ECLI:NL:PHR:2026:118
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt beschikking inzake inhouding rijbewijzen wegens overschrijding termijn
De klager had zijn Nederlandse en twee buitenlandse rijbewijzen laten invorderen in verband met een verdenking van een verkeersovertreding. De officier van justitie besloot de rijbewijzen in te houden tot 27 februari 2026. De klager diende een klaagschrift in op grond van artikel 164 lid 8 WVW Pro 1994, strekkende tot teruggave van de rijbewijzen. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde dit klaagschrift op 9 april 2025 ongegrond.
De klager stelde cassatie in tegen deze beschikking. De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat de officier van justitie niet had voldaan aan het voorschrift van artikel 164 lid 6 WVW Pro 1994, dat bepaalt dat een ingevorderd rijbewijs moet worden teruggegeven indien binnen zes maanden na de dag van invordering geen terechtzitting is aangevangen of geen strafbeschikking is uitgevaardigd. Uit ingewonnen inlichtingen bleek dat er geen zitting had plaatsgevonden en geen strafbeschikking was uitgevaardigd, terwijl de termijn van zes maanden reeds was verstreken.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot het bepalen dat de officier van justitie de rijbewijzen onverwijld moet teruggeven. Tevens werd opgemerkt dat indien de Hoge Raad uitspraak doet na de uiterste inhoudingstermijn van 27 februari 2026, de klager geen belang meer heeft bij het cassatieberoep. De conclusie bevatte geen andere gronden voor vernietiging en het middel behoeft geen bespreking.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en bepaalt dat de officier van justitie de rijbewijzen onverwijld moet teruggeven wegens overschrijding van de zesmaandentermijn.