Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
14 april 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De klager had een klaagschrift ingediend tegen de inhouding van zijn rijbewijs op grond van artikel 164 lid 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, omdat hij werd verdacht van het veroorzaken van gevaar in het verkeer. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde dit klaagschrift ongegrond en weigerde de teruggave van het rijbewijs.
De klager stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en bepleitte dat de officier van justitie het rijbewijs onverwijld aan de klager zou moeten teruggeven.
Echter, uit de door de griffie van de Hoge Raad ingewonnen inlichtingen bleek dat het rijbewijs reeds op 16 februari 2026 aan de klager was teruggegeven. Hierdoor ontbrak het belang van de klager bij het cassatieberoep, waardoor de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaarde.
De beschikking werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 14 april 2026.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het rijbewijs reeds is teruggegeven en het belang van de klager is komen te vervallen.