ECLI:NL:PHR:2026:1

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
23/04359
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam inzake profijtontneming en terugwijzing voor herbehandeling

In deze zaak heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, P.H.P.H.M.C. van Kempen, geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam. De zaak betreft profijtontneming op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De betrokkene, geboren in 1970, was eerder veroordeeld voor het bedrijfsmatig telen van hennep. Het hof had vastgesteld dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel had verkregen van € 141.108,00, en had hem de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van € 136.108,00. De Procureur-Generaal betwistte de motivering van het hof, dat stelde dat buiten redelijke twijfel vaststond dat de betrokkene zich ook schuldig had gemaakt aan overtredingen van de Opiumwet in de periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam voor herbehandeling van de zaak. De zaak heeft samenhang met andere zaken, waaronder 23/04307 en 23/04299, waarbij eerder uitspraken zijn gedaan. De Procureur-Generaal heeft in zijn conclusie de feiten en omstandigheden uiteengezet die tot de conclusie leiden dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, en heeft de rol van de betrokkenen in de criminele organisatie belicht. De conclusie benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige beoordeling van de bewijsvoering en de motivering van het hof.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04359 P
Zitting6 januari 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de betrokkene

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 2 november 2023 (parketnr. 23-002510-20) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op € 141.108,00 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 136.108,00. Verder heeft het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/04307 en 23/04299. In de zaak 23/04307 concludeer ik vandaag. In de zaak 23/04299 heeft de Hoge Raad op 11 maart 2025 reeds uitspraak gedaan en is het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. E.A. Blok, advocaat in Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
De betrokkene in deze ontnemingsprocedure is in de strafzaak door de rechtbank onherroepelijk veroordeeld wegens, kort gezegd en voor zover van belang, het medeplegen van het bedrijfsmatig telen van hennep in de periode van 2 december 2015 t/m 23 december 2015. Het middel klaagt over de motivering en/of de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de betrokkene ook wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen uit hennepteelt in de periode voorafgaand aan de in de strafzaak bewezenverklaarde periode.
2.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak.

3.Het middel

3.1
Het middel houdt in dat het oordeel van het hof dat “buiten redelijke twijfel” staat dat de betrokkene zich in de periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode – vanaf 1 maart 2013 – eveneens schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet en dat de betrokkene uit deze feiten, het structureel knippen van hennep, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd.
3.2
De bestreden uitspraak van het hof houdt onder meer in (met overneming van voetnoten):

Veroordeling
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 april 2017 veroordeeld ter zake van - kort gezegd en voor zover hier van belang - het medeplegen van het bedrijfsmatig telen van hennep in de periode van 2 december 2015 tot en met 23 december 2015 (feit 2) en deelname aan een criminele organisatie, welke organisatie onder meer tot oogmerk had het bedrijfsmatig telen van hennep, in de periode van 20 juli 2015 tot en met 12 januari 2016 (feit 3).
Bij arrest van dit hof van 12 maart 2019 is de betrokkene in het door hem tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, zodat de veroordeling onherroepelijk is.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023 en 12 oktober 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
[…]
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 111.207,43. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de betrokkene - gelet op zijn coördinerende en sturende rol in de criminele organisatie - volledig meedeelde in de opbrengst van de hennepkwekerij in het pand aan [a-straat 1] in [plaats] . Daarbij gaat de advocaat-generaal uit van een samenwerkingsverband waarbinnen in totaal vijf personen een dusdanig zware rol hebben gehad dat het aannemelijk is dat zij in die opbrengst hebben gedeeld, te weten [medebetrokkene 1] , [medebetrokkene 2] , [medebetrokkene 3] , de [medebetrokkene 4] en de betrokkene. Omdat uit het dossier volgt dat [medebetrokkene 1] de grote man in de organisatie lijkt te zijn en verantwoordelijk zou zijn voor de financiering, dient aan hem drie zevende deel van de opbrengst te worden toegerekend en aan de overige personen een zevende deel. Bij de berekening van de (totale) opbrengst van de hennepkwekerij gaat de advocaat-generaal uit van een kweekperiode van 1 maart 2013 tot 23 december 2015, met dertien oogsten in kweekruimte 1 en veertien oogsten in kweekruimte 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht - zo begrijpt het hof - de vordering af te wijzen, nu de betrokkene geen, althans nagenoeg geen, wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de betrokkene meermalen heeft verklaard dat hij pas in juli 2015 bij de hennepkwekerij aan [a-straat 1] in [plaats] betrokken is geraakt en hij en de [medebetrokkene 4] die kwekerij hebben opgezet. Op dat moment was een bestaande oude kwekerij in de ruimte aanwezig. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat reeds vanaf 2013 op genoemde locatie hennep werd geteeld, laat staan dat de betrokkene daarbij enige betrokkenheid heeft gehad. Dat kan ook niet, gelet op (kort gezegd) de medische situatie van de betrokkene in die periode. Daarnaast heeft de betrokkene verklaard dat er vanaf de zomer van 2015 niets met de kwekerij is verdiend, omdat de eerste oogst is mislukt, de tweede oogst niet veel heeft opgeleverd en is gebruikt om investeerders (schulden) te betalen en de derde oogst door de politie is ontmanteld. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd - indien het hof de berekening van het Openbaar Ministerie volgt en aanneemt dat de betrokkene de gehele periode betrokken is geweest - dat aan [medebetrokkene 1] een groter deel, te weten vier negende van de opbrengst, dient te worden toegerekend en dat de [medebetrokkene 5] ook in de opbrengst heeft gedeeld, waardoor aan de betrokkene een negende deel dient te worden toegerekend.
Het oordeel van het hof
Grondslag
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en dit voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel verkregen uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen (artikel 36e lid 2 Sr).
De betrokkene is veroordeeld ter zake van het medeplegen van het bedrijfsmatig telen van hennep in de periode van 2 december 2015 tot en met 23 december 2015 in/vanuit een pand aan [b-straat 1] in [plaats] (knipperij), in/vanuit een pand man [c-straat 1] in [plaats] (drogerij) en in/vanuit een pand aan [a-straat 1] in [plaats] (kwekerij). Het hof is van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat de betrokkene zich in de periode voorafgaand aan deze bewezen verklaarde periode eveneens schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet, ten aanzien van de hennepkwekerij in het pand aan [a-straat 1] in [plaats] , en dat hij uit al deze feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof gaat, evenals het ontnemingsrapport, uit van een kweekperiode van deze kwekerij van 1 maart 2013 tot 23 december 2015, op grond van de volgende feiten en omstandigheden.
Aantal oogsten en betrokkenheid van betrokkene
Op 23 december 2015 is in een kelder in een pand aan [a-straat 1] in [plaats] een hennepkwekerij met twee kweekruimtes aangetroffen. In kweekruimte 1 stonden 313 potten. In deze potten hadden hennepplanten gestaan, waarvan een deel reeds was geknipt en een deel nog steeds in de kweekruimte lag. In kweekruimte 2 zijn 578 (potten met) hennepplanten aangetroffen. [1] Er zijn geen aanwijzingen dat de twee kweekruimtes afzonderlijk zijn opgebouwd. Wel is aannemelijk dat er een week verschil zat tussen de kweekcyclussen, omdat de hennepplanten in kweekruimte 1 op 23 december 2015 werden geknipt terwijl de hennepplanten in kweekruimte 2 maximaal een week oud waren. [2]
Het pand werd met ingang van 1 januari 2013 gehuurd op naam van [A] B.V., vertegenwoordigd door de [medebetrokkene 4] . De huurovereenkomst is gedateerd 22 december 2012. [3] De aangetroffen omstandigheden wijzen erop dat het pand specifiek ten behoeve van de hennepteelt werd gehuurd. Er zijn geen omstandigheden aangetroffen waaruit zou blijken dat er andere werkzaamheden in het pand werden verricht. De kwekerij was zeer professioneel opgezet. Hij was voorzien van een geheel geautomatiseerd irrigatiesysteem en her klimaat in de kweekruimtes werd volledig automatisch geregeld door twee opticlimates. [4]
Daarnaast zijn diverse goederen aangetroffen die zijn gebruikt voor het opbouwen van de kwekerij met een productiedatum daterend uit 2012 en januari 2013. Een aantal van deze goederen vallen onder de zogenoemde courante goederen, dat wil zeggen dat deze na de productie over het algemeen binnen een zeer korte tijd worden verkocht. De kweekruimtes waren opgebouwd uit OSB-platen van 8 november 2012,er waren pvc-buizen gebruikt van 16 juni 2012, de buizen die werden gebruikt voor de irrigatie in de kweekruimtes waren van 3 september 2012, het verwerkte water van de opticlimates werd afgevoerd met een pvc-buis van 16 januari 2013 en de buizen voor de elektrasnoeren van de assimilatielampen waren van 11 en 16 januari 2013. Bovendien zijn in een ruimte naast de kweekruimtes gebruikte bussen purschuim - dat in een ongeopende verpakking twaalfmaanden houdbaar is - aangetroffen met een productiedatum van 9 augustus 2012.
Verder lag er een dikke laag stof op de houten bovenzijde van de kweekruimtes. Deze stoflaag was niet verstoord. Ook lag er stof op koolstoffilters, kappen van armaturen van assimilatielampen, een stoffilter van een koolstofcilinder, aanwezige elektra en rotorbladen van ventilatoren. In beide kweekruimtes was - naast deze grote stofvervuiling - op het zeil en aan de onderzijde van de plantenpotten bovendien sprake van een extreme laag kalkafzetting. Voorts waren de houten latten waaraan de assimilatielampen waren opgehangen verkleurd. Ook het purschuim - dat onder invloed van UV licht langzaam wordt afgebroken - was ernstig verkleurd, waarbij de bovenlaag reeds was afgebroken. [5]
Het hof is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden erop duiden dat de hennepkwekerij begin 2013, direct na de aanvang van de huurovereenkomst van het pand, in de kelder is opgebouwd. Dat deze kwekerij pas in juli 2015 door de betrokkene en de [medebetrokkene 4] zou zijn opgezet, is ongeloofwaardig.
Dat het pand aan [a-straat 1] in [plaats] vanaf 1 januari 2013 specifiek voor de hennepteelt werd gehuurd, leidt het hof ook af uit de verklaring van de [medebetrokkene 5] , in combinatie met de onderzoeksbevindingen. Hij heeft verklaard dat hij in 2014 bij het knippen van hennep betrokken is geraakt en dat de betrokkene en de [medebetrokkene 4] degenen waren die ‘s ochtends de hennep(-planten) in blauwe olievaten kwamen brengen en die ‘s avonds de geknipte en gesealde henneptoppen in een grote boodschappentas kwamen ophalen. Hij wist dat [medebetrokkene 4] toen al een locatie op zijn naam had staan waar hennep werd gekweekt. Uit zijn verklaring blijkt verder dat hij in 2015 ook zelf een hennepkwekerij op zijn naam heeft gehad, althans in zijn kledingzaak " [B] ". “
Puur voor de hennep was deze kledingzaak opgezet. (…) De hennepkwekerij werd als een bedrijf vermomd. (…) zo gingen ze te werk” aldus [medebetrokkene 5] . Volgens hem ging het om bedrijven die eigenlijk niet bestonden. [medebetrokkene 1] had de leiding en hij heeft [medebetrokkene 4] horen zeggen dat hij bij [medebetrokkene 1] zijn belasting moest doen. [6] Deze verklaring van [medebetrokkene 5] wordt ondersteund door het feit dat [medebetrokkene 4] , die sinds 12 oktober 2012 enig aandeelhouder en bestuurder van [A] B.V. was [7] , het bedrijf van [medebetrokkene 1] heef overgenomen [8] en dit bedrijf nauwelijks omzet en winst maakte. In 2013 was de omzet € 30.449,-, in 2014 € 56.702,- en in 2015 € 48.982,-. In 2013 was de winst uit de onderneming € 13.500,-. [medebetrokkene 4] heeft bij de Belastingdienst opgegeven dat hij in 2015 € 11.981,- aan nettoloon heef ontvangen uit het bedrijf. In 2013 en 2014 heeft hij hieruit geen loon ontvangen. [9] Deze cijfers staan in schril contrast met de huurprijs van het pand aan [a-straat 1] in [plaats] van €21.000,- per jaar. [10] Daarnaast is in de woning van [medebetrokkene 1] aan [d-straat 1] in [plaats] , onder andere op een USB-stick, diverse (financiële) administratie van [A] B.V. aangetroffen. [11] Ook in een pand aan [e-straat 1] in [plaats] - welk pand in gebruik was bij (onder andere) [medebetrokkene 1] - is op een laptop (financiële) administratie van het bouwbedrijf aangetroffen, waaronder bankafschriften, [12] Op deze bankafschriften valt op dat rond de datum van de maandelijkse huurbetaling van het pand aan [a-straat 1] in [plaats] telkens een contante geldstorting plaatsvindt van een groter bedrag dan de maandelijkse huurprijs van € 1.750,-.
Er rekening mee houdend dat de opbouw van een hennepkwekerij als de onderhavige maximaal twee maanden zal duren [13] , gaat het hof gelet op het voorgaande uit van een kweekperiode van 1 maart 2013 tot 23 december 2015. Op basis van een kweekcyclus van tien weken, hebben er in kweekruimte 1 dertien gerealiseerde oogsten plaatsgevonden en in kweekruimte 2 veertien gerealiseerde oogsten.
Zoals vermeld, heeft de [medebetrokkene 4] , als vertegenwoordiger van [A] B.V., het pand op 22 december 2012 gehuurd met ingang van 1 januari 2013. Wat betreft de langer durende betrokkenheid van de betrokkene wijst het hof - naast op de reeds weergegeven verklaring van de [medebetrokkene 5] - voorts nog op het volgende. De [medebetrokkene 6] heeft in januari 2016 bij de politie verklaard dat zij ten behoeve van het knippen van hennep zogenoemde werktelefoontjes heeft gekregen van de betrokkene, al vanaf een jaar geleden ofzo. [14] De [getuige 1] - de bewoner van de knipperij aan [b-straat 1] in [plaats] - heeft verklaard dat in de kelder van zijn woning meermalen wiet is geknipt, acht à negen keer, en dat de betrokkene dit regelde. [getuige 1] verhuurde de kelder aan de betrokkene en heeft altijd met hem gecommuniceerd. Volgens [getuige 1] kwamen de betrokkene en [medebetrokkene 4] altijd samen in een busje. [15] Ter terechtzitting heeft de betrokkene verklaard dat de bij [getuige 1] geknipte hennep afkomstig was van [a-straat 1] in [plaats] en dat hij, samen met [medebetrokkene 4] , deze hennep in blauwe vaten met een busje daar naartoe heeft gebracht. [16] De [getuige 2] - een broer van de [medebetrokkene 5] , die ook hennep heeft geknipt - heeft verklaard dat hij meermalen hennep bij [getuige 1] heeft geknipt en dat hij daar ook de betrokkene en [medebetrokkene 4] heeft gezien. [17]
De verweren van de verdediging dat de betrokkene vanwege zijn medische situatie niet eerder betrokken kan zijn geweest en dat hij niets heeft verdiend aan de hennepteelt, zijn in het licht van hetgeen hierboven is overwogen onvoldoende onderbouwd en vinden geen steun in het dossier. Deze verweren worden door het hof verworpen.
Toerekening
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is het hof van oordeel dat het criminele samenwerkingsverband dat deelde in de opbrengst van de hennepkwekerij aan [a-straat 1] in [plaats] , naast de betrokkene en de [medebetrokkene 4] , mede bestond uit [medebetrokkene 1] en zijn broers [medebetrokkene 3] en [medebetrokkene 2] . Anders dan de verdediging ziet het hof de rol van de [medebetrokkene 5] als een ondergeschikte. [medebetrokkene 1] had een leidinggevende rol en beheerde de panden en de financiën van de groep, waarbij hij werd ondersteund door zijn broers. De betrokkene en [medebetrokkene 4] regelden onder meer de hennepknippers, zorgden voor het vervoer van de (op locatie geknipte) hennep en hebben in het pand aan [c-straat 1] in [plaats] een ruimte ingericht voor het drogen van de henneptoppen, zoals in het onherroepelijke vonnis in de strafzaak van de betrokkene van 21 april 2017 (pagina 23) is beschreven. Het hof acht dan ook aannemelijk dat twee derde deel van de opbrengst aan [medebetrokkene 1] en zijn broers moet zijn toegekomen. Het overige deel kan aan de betrokkene en [medebetrokkene 4] worden toegerekend, dus beiden een zesde deel.
Opbrengst
In kweekruimte 1 zijn 383 potten aangetroffen met 17 potten per vierkante meter. In kweekruimte 2 zijn 578 (potten met) hennepplanten aangetroffen met 26 hennepplanten per vierkante meter. [18] Het hof ontleent de opbrengst hennep in grammen aan de algemene uitgangspunten die zijn opgenomen in het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie zoals herzien per 1 november 2010 (hierna: het BOOM-rapport).
Kosten
Het hof zal met betrekking tot de inkoopprijs van de stekken, de overige variabele kosten, de afschrijvingskosten en de kosten van de knippers uitgaan van hetgeen daarover in het BOOM-rapport is opgenomen. Ten aanzien van de huisvestingkosten gaat het hof uit van de huurprijs van € 21.000,- per jaar. [19] Per kweekcyclus van tien weken betreft de huurprijs € 4.038,46 (€ 21.000,- / 52 x 10). Per kweekruimte komt dit neer op € 2.019,23. Van elektriciteitskosten is niet gebleken, nu de stroom illegaal werd afgenomen.
De [getuige 1] heeft verklaard dat hij de kelder van zijn woning op het adres [b-straat 1] in [plaats] acht à negen keer heeft verhuurd om wiet te knippen en dat hij daar € 2.500,- per keer voor heeft ontvangen. In het voordeel van de betrokkene gaat het hof uit van een bedrag van € 22.500,- (9 x € 2.500,-) dat aan [getuige 1] is betaald voor het huren van deze ruimte.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Gelet op het voorgaande wordt de berekening als volgt.
Opbrengst
Kweekruimte 1:
383 planten x 27,2 gram (17 planten per vierkante meter) 10.417,60 gram hennep
Opbrengst per oogst: 10,4176 kilogram hennep x € 3.280,- € 34.169,73
Totale opbrengst: € 34.169,73 x 13 oogsten € 444.206,49
Kweekruimte 2
578 planten x 22,4 gram (26 planten per vierkante meter) 12.947,20 gram hennep
Opbrengst per oogst: 12,9472 kilogram hennep x € 3.280,- € 42.466,82
Totale opbrengst: € 42.466,82 x 14 oogsten € 594.535,48
Totale opbrengst beide kweekruimtes € 1.038.741,97
Kosten
Kweekruimte 1:
Afschrijvingskosten (383 planten) € 250,00
Inkoopprijs stekken (383 x € 2,85) € 1.091,55
Overige variabele kosten (383 x € 3,33) € 1.275,39
Kosten knippers (383 x € 2,-) € 766,00
Huisvestingskosten € 2.019,23
Kosten per oogst € 5.402,17
Totale kosten: € 5.402,17 x 13 oogsten € 70.228,31
Kweekruimte 2:
Afschrijvingskosten (383 planten) € 350,00
Inkoopprijs stekken (383 x € 2,85) € 1.647,30
Overige variabele kosten (383 x € 3,33) € 1.924,74
Kosten knippers (383 x € 2,-) € 1.156,00
Huisvestingskosten € 2.019,23
Kosten per oogst € 7.097,27
Totale kosten: € 5.402,17 x 13 oogsten € 99.361,78
Kosten knipruimte [b-straat 1] in [plaats] € 22.500,00
Totale kosten € 192.089,99
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt:
€ 1.038.741,97 - € 192.089,99 = € 846.651,98 / 6 = (afgerond)
€ 141.108,00.”
3.3
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden niet kan worden afgeleid dat de betrokkene reeds op 1 maart 2013 betrokken was bij de hennepkwekerij. De door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden bieden volgens de steller van het middel alleen zicht op betrokkenheid van de betrokkene bij de kwekerij vanaf 2014.
3.4
Op grond van art. 36e lid 1 Sr kan de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit. Ingevolge art. 36e lid 2 Sr kan de verplichting worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die “voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan”.
3.5
In HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1514 heeft de Hoge Raad inzake de eis dat “voldoende aanwijzingen” bestaan het volgende overwogen: [20]
“2.4.1. Het oordeel van de rechter dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan, moet binnen het eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming zijn met de onschuldpresumptie. De in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Ook behoort de betrokkene de gelegenheid te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat andere feiten door hem zijn begaan. (Vgl. HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523.)
2.4.2.
Er is geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de bewijsmiddelen moet vermelden waarop de vaststelling berust dat andere strafbare feiten, als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, door de betrokkene zijn begaan. Dat doet er niet aan af dat uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan. (Vgl. HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498.)”
3.6
Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen dat de betrokkene “is veroordeeld ter zake van het medeplegen van het bedrijfsmatig telen van hennep in de periode van 2 december 2015 tot en met 23 december 2015 in/vanuit een pand aan [b-straat 1] in [plaats] (knipperij), in/vanuit een pand man [c-straat 1] in [plaats] (drogerij) en in/vanuit een pand aan [a-straat 1] in [plaats] (kwekerij)”. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat “buiten redelijke twijfel staat dat de betrokkene zich in de periode voorafgaand aan deze bewezen verklaarde periode eveneens schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet, ten aanzien van de hennepkwekerij in het pand aan [a-straat 1] in [plaats] , en dat hij uit al deze feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof gaat, evenals het ontnemingsrapport, uit van een kweekperiode van deze kwekerij van 1 maart 2013 tot 23 december 2015”.
3.7
Dat de kwekerij begin 2013, direct na de aanvang van de huurovereenkomst van het pand, in de kelder is opgebouwd, dat de opbouw van een kwekerij als de onderhavige maximaal twee maanden heeft geduurd, en dat het hof gelet daarop uitgaat van een kweekperiode van 1 maart 2013 tot 23 december 2015, wordt in cassatie niet betwist. De betrokkenheid bij de kwekerij van de betrokkene bestond uit het regelen van hennepknippers en het zorgen voor het vervoer van de op de locatie geknipte hennep.
3.8
In hoger beroep is door de raadsman van de betrokkene, zo blijkt uit het bestreden arrest, onder meer aangevoerd dat “de betrokkene meermalen heeft verklaard dat hij pas in juli 2015 bij de hennepkwekerij aan [a-straat 1] in [plaats] betrokken is geraakt” en dat niet kan worden vastgesteld “dat reeds vanaf 2013 op genoemde locatie hennep werd geteeld, laat staan dat de betrokkene daarbij enige betrokkenheid heeft gehad”, hetgeen gelet op de medische situatie van de betrokkene in die periode.
3.9
Inzake de “langer durende betrokkenheid van de betrokkene” heeft het hof op de volgende feiten en omstandigheden gewezen: (i) de verklaring van de [medebetrokkene 5] afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023, (ii) de verklaring van [medebetrokkene 6] afgelegd tijdens het politieverhoor van 22 januari 2016, (iii) de verklaring van de [getuige 1] afgelegd ter terechtzitting op hoger beroep van 22 september 2023, (iv) de verklaring van de betrokkene afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2023 en (v) de verklaring van [getuige 2] afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023.
- (i) [medebetrokkene 5] heeft verklaard dat hij in 2014 bij het knippen van hennep betrokken is geraakt en dat de betrokkene en de [medebetrokkene 4] degenen waren die ‘s ochtends de hennep(-planten) in blauwe olievaten kwamen brengen en die ‘s avonds de geknipte en gesealde henneptoppen in een grote boodschappentas kwamen ophalen.
- (ii) [medebetrokkene 6] heeft in januari 2016 verklaard dat zij ten behoeve van het knippen van hennep zogenoemde werktelefoontjes heeft gekregen van de betrokkene, “al vanaf een jaar geleden ofzo”.
- (iii) [getuige 1] – de bewoner van de knipperij aan [b-straat 1] in [plaats] – heeft verklaard dat in de kelder van zijn woning meermalen wiet is geknipt, acht à negen keer, en dat de betrokkene dit regelde. [getuige 1] verhuurde de kelder aan de betrokkene en heeft altijd met hem gecommuniceerd. Volgens [getuige 1] kwamen de betrokkene en [medebetrokkene 4] altijd samen in een busje.
- (iv) De betrokkene heeft verklaard dat de bij [getuige 1] geknipte hennep afkomstig was van [a-straat 1] in [plaats] en dat hij, samen met [medebetrokkene 4] , deze hennep in blauwe vaten met een busje daar naartoe heeft gebracht.
- (v) De [getuige 2] – een broer van de [medebetrokkene 5] , die ook hennep heeft geknipt – heeft verklaard dat hij meermalen hennep bij [getuige 1] heeft geknipt en dat hij daar ook de betrokkene en [medebetrokkene 4] heeft gezien.
3.1
Uit de verklaring van [medebetrokkene 5] kan worden afgeleid dat de betrokkene in 2014 betrokken was bij de hennepkwekerij, omdat [medebetrokkene 5] – die in 2014 bij het knippen van hennep betrokken is geraakt – heeft verklaard dat onder anderen de betrokkene hennepplanten naar de knipperij op [b-straat 1] kwam brengen en de geknipte henneptoppen kwam ophalen. Uit de verklaring van [medebetrokkene 6] kan worden afgeleid dat de betrokkene begin 2015 betrokken was bij de kwekerij, nu [medebetrokkene 6] in januari 2016 heeft verklaard dat zij “vanaf een jaar geleden ofzo” werktelefoontjes heeft gekregen van de betrokkene. Uit de verklaring van [getuige 1] kan niet worden afgeleid dat de betrokkene betrokken was bij de kwekerij vanaf 1 maart 2013, indien wordt uitgegaan van het volgende: een periode van “sowieso 9 weken tussen het knippen”, [21] 8 à 9 keer knippen, en 23 december 2015 als laatste ‘knipdatum’. [22] Uit de verklaringen van de betrokkene en [getuige 2] kan de betrokkenheid bij de kwekerij worden afgeleid, maar niet dat deze betrokkenheid zich uitstrekte tot 1 maart 2013. [23]
3.11
Gelet op het voorgaande kunnen de voldoende aanwijzingen dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan “overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet, ten aanzien van de hennepkwekerij in het pand aan [a-straat 1] in [plaats] ”, in de periode van 1 maart 2013 tot 23 december 2015, niet zonder meer worden afgeleid uit de door het hof in de ontnemingszaak in aanmerking genomen feiten en omstandigheden. Het oordeel van het hof dat de betrokkene uit andere feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, is niet toereikend gemotiveerd. De verdachte heeft belang bij de klacht hierover nu het hof voor de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel bij de bepaling van het aantal oogsten (in twee ruimtes 13 resp. 14 oogsten) is uitgegaan van een kweekperiode vanaf 1 maart 2013.
3.12
Het middel slaagt.

4.Afronding

4.1
Ambtshalve merk ik op dat namens de betrokkene op 7 november 2023 beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit tijdsverloop kan bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld. [24]
4.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, op 12 januari 2016 opgemaakt door [verbalisant 1] , pagina’s 546 en 547 zaaksdossier C.2.
2.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, op 24 februari 2016 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] on [verbalisant 2] , pagina 670 zaaksdossier C.2.
3.Een geschrift, te weten een huurovereenkomst van het pand aan [a-straat 1] in [plaats] , gedateerd 22 december 2012, pagina’s 599-602 zaaksdossier C.2.
4.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel op 24 februari 2016 opgemaakt door verbalisanten M.T.B. [verbalisant 7] en [verbalisant 1] , pagina’s 676-677 zaaksdossier C.2.
5.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, op 24 februari 2016 opgemaakt door verbalisanten M.T.B. [verbalisant 7] en [verbalisant 2] , pagina’s 670-675 zaaksdossier C.2.
6.De verklaring van de getuige [medebetrokkene 5] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023.
7.Een geschrift, te weten een uittreksel vin de Kamer van Koophandel van 8 maart 2016, pagina’s 32-33 persoonsdossier B.09.
8.De verklaring vim de getuige [medebetrokkene 7] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023.
9.Proces-verbaal van bevindingen financieel onderzoek [medebetrokkene 4] , op 7 april 2016 opgemaakt door [verbalisant 5] , pagina 140 persoonsdossier B.09.
10.Een geschrift, te welen een huurovereenkomst van het bedrijfspand aan [a-straat 1] in [plaats] , gedateerd 22 december 2012, pagina 600 zaaksdossier C.2.
11.Proces-verbaal overzicht bevindingen inbeslaggenomen voorwerpen, op 5 april 2016 opgemaakt door [verbalisant 6] , pagina’s 41, 42, 44 en 45 beslagdossier; proces-verbaal bevindingen onderzoek USB stick, op 14 maast 2016 opgemaakt door [verbalisant 6] , pagina’s 138 en 141 beslagdossier.
12.Proces-verbaal bevindingen onderzoek laptops (met bijlagen), op 16 maart 2016 opgemaakt door [verbalisant 6] , pagina’s 975, 978 en 980 beslagdossier: geschriften, te weten bankafschriften van [A] B.V., pagina’s 938-989, 1003 en 1004 beslagdossier.
13.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, op 24 februari 2016 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 1] , pagina 668 zaaksdossier C.2.
14.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medebetrokkene 6] van 22 januari 2016, pagina 195 persoonsdossier B.07.
15.De verklaring van de [getuige 1] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023.
16.De verklaring van de betrokkene, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2023.
17.De verklaring van de [getuige 2] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023.
18.Proces-verhaal aantreffen hennepkwekerij, op 12 januari 2016 opgemaakt door [verbalisant 1] pagina 547 zaaksdossier C.2.
19.Een geschrift, te welen een huurovereenkomst van het bedrijfspand aan [a-straat 1] in [plaats] gedateerd 22 december 2012, pagina 600 zaaksdossier C.2.
20.Zie van eerdere datum ook HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:472, r.o. 2.3.1-2.3.2.
21.Verklaring [getuige 1] afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023.
22.Het hof heeft, onder ‘Aantal oogsten en betrokkenheid van betrokkene’, vastgesteld dat de hennepplanten in kweekruimte 1 op 23 december 2015 werden geknipt.
23.Vgl. HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:12.
24.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,