceren van de deur werd deze geopend door een man welke later bleek te zijn, verdachte [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats] .
Ik rook bij het betreden van de woonboot direct een zeer sterke henneplucht. Ik zag dat er in de gang op de begane grond zich een trap bevond welke toegang gaf tot een kelder. In de kelder trof ik een ruimte aan die ik zou omschrijven als een “droogruimte” voor hennep. Ik zag dat er in de ruimte meerdere zakken lagen welke gevuld waren met hennepbladeren.
Ik ben hierop naar de bovenverdieping van de woning gelopen. Ik zag dat er in beide kamers, welke waren ingericht als slaapkamers en waarin door collega’s meerdere verdachten zijn aangehouden, kleding op de grond lag. Ik rook dat deze kleding naar hennep rook.
2. Een proces-verbaal met nummer PL1500-2015089571-N van 24 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina's 118-121].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op maandag 23 maart 2015 heb ik ter plaatse op het adres [a-straat 1] te [plaats] en later in het Bureau Forensische Opsporing (BFO) te Voorburg, de op maandag 23 maart 2015 bij dit adres aangetroffen en in beslag genomen partij hennep onderzocht.
Middels een luik en een houten trap kwam ik onderin de woonboot. Onderaan de trap zag ik een paar handschoenen en een jas. Ik rook dat ze sterk riekten naar hennep.
Ik zag verse groene bladresten van een hennepplant.
Onderin de woonboot zag ik een tweetal ruimtes. In een van deze ruimtes zag ik een viertal plastic zakken en een geruite boodschappentas. Ik zag dat hierin verse hennepplanten zaten. Tevens rook ik de karakteristieke geur van hennep. Ik zag dat hier 4 plastic zakken waren. In deze zakken zag ik afgeknipte hennepplanten in volle bloei. Ik zag dat het hier de vrouwelijke hennepplanten van het geslacht Cannabis betrof. Omdat niet was vast te stellen hoeveel planten dit waren, is door mij het gewicht van de hennepplanten vastgesteld. In totaal betreft dit 114,80 kilogram hennep.
Omdat de delen nog vers en derhalve vochtig waren, moet het droge eindgewicht worden bepaald. Het is mij, verbalisant, uit jarenlange ervaring bekend dat het maximum gewichtsverlies na volledige droging op maximaal 75% kan worden geschat. Ik kan de voor verdachte meest gunstige bepaling toepassen en het gewichtsverlies door indroging derhalve op 75% stellen. Dat betekent dat het totaal droge eindgewicht van de aangetroffen hennep als volgt kan worden bepaald: 114,80 kilogram - 86,1 kilogram (75%) = 28,7 kilogram.
De bovenstaande hennep is vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet en verboden in artikel 3 en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet.
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL 1500-2015089571-42 van 23 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] [doorgenummerde pagina’s 137-139].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op voornoemde datum tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :
Op een gegeven moment zag ik mijn nichtje [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) weer voor de deur staan met een andere jongen. Ik deed open.
Ik hoorde van [verdachte] dat een van de jongens buiten met de politie stond te praten. Ik begreep dat hij helemaal naar de weed stonk. Naast [verdachte] en die jongen zijn er nog twee anderen binnen gekomen. Ze hebben zich allemaal bij mij in huis verstopt.
4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1500-2015089571-58 van 24 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] [doorgenummerde pagina’s 140-142].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op voornoemde datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :
Ik kan verder nog verklaren dat mijn nichtje [verdachte] samen met haar vriend [betrokkene 2] in de nacht van afgelopen zondag op maandag (het hof begrijpt: op 23 maart 2015) bij mij langs zijn gekomen met een bus. Zij had mij eerst een app gestuurd om te vragen hoe het met mij was. [verdachte] vertelde mij toen ze met [betrokkene 2] in de auto bij mij voor de deur stond.
Ongeveer een uur later kwam [betrokkene 2] met die bus weer bij mijn woonark. [betrokkene 2] begon een hele grote zak uit de bus te trekken. Ik zag dat de zak helemaal vol zat met hennep. Ik heb [betrokkene 2] geholpen die zak mijn woonark in te trekken. [betrokkene 2] heeft toen die zak de trap afgegooid naar beneden in de woonark. Mijn hele woonark zat helemaal onder de hennep en ik heb vervolgens alle hennep opgeruimd en in dat hok beneden in mijn woonark gelegd. [betrokkene 2] was vervolgens weer weggegaan en weer wat later stond [verdachte] weer bij mij voor de deur. Ik heb haar toen binnen gelaten. Even later was er ineens nog een andere man, die kennelijk achter [verdachte] aan naar binnen was gekomen.
Kort nadat [verdachte] binnen was gekomen, zei die andere man: “Volgens mij hebben ze [betrokkene 2] , hij liep met de politie te praten, maar die stinkt als de tyfus naar de wiet”.
Ik denk dat jullie naast mijzelf vier personen in mijn woonark hebben aangehouden. Dit zijn [verdachte] , de man die kort na haar binnen kwam en twee andere mannen die via de tuin naar binnen zijn gekomen.
5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1500-2015089571-90 van 27 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina’s 168-169].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Aantreffen verdachten in woning [a-straat 1] .
Naar aanleiding van het aantreffen van een grote hoeveelheid verdovende middelen in de woning [a-straat 1] , werd voorgenoemde woning op maandag 23 maart 2015 omstreeks 06:00 uur betreden en kan ik het volgende verklaren:
Nadat de woning werd betreden, zag ik dat een man naar later bleek de verdachte [betrokkene 1] , naar buiten kwam lopen. Nadat [betrokkene 1] was aangehouden, ben ik tezamen met collega’s de trap opgelopen naar de eerste etage. Aangekomen bovenop de trap, zag ik rechts van mij vanuit een slaapkamer een vrouw, naar later bleek de verdachte [verdachte] , komen lopen. In de slaapkamer waar zij uitkwam, trof ik in bed een man, naar later bleek de verdachte [betrokkene 3] aan.
Vervolgens zag ik dat collega’s vanaf de trap links een slaapkamer binnen gingen. Ik hoorde dat zij daar tevens twee verdachten, naar later bleek de verdachten [betrokkene 4] en [betrokkene 5] , hadden aangehouden.
6. Een proces-verbaal Whatsapp [betrokkene 1] - [verdachte] van 21 april 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] [doorgenummerde pagina’s 223-225].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Naar aanleiding van de verklaring van de verdachte [betrokkene 1] werd in diens inbeslaggenomen mobiele telefoon de whatsapp geschiedenis opgezocht van de 23ste maart 2015 tussen hem en de aangehouden verdachte [verdachte] .
Om 01:14 uur vraagt [betrokkene 1] : “Kan ik iets voor je doen”.
Om 01:38 uur zegt [verdachte] : “Sta voor je deur, oompie”.
7. De verklaring van de getuige [betrokkene 2] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2024.
Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:
De verdachte (het hof begrijpt: [verdachte] ) was op 23 maart 2015 wel op woonboot. Zij kwam aanlopen met haar neefje (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ). Dit was iets eerder dan om 05.00 uur ’s ochtends. Zij wilden mij tegenhouden. Ik was kwaad op [betrokkene 4] , dat hij mijn bus had gepakt. De verdachte heeft mij tegengehouden in de keuken op de woonboot. Ik weet niet waar zij vandaan kwamen in de woonboot, maar daar hielden zij mij tegen. Zij moeten binnen geweest zijn. Ik denk dat de verdachte een pyjama aan had.”
2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring het volgende overwogen.
“De verdediging heeft het hof verzocht om tot een vrijspraak te komen van dit feit nu verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de hennep, laat staan enige beschikkingsmacht daarover had.
Het hof stelt vast dat de verdachte is aangetroffen in een slaapkamer op de woonboot van medeverdachte [betrokkene 1] . In de kelder van deze woonboot bevond zich 114,8 kilogram natte hennep, met een drooggewicht van 28,7 kilogram. Blijkens het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] rook het zeer sterk naar hennep op de woonboot. Op meerdere plekken in en op de boot lag naar hennep ruikende kleding. Tot slot volgt uit het dossier dat de hennep op de woonboot zich in hetzelfde type zakken bevond als de hennep in de op het erf van de woonboot geparkeerde bestelbus en dat er een spoor van hennepresten liep tussen deze bus en de openslaande deuren van de woonboot. Dit doet de politie, en naar het oordeel van het hof terecht, concluderen dat de zakken hennep die betreffende nacht vanuit de bus de woonboot in zijn gebracht. De verdachte heeft verklaard niets te weten van de hennep omdat ze lag te slapen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is van oordeel dat onvoldoende vast is komen te staan dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van de hennep die in het busje is aangetroffen. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten voor het met de vereiste mate van zekerheid vaststellen van wetenschap en beschikkingsmacht bij de verdachte van de hennep in het busje, al dan niet in samenwerking met anderen. Daarnaast ziet het hof onvoldoende bewijs dat verdachte ten aanzien van de hennep in de woonboot heeft samengewerkt met anderen. Van deze onderdelen dient de verdachte dan ook te worden vrijgesproken.
Anders dan de verdediging stelt het hof echter wel vast dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van de 28,7 kilogram hennep (drooggewicht) die zich in de woonboot bevond. Gezien de geschetste omstandigheden kan het niet anders dan dat de verdachte zich op de (niet al te ruime) woonboot bewust is geweest van de grote hoeveelheid sterk ruikende hennep die in de woonboot aanwezig was. Juist omdat die hennep zich in haar nabije omgeving bevond en die nacht in meerdere zakken vanuit de bestelbus de woonboot is binnengebracht, wat met het nodige lawaai gepaard moet zijn gegaan, is het hof tevens van oordeel dat de verdachte over die hennep kon beschikken en daar dus beschikkingsmacht over heeft gehad. De verklaring van de verdachte dat zij lag te slapen en niets heeft gemerkt acht het hof reeds gezien het bovenstaande ongeloofwaardig, waar nog bij komt dat haar verklaringen tegenstrijdig ten opzichte van elkaar en van de verklaringen van medeverdachten zijn.”

3.Het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat uit de bewijsvoering niet zonder meer blijkt dat de verdachte wist van de hennep op de woonboot, en evenmin dat die hennep zich in haar machtssfeer heeft bevonden.
3.2
Bij de beoordeling van het middel is het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2021 van belang. [1] In dat arrest overwoog de Hoge Raad het volgende over het (opzettelijk) “aanwezig hebben” in de zin van art. 2, aanhef en onder C, en art. 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet.
“3.3.1 Het aanwezig hebben van verdovende middelen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet, geldt als misdrijf indien wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard dat sprake is van opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) op dat aanwezig hebben. Als dat opzet niet wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard, of als de situatie van artikel 11 lid 6 of lid 7 Opiumwet zich voordoet, levert het handelen in strijd met artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet een overtreding op.
3.3.2
Van “aanwezig hebben” als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het “aanwezig hebben” hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren (vgl. HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903) of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen (vgl. HR 23 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6985).”
3.3
In onderhavige zaak heeft de politie in de vroege ochtend van 23 maart 2015, op enig moment tussen 5.15 en 6.00 uur, een grote hoeveelheid natte hennep aangetroffen in een (droog)ruimte in de kelder van een woonboot van de getuige [betrokkene 1] , welke kelder middels een luik en een houten trap te bereiken was. De hennep zat in vier plastic tassen en een geruite boodschappentas.
3.4
Uit de bewijsmiddelen kan verder worden geleid dat de verdachte die nacht om 1.38 uur met haar vriend, de getuige [betrokkene 2] , in een bus bij de woonboot is langsgekomen. Volgens [betrokkene 1] , is deze [betrokkene 2] een uur later wederom met de bus bij de woonboot aangekomen, heeft hij toen één hele grote zak hennep uit een bus in de kelder gebracht, en is hij toen weer weggegaan. De verklaring van [betrokkene 1] houdt in dat de verdachte “weer wat later” die nacht – de getuige [betrokkene 2] spreekt over “iets eerder dan 5.00 uur” – weer bij de deur van de woonboot stond, in het bijzijn van een andere jongen. De verdachte heeft toen gezegd dat “een van de jongens met de politie stond te praten”. Daarna hebben ook twee andere mannen de woonboot betreden, waarbij één van de mannen heeft gezegd: “Volgens mij hebben ze [betrokkene 2] , hij liep met de politie te praten, maar die stinkt als de tyfus naar de wiet”. De vier personen, onder wie de verdachte, hebben zich blijkens de verklaring van [betrokkene 1] op de woonboot “verstopt”. De politie heeft vervolgens onder meer de verdachte aangehouden in een van de slaapkamers op de woonboot. In de slaapkamers lag kleding die volgens een verbalisant naar hennep rook.
3.5
Verder is van belang dat het hof heeft overwogen dat het onvoldoende bewijs ziet dat de verdachte “ten aanzien van de hennep in de woonboot heeft samengewerkt met anderen.” Het hof heeft dan ook bewezenverklaard dat de verdachte
als plegerde hennep op de woonboot opzettelijk aanwezig heeft gehad. In dat verband heeft het hof overwogen dat het gezien de “geschetste omstandigheden” niet anders kan dan dat de verdachte zich op de volgens het hof “(niet al te ruime) woonboot” bewust is geweest van de grote hoeveelheid sterk ruikende hennep die in de woonboot aanwezig was. Juist omdat die hennep zich in haar nabije omgeving bevond en die nacht in meerdere zakken vanuit de bestelbus de woonboot is binnengebracht, wat met het nodige lawaai gepaard moet zijn gegaan, is het hof tevens van oordeel dat de verdachte over die hennep kon beschikken en daar dus beschikkingsmacht over heeft gehad. De verklaring van de verdachte dat zij sliep en niets heeft gemerkt heeft het hof als ongeloofwaardig terzijde geschoven.
3.6
Ik meen dat het oordeel van het hof dat de verdachte de hennep op de woonboot opzettelijk aanwezig heeft gehad ontoereikend is gemotiveerd. Dat, zoals het hof op basis van de “zeer sterke henneplucht” op woonboot heeft geoordeeld, de verdachte wist dat de hennep op de woonboot aanwezig was, acht ik – anders dan de stellers van het middel – geen onbegrijpelijke conclusie. Maar dat de verdachte ook over de hennep kon beschikken kan ik niet zonder meer uit de bewijsvoering afleiden. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat enkel wetenschap van de aanwezigheid van hennep in een bepaalde (afgesloten) ruimte en zich daar niet van distantiëren, niet steeds voldoende is om “opzettelijk aanwezig hebben” aan te nemen, omdat daarmee de beschikkingsmacht niet zonder meer is gegeven. [2] In dit geval is van belang dat het hof heeft geoordeeld dat niet vaststaat dat de verdachte “ten aanzien van de hennep in de woonboot” heeft samenwerkt met anderen. In dat licht behoeft nadere motivering waarom de verdachte (niettemin)
als plegerheeft kunnen beschikken over de hennep die door [betrokkene 2] is binnengebracht in de kelder van de woonboot van [betrokkene 1] , toen de verdachte – toen de hennep zich al in de kelder bevond – een betrekkelijk korte periode van maximaal (ongeveer) een uur op de woonboot aanwezig was. Niet blijkt dat de verdachte (zelfstandig) toegang had tot de kelder van de woonboot van [betrokkene 1] , waardoor de door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de hennep zich in haar nabijheid bevond nog niet een toereikende motivering vormt. Dat geldt mijns inziens ook voor de overweging dat het binnenbrengen van de hennep met het nodige lawaai gepaard gegaan moet zijn, alleen al omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte op dat moment op (of in de omgeving van) de woonboot aanwezig was. De bewijsmiddelen bevatten verder een aantal opvallende omstandigheden, zoals het feit dat de verdachte in eerste instantie met [betrokkene 2] met de bus bij de woonboot is aangekomen, zij zich met drie anderen op de woonboot heeft verstopt en bij binnenkomst heeft gezegd dat “één van de jongens” met de politie stond te praten. Maar nu dit het hof niet heeft gebracht tot het oordeel dat de verdachte deelnemer was aan een samenwerkingsverband met (onder meer) [betrokkene 2] en/of [betrokkene 1] , is mij niet zonder meer duidelijk hoe deze omstandigheden zouden leiden tot de conclusie dat de verdachte kon beschikken over de hennep die door deze personen in de kelder van de woonboot is gebracht.

4.Slotsom

4.1
Het cassatiemiddel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945, rov. 3.3.2, NJ 2022/95 m.nt. J.M. Reijntjes.
2.Vgl. HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2089 en HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2861.