ECLI:NL:PHR:2025:987

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
10 september 2025
Zaaknummer
23/02569
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van gewoontewitwassen en belastingontduiking met schending van redelijke termijn

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1977, door het gerechtshof Amsterdam op 3 juli 2023 veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens medeplegen van gewoontewitwassen en opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen. De verdachte heeft samen met een medeverdachte, met wie hij een relatie had en drie kinderen, gedurende een periode van meer dan zeven jaar contante stortingen gedaan op verschillende bankrekeningen, waarvan de herkomst onduidelijk was. Het gerechtshof oordeelde dat de verdachte en zijn medeverdachte nauw en bewust samenwerkten bij het niet afdragen van belasting over deze bedragen. De verdediging stelde dat de bewezenverklaring van medeplegen ontoereikend gemotiveerd was, maar het hof oordeelde dat de bewijsvoering voldoende was om de veroordeling te rechtvaardigen. De verdachte heeft geen belastingaangifte gedaan over de inkomsten uit zijn ondernemingen, wat leidde tot een vermoeden van witwassen. De Hoge Raad heeft in cassatie geoordeeld dat de middelen van de verdachte falen, maar dat de redelijke termijn voor de uitspraak is overschreden, wat leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02569
Zitting4 november 2025
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 3 juli 2023 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-001716-21) wegens 1. “medeplegen van gewoontewitwassen” en 2. “opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 23/02576. In deze zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.R. Kops, advocaat in Breukelen UT, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
De verdachte is veroordeeld wegens onder meer medeplegen van gewoontewitwassen. Het eerste middel bestrijdt het bewezenverklaarde medeplegen (van de medeverdachte). De bewezenverklaring zou ontoereikend zijn gemotiveerd omdat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de medeverdachte nauw en bewust heeft samengewerkt bij het niet afdragen van belasting over een deel van de bewezenverklaarde contante stortingen. Het tweede middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de uit de “belastingontduiking” verkregen gelden niet individualiseerbaar zijn.
2.2
Deze conclusie strekt tot verwerping de middelen.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel houdt – mede gelet op de toelichting daarop – in dat het als feit 1 bewezenverklaarde medeplegen van gewoontewitwassen van een geldbedrag, bestaande onder meer uit de contante stortingen op [rekeningnummer 1] van in totaal € 184.295,00, ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat de verdachte – om als medepleger te kunnen worden aangemerkt – nauw en bewust met [medeverdachte] samen diende te werken bij het niet afdragen van belasting over dit bedrag, terwijl het hof niet heeft gemotiveerd “waar deze nauwe en bewuste samenwerking bij het niet afdragen van belasting over deze contant gestorte bedragen dan uit zou hebben bestaan” en welke rol [medeverdachte] daar dan bij zou hebben gehad.
3.2
Voor zover voor de bespreking van het middel van belang is ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2012 tot 27 mei 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en zijn mededader, (van) meerdere voorwerpen, te weten:
- een geldbedrag van in totaal EUR 251.138,00, bestaande uit contante stortingen op rekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] en
- een geldbedrag van in totaal EUR 231.942,11 (deels bestemd voor de aankoop van een appartement, aangeschaft in [plaats] (Turkije)) en
- een geldbedrag van in totaal EUR 17.793,27 (aangetroffen bij/tijdens de doorzoeking van het pand [a-straat 1] ) en
- een iPhone XS (aangetroffen bij/tijdens de doorzoeking van het pand [a-straat 1] ), ter waarde van EUR 1.301,50 en
- een personenauto, een Audi A3 met [kenteken 1] met een waarde van EUR 19.747,89 (zijnde het aankoopbedrag) en
- een personenauto, een Audi A3 met [kenteken 2] ,
heeft verworven en/of omgezet
en/of
de herkomst heeft verhuld en/of heeft verhuld wie de rechthebbende op voornoemde voorwerpen was, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”
3.3
Het hof heeft inzake het bewezenverklaarde medeplegen van gewoontewitwassen als volgt overwogen:

Standpunt verdediging
De verdachte heeft ten aanzien van feit 1 en feit 2 een grotendeels bekennende verklaring afgelegd. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat het appel niet is gericht tegen de bewezenverklaring, en heeft verzocht om de door de rechtbank gedane deelvrijspraken in stand te houden. Die deelvrijspraken zien op de bedragen die de [medeverdachte] heeft gestort op haar rekeningen bij de ING-bank en de Rabobank en die volgens haar verklaring afkomstig zijn uit (de verkoop van delen van) haar bruidsschat(ten), alsmede dat geen sprake is van vermenging en dat zodoende niet de gehele bedragen als uit misdrijf afkomstig kunnen worden aangemerkt; enkel het gedeelte dat als belasting had moeten worden afgedragen, kan als zodanig worden aangemerkt.
Inleiding
De verdachte en [medeverdachte] waren partners van elkaar en hebben samen drie (jonge) kinderen. In de ten laste gelegde periode woonden zij samen in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] .
Het opsporingsonderzoek in deze zaak, is gestart naar aanleiding van de aankoop van een restaurant, genaamd [C] , door onder andere [medeverdachte] , destijds werkzaam bij de politie, in december 2017. De gemeente gaf voor dat restaurant geen vergunning af, omdat de aankoop grotendeels gefinancierd was met geleend geld en onvoldoende uitleg kon worden gegeven omtrent de herkomst daarvan. Tijdens een ingesteld oriënterend onderzoek van de politie, naar haar medewerker [medeverdachte] , bleek dat er op de bankrekening van [medeverdachte] in de periode van 14 juli 2017 tot 14 september 2017 elf contante stortingen van in totaal ruim € 55.000,00 waren gedaan waarvan de herkomst onduidelijk was.
[medeverdachte] beschikte over bankrekeningen bij de ABN-AMRO, ING en Rabobank. Al deze bankrekeningen stonden op haar naam. De bankrekening bij de ABN-AMRO werd door de verdachte gebruikt als zakelijke rekening ten behoeve van zijn ondernemingen, te weten [A] en [B] . De verdachte droeg in de ten laste gelegde periode geen belasting af over de inkomsten die hij uit deze ondernemingen genereerde.
In de periode van 1 januari 2014 tot 25 februari 2019 werd in totaal € 184.295,00 contant op de ABN-AMRO rekening gestort. In diezelfde periode werden bedragen van respectievelijk € 34.181,00 en € 32.662,00 contant gestort op de rekeningen bij de ING en Rabobank.
In diezelfde periode liep er een bedrag van € 368.858,00 afkomstig uit lesgeld over de ABN-AMRO rekening. Vanaf deze rekening werden betalingen aan het CBR gedaan, maar dat gebeurde ook vanaf de ING rekening. Niet alle omzet van de ondernemingen van de verdachte liep over de ABN-AMRO rekening. De verdachte heeft verklaard dat er ook veel contant werd betaald. Dit blijkt ook uit e-mailcorrespondentie tussen de verdachte en klanten, waarin werd verzocht om (naast een girale aanbetaling van € 25,00 op de ABN-AMRO rekening) € 100,00 op de dag van het theorie-examen contant te voldoen en waarbij werd opgemerkt dat er geen pin aanwezig was. De getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 3] bevestigen deze werkwijze en verklaarden allen dat zij € 25,00 via de bankrekening hadden overgemaakt en vervolgens € 100,00 contant hadden betaald.
Naast de geldstromen op de ABN-AMRO rekening die betrekking hebben op de ondernemingen van de verdachte, werden er vanaf deze rekening ook privé-uitgaven gedaan. Zo werd vanaf deze rekening een keuken van de Ikea bekostigd ten behoeve van de woning die op naam van [medeverdachte] stond. Ook de rekeningen bij de ING en Rabobank werden voor privé-uitgaven gebruikt.
Tijdens de doorzoeking in voornoemde woning op 27 mei 2019, waar op het moment van binnentreden beide verdachten aanwezig waren, is - verspreid en verstopt - door de gehele woning en in de twee bij de woning geparkeerde auto’s een bedrag van € 17.793,27 aangetroffen. Het geld werd onder andere in de keuken, de ouderslaapkamer en in een kamer op de zolderetage aangetroffen. Ook werd in de woning een bon van een iPhone aangetroffen met daarop het aankoopbedrag van € 1.301,50. De verdachte heeft verklaard deze contant te hebben betaald met geld dat afkomstig was uit zijn ondernemingen. De twee personenauto’s, te weten een Audi A3 met [kenteken 1]
en een Audi A3 met [kenteken 2] , stonden beide op naam van [medeverdachte] , maar zijn door de verdachte aangeschaft met contant geld dat afkomstig was uit zijn ondernemingen. Hoewel formeel gezien alleen [medeverdachte] met de gezamenlijke kinderen op het adres van de voornoemde woning ingeschreven stond, heeft de verdachte verklaard dat hij geld door deze gehele woning had liggen, werden er leskaarten en administratie van de ondernemingen van de verdachte in de woning aangetroffen, werd de verdachte aangetroffen in de woning bij het binnentreden op 27 mei 2019 en was de Audi A3 met [kenteken 1] ingericht als lesauto. Feitelijk was de voornoemde woning destijds ook de woning van de verdachte; zoals hiervoor aan het begin is vermeld: de verdachten woonden destijds samen.
Op de inbeslaggenomen iPhone van de verdachte werden diverse chatgesprekken aangetroffen, waaruit blijkt dat de verdachte – hoewel formeel geen vennoot – veel bemoeienis had met [C] . Zo chatte hij met de andere vennoten van [C] (naast [medeverdachte] ), te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . In een chat met [betrokkene 1] verstuurt de verdachte de schriftelijke verklaring van [medeverdachte] over de contante stortingen op haar zakelijke rekening (het hof begrijpt: de rekening gebruikt voor de aankoop van [C] ), onder meer inhoudende:
“In september 2016 ben ik mijn moeder verloren. Zij is overleden en uiteindelijk begraven in Turkije, waar ik bij aanwezig was. Na het overlijden heeft zij onder andere aan mij, gouden armbanden nagelaten. Ook had ik nog goud in mijn bezit vanuit mijn bruidsschat. Het is overigens in de Turkse cultuur gebruikelijk om goud in bezit te hebben als ‘appeltje voor de dorst’. Ik heb al het goud wat ik in mijn bezit had in september 2016 in Turkije in een goudwinkel omgewisseld naar contant geld. Dit geld heb ik toen uit Turkije meegenomen naar Nederland. Het gaat hier om een bedrag van € 10.500 euro. Ik heb het contante geld thuis in mijn kluis bewaard.”
In het vervolg van de chat met [betrokkene 1] gaat het er over dat deze verklaring door [medeverdachte] moet worden ondertekend. In een groepschat tussen [medeverdachte] en haar medevennoten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte] , gaat het ook over een dergelijke verklaring. [medeverdachte] zegt in deze chat: “
Het is klaar trouwens. [verdachte](het hof begrijpt: de verdachte)
moet alleen uitprinten (...)”.Ook chatte de verdachte met de partner van [betrokkene 1] , genaamd [betrokkene 3] . In deze chat zegt [betrokkene 3] op enig moment:
“(...) we moeten deze bedragen ook later kunnen verklaren, dus het liefst jij via misschien je rijschool rekening overmaken (...)”.
Daarnaast was er een bankrekening in Turkije op naam van [medeverdachte] , waarop vanaf 2012 zowel [medeverdachte] als de verdachte aanzienlijke geldbedragen stortten. Daarbij werden regelmatig coupures van € 500,00, € 200,00 en € 100,00 gebruikt en in één geval werden er zelfs 33 biljetten van € 500,00 tegelijk gestort. Ook valt op dat [medeverdachte] op 24 juli 2015 twee aparte stortingen deed van respectievelijk € 20.000,00 en € 26.994,58. Ook voornoemde [betrokkene 2] stortte op deze bankrekening.
Op 20 januari 2016 en 15 februari 2016 werden drie transacties gedaan vanaf deze rekening ten behoeve van de aankoop van een appartement in Istanbul. De handtekening van zowel [medeverdachte] als de verdachte staat onder de factuur die betrekking heeft op de aanschaf van het appartement. Op 15 februari 2016 wordt het resterende saldo op de bankrekening ter hoogte van € 231.942,11 opgenomen door de verdachte en wordt de rekening opgeheven. Verder is bij het onderzoek een handgeschreven notitie van [medeverdachte] van 14 februari 2015 aangetroffen, waarin zij toestemming geeft aan de verdachte om haar geld ter waarde van € 9.000,00 mee te nemen naar Istanbul.
Tot slot is van belang dat in een tijdsbestek van ruim vijf jaren vanaf voornoemde Nederlandse bankrekeningen slechts € 9.161,00 is uitgegeven aan kosten voor voeding en huishouding. Dit wijkt aanzienlijk af van het door het Nibud berekende gemiddelde voor een gezin met jonge kinderen van vier of meer personen van ongeveer € 15,00 per dag (en ongeveer € 5.475,00 per jaar). Gelet hierop en op de hoeveelheden contant geld is aannemelijk dat er ook contant geld is gebruikt voor de bekostiging van het levensonderhoud. Dit wordt ook ondersteund door de verklaring van de verdachte ter zitting dat hij als man het als zijn plicht ziet om dingen te betalen alsmede de verklaring van [medeverdachte] bij de politie dat als er geld nodig was voor tanken of boodschappen, de verdachte haar dat gaf.
Witwasvermoeden
Gedurende de onderzoeksperiode hebben de verdachten zeer grote hoeveelheden contant geld voorhanden gehad, alsmede aankopen gedaan van auto’s, een appartement en een Iphone met contant geld. Daarbij is gebleken dat coupures van € 500,00, € 200,00 en € 100,00 werden gebruikt, hetgeen ongebruikelijk is in het normale betalingsverkeer. Voornoemde gelden en coupures kunnen niet verklaard worden door het bekende legale inkomen van de verdachten. [verdachte] heeft in het geheel geen inkomen opgegeven bij de Belastingdienst. Het voorgaande rechtvaardigt zonder meer een vermoeden van witwassen, zodat het aan de verdachte is een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven voor de herkomst van de geldbedragen
Concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring
[medeverdachte] heeft verklaard dat de contante stortingen op de rekeningen bij de ING en Rabobank - in totaal een geldbedrag van ruim zesenzestigduizend euro - afkomstig zijn uit haar bruidsschat en, zo begrijpt het hof, die van haar moeder. De verdachte en [medeverdachte] zijn in 2001 voor het geloof getrouwd en hebben daarbij vele gouden sieraden en muntjes ontvangen. Daarnaast heeft de moeder van [medeverdachte] haar een deel van haar bruidsschat gegeven. [medeverdachte] heeft verklaard dat zij in de loop der jaren af en toe sieraden daarvan verkocht en het contante geld in huis bewaarde, dan wel op een rekening stortte. De verdachte heeft verwezen naar deze verklaring van [medeverdachte] voor wat betreft de herkomst van de stortingen op de rekeningen bij de ING en Rabobank. De verdachte heeft verder verklaard dat de overige gelden/voorwerpen afkomstig zijn uit het niet aan de Belastingdienst opgegeven inkomen uit zijn ondernemingen, in het bijzonder [B] , en zodoende deels uit misdrijf afkomstig zijn.
Wat betreft de verklaring met betrekking tot de bruidsschat(ten) overweegt het hof dat deze verklaring zodanig algemeen en onvoldoende onderbouwd is, dat deze niet verifieerbaar is. [medeverdachte] heeft bijvoorbeeld geen bonnen of verklaringen overgelegd van de verkoop van sieraden en heeft enkel verklaard dit bij verschillende winkels in Turkije te hebben gedaan. Voorts heeft zij geen inzicht gegeven in de omvang van haar bruidsschat(ten) en heeft zij daaromtrent ook wisselend verklaard. Zo heeft [medeverdachte] met betrekking tot de bruidsschat van haar moeder in eerste instantie verklaard dat zij die al ingewisseld had in Turkije en daar niet zoveel, iets van € 4.000,00, voor heeft gekregen, en ten aanzien van haar eigen bruidsschat verklaarde zij bij de politie nog dat zij die niet verzilverde omdat het traditie is dat die wordt bewaard voor de kinderen. Voorts wijst het hof op de hiervoor geciteerde schriftelijke verklaring van [medeverdachte] in het kader van de aankoop van het restaurant [C] . Gelet op het voorgaande kan deze verklaring niet worden aangemerkt als een verklaring die de vereiste maatstaf haalt.
Nu er sprake is van een vermoeden van witwassen en de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van deze gelden, is het hof van oordeel dat ook ten aanzien van de contante stortingen op de rekeningen bij de ING en Rabobank sprake is van geld dat geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk, afkomstig is van enig misdrijf en dat de verdachte dat moet hebben geweten.
Wat betreft de overige gelden/voorwerpen heeft de verdachte een verklaring afgelegd die het witwasvermoeden bevestigt. Het hof hecht er evenwel aan het volgende op te merken. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij pas vanaf 2013 theorielessen is gaan geven en dat hij zijn daaruit gegenereerde inkomen niet aan de Belastingdienst heeft opgegeven. Zoals hiervoor vermeld, vonden de contante stortingen op de bankrekening in Turkije al in 2012 plaats. Op 3 augustus 2012 stortte de verdachte op deze rekening een bedrag van € 15.500,00, bestaande uit 10 coupures van € 500,00, 56 coupures van € 100,00 en 98 coupures van € 50,00. Op 13 augustus 2012 stortte de verdachte een bedrag van € 19.000,00 op deze rekening. Het hof stelt vast dat deze bedragen onverklaard zijn gebleven.
Wetenschap [medeverdachte]
Met betrekking tot deze overige gelden/voorwerpen heeft [medeverdachte] verklaard dat de omvang van de contante gelden die de verdachte voorhanden had, haar nooit heeft bevreemd, aangezien zij haar toenmalige partner vertrouwde en ze zag hoe hard hij werkte. Ze heeft verklaard er geen weet van te hebben gehad dat de verdachte zijn inkomen niet opgaf aan de Belastingdienst en dat zij zich niet bemoeide met de gelden die over de ABN-AMRO rekening liepen, aangezien zij die rekening zelf niet gebruikte. Het hof overweegt hieromtrent, ook in de zaak tegen de verdachte, in het kader van het medeplegen, het volgende.
Uit de feiten en omstandigheden zoals die in het voorgaande zijn weergegeven en overigens zijn vermeld in de bewijsmiddelen, blijkt de betrokkenheid van [medeverdachte] . Alles wijst erop dat de verdachten de verdachte, [verdachte] , uit het zicht hebben willen houden. Alle bankrekeningen stonden op naam van [medeverdachte] , zowel in Turkije als in Nederland. De verdachte stond niet ingeschreven in de woning waar hij met [medeverdachte] samenwoonde en de hypotheek stond niet mede op zijn naam, maar op die van zijn zus, die daar niet woonde. Beide door de verdachte betaalde en mede door hem gebruikte auto’s zijn op naam van [medeverdachte] gezet. Hoewel is gebleken dat de verdachte feitelijk veel bemoeienis had met restaurant [C] , kwam ook in dat verband zijn naam formeel gezien nergens terug en was [medeverdachte] één van de vennoten. De omstandigheid dat de verdachte een BKR-registratie had, kan dit alles niet verklaren. Daarbij heeft [medeverdachte] ook zelf aanzienlijke hoeveelheden contant geld voorhanden gehad. Zo heeft zij op de Turkse bankrekening in totaal bijna € 80.000,00 contant gestort. De betreffende stortingsbewijzen zijn door [medeverdachte] ondertekend. Daarnaast blijkt eveneens uit de eerder genoemde handgeschreven notitie dat [medeverdachte] weet had van de aanwezigheid van contante gelden. Ook lag er een bedrag van bijna € 18.000,00 verspreid door de woning en stond de handtekening van [medeverdachte] onder de factuur van de aankoop van het appartement in Turkije. Het voorgaande maakt dat het hof de verklaring van [medeverdachte] dat zij geen weet had van de criminele herkomst ongeloofwaardig acht en die terzijde schuift.
Vermenging
Het geld dat de verdachte aan belasting had moeten afdragen, is vermengd geraakt met legale gelden. De uit de belastingontduiking (feit 2) verkregen gelden zijn naar het oordeel van het hof niet individualiseerbaar. Er is namelijk geen duidelijk beeld van de inkomsten en de kosten van de verdachte uit [B] en uit [A] , onder meer door het ontbreken van een behoorlijke administratie. Dit heeft tot gevolg dat het gehele vermogen aangemerkt dient te worden als in ieder geval deels van misdrijf afkomstig. Het hof roept voorts in herinnering zijn overweging dat de door de verdachte gegeven verklaring, geen verklaring vormt voor de contante stortingen in Turkije in 2012.
Medeplegen
De verdachten hebben nauw en bewust samengewerkt in het geheel. Zij stortten beiden op de bankrekeningen, zetten alles op naam van [medeverdachte] , zorgden ervoor - in het kader van de aankoop van het restaurant [C] - dat er op schrift gestelde verklaringen waren van [medeverdachte] om de contante gelden te verantwoorden en leefden samen van dit alles. Ook [medeverdachte] maakte gebruik van de gelden. Zo kocht zij daarvan een appartement in Istanbul, werd er vanaf de ABN-AMRO rekening een keuken aangeschaft en hebben zij contante gelden gebruikt voor de voorziening in het levensonderhoud. Naar het oordeel van het hof is dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. Dit laatste nu de witwashandelingen zich gedurende een langere periode structureel hebben voorgedaan.”
3.4
Het middel gaat er in de kern van uit dat voor een bewezenverklaring van medeplegen van gewoontewitwassen is vereist dat wordt bewezen dat de medeverdachte een gronddelict heeft medegepleegd, in dit geval het onder 2 bewezenverklaarde opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd. Die opvatting vindt geen steun in het recht. De bewezenverklaring van medeplegen van gewoontewitwassen is om die reden niet ontoereikend gemotiveerd. Ondertussen volgt de bewezenverklaring uit de bewijsvoering en is deze niet ontoereikend gemotiveerd, mede gelet op hetgeen daarover in cassatie is aangevoerd. Daarbij merk ik op dat uit de bewijsvoering blijkt dat ook de medeverdachte moet hebben geweten van de criminele herkomst van het geld (zie daarover mijn conclusie van vandaag in de samenhangende zaak 23/02576 tegen de medeverdachte).
3.5
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van feit 1 en houdt blijkens de toelichting daarop in dat het oordeel van het hof dat de uit de “belastingontduiking” verkregen gelden niet individualiseerbaar zijn ontoereikend is gemotiveerd. De steller van het middel voert daartoe aan dat het bedrag aan contante stortingen op [rekeningnummer 1] van in totaal van in totaal € 184.295,00 “volledig afkomstig is van theorielessen”, dat “enkel het bedrag dat aan belasting is ontdoken, [kan] worden aangemerkt als uit enig misdrijf afkomstig” en dat dit bedrag “weldegelijk individualiseerbaar” is en niet vermengd is geraakt “met andere (legale) gelden”.
4.2
Het voorwerp dat wordt witgewassen, dient afkomstig te zijn uit een voorafgaand misdrijf. HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1377 houdt daarover in:
“2.3.1 Vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als voorwerpen ‘afkomstig (...) uit enig misdrijf’ in de zin van de artikelen 420bis, 420ter en 420quater van het Wetboek van Strafrecht (vgl. HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774).
2.3.2
In het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, kan het aldus vermengde vermogen worden aangemerkt als “mede” of “deels” uit misdrijf afkomstig. De aanwezigheid in een vermogen van bestanddelen met een criminele herkomst brengt op zichzelf nog niet mee dat het gehele vermogen als van enig misdrijf afkomstig dient te worden aangemerkt. (Vgl. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578).”
4.3
In het in rechtsoverweging 2.3.2 aangehaalde arrest – HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578,
NJ2011/44 m.nt. Keijzer – overwoog de Hoge Raad als volgt:
“3.6.1 De witwasbepalingen kunnen dus in zeer uiteenlopende gevallen toepassing vinden. Daarbij, zo vloeit uit het voorafgaande voort, kan worden onderscheiden tussen
(i) de situatie waarin het vermogen ‘gedeeltelijk’ van misdrijf van afkomstig is, aldus dat legaal vermogen is ‘besmet’ doordat daaraan van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn toegevoegd (vermenging), en
(ii) de situatie waarin het vermogen ‘middellijk’ van misdrijf van afkomstig is, dus bestaat uit vermogensbestanddelen die afkomstig zijn van (vervolg)transacties die zijn uitgevoerd met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen.
Dit onderscheid sluit niet uit dat beide situaties zich ten opzichte van een bepaald vermogen voordoen.
Denkbaar is dat in zulke situaties een vermogensbestanddeel met een criminele herkomst zich binnen het na vermenging gevormde vermogen niet meer laat individualiseren. In het bijzonder in die situatie kan zich het geval voordoen dat het vermogen — en nadien elke betaling daaruit — wordt aangemerkt als (middellijk) gedeeltelijk van misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen.
3.6.2
Door de wetgever is geen begrenzing gesteld aan de mate waarin vermogensbestanddelen gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig kunnen zijn. De wetgever heeft het aldus aan het openbaar ministerie en de rechter overgelaten ervoor te zorgen dat de witwasbepalingen niet worden toegepast ten aanzien van in wezen niet-strafwaardige gedragingen. Die terughoudende toepassing is van groot belang omdat een te ruim bereik van de witwasbepalingen een normaal handelsverkeer onevenredig zou kunnen belemmeren. Dit gevaar dreigt vooral wanneer het illegale deel van een vermogen relatief gering is alsook wanneer door vervolgtransacties met (gedeeltelijk) van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen het verband met het gronddelict onduidelijk is geworden. Uit het onder 3.5 overwogene vloeit immers — naar de letter bezien — voort dat bijvoorbeeld de vermenging van een gering geldbedrag met een criminele herkomst met een groot op legale wijze verkregen geldbedrag tot gevolg heeft dat dit gehele geldbedrag (en elke daaruit gedane betaling) kan worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen, en voorts dat bijvoorbeeld een gestolen voorwerp, ook nadat het vele malen op bonafide wijze van eigenaar is gewisseld, van misdrijf afkomstig blijft.
3.6.3
In het licht van het vorenstaande en in aanmerking genomen dat in situaties waarin het gaat om vermogen dat gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig is, een onbegrensde wetstoepassing niet in alle gevallen strookt met de bedoeling van de wetgever, moet worden aangenomen dat bepaald gedrag onder omstandigheden niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Daarbij kan in de beoordeling worden betrokken of sprake is van:
- een geringe waarde van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel dat met een op legale wijze verkregen vermogen vermengd is geraakt, al dan niet in verhouding tot de omvang van het op legale wijze verkregen deel;
- een groot tijdsverloop tussen het moment waarop het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel is vermengd met het legale vermogen en het tijdstip waarop het verwijt van witwassen betrekking heeft;
- een groot aantal of bijzondere veranderingen in dat vermogen in de tussentijd;
- een incidenteel karakter van de vermenging van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel met het legale vermogen.
Bij de keuze van de in dit verband in acht te nemen omstandigheden kan van belang zijn of sprake is van de hiervoor onder 3.6.1 sub (i) en (ii) onderscheiden situaties. Gelet op de vele varianten waarin het witwassen in de praktijk kan plaatsvinden, die zich bovendien niet op voorhand laten overzien, is de hiervoor gegeven opsomming van mogelijk in de beoordeling te betrekken omstandigheden niet limitatief.”
4.4
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2023 het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnota. Die pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):

Inhoudelijk: feit 1
[…]
14. De vraag die vervolgens echter aan de orde komt is of dit dan betekent het
gehelebedrag aan legale inkomsten uit de theorielessen als 'uit enig misdrijf afkomstig kan worden gezien?
15. Hier heeft de Hoge Raad zich ook over uitgelaten:
“2.4 Het hof heeft vastgesteld dat ongeveer de helft van de gehele omzet van [D] B.V. in de periode van 1 juni 2009 tot en met 30 januari 2013 niet is verantwoord en niet is betrokken in de heffing van de vennootschapsbelasting en de omzetbelasting, waardoor sprake is van vermenging van legaal en illegaal verkregen gelden, alsmede dat aldus een belangrijk en niet te verwaarlozen bedrag aan belasting niet is afgedragen aan de Belastingdienst.Gelet op wat onder 2.3 is vooropgesteld, moet dat aan belasting ontdoken bedrag worden opgemerkt als het uit enig misdrijf afkomstige voorwerp. De vaststellingen van het hof kunnen door om niet de conclusie van het hof dragen dat “alle niet verantwoorde omzet” kan worden aangemerkt als “uit misdrijf verkregen”.
16. Hieruit blijkt dat het deel dat aan belasting is ontdoken kan worden aangemerkt als het uit misdrijf afkomstige voorwerp. Met andere woorden, als er € 100,- legaal is verdiend, waar vervolgens geen belasting van, zeg 21%, is afgedragen (geen BTW omzet), dan is dus dan is € 21,- het uit misdrijf afkomstige bedrag. En dus niet het gehele bedrag van € 100,-.
17. Dit is relevant voor de onderhavige zaak.
18. Daarnaast is relevant hetgeen de Hoge Raad voorts nog heeft opgemerkt:
“2.3.2 In het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, kan het aldus vermengde vermogen worden aangemerkt als “mede” of “deels” uit misdrijf afkomstig. De aanwezigheid in een vermogen van bestanddelen met een criminele herkomst brengt op zichzelf nog niet mee dat het gehele vermogen als van enig misdrijf afkomstig dient te worden aangemerkt. (Vgl. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578).”
19. Tot zover de naar mening van de verdediging relevante jurisprudentie voor de bespreking van feit 1.
[…]
Contant gestort bedrag van € 251.138
[…]
26. Uit het verhoor van cliënt (p. 7) blijkt dat de ABN AMRO rekening enkel gebruikt werd door cliënt en dat daar geld op werd gestort dat afkomstig was van theorielessen. Dat staat dus niet ter discussie.
[…]
Toetsingskader witwassen
[…]
42. Dan blijft er een bedrag van
€ 184.295,- dat gestort is op de ABNAMRO rekening. Dit geld is afkomstig van de theorielessen en hierover is geen inkomstenbelasting betaald.
43. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad die de verdediging zojuist heeft aangehaald blijkt dat niet dit gehele bedrag als uit misdrijf afkomstig kan worden bestempeld,
enkel het deel daarvan dat aan belasting had dienen te worden betaald.
4.5
Het hof heeft inzake de vermenging vastgesteld dat het geld dat de verdachte aan belasting had moeten afdragen met legale gelden vermengd is geraakt. Het hof heeft geoordeeld dat de uit de belastingontduiking verkregen gelden niet individualiseerbaar zijn en heeft daartoe overwogen dat er geen duidelijk beeld is “van de inkomsten en de kosten van de verdachte uit [B] en uit [A] , onder meer door het ontbreken van een behoorlijke administratie”. Volgens het hof heeft dit tot gevolg dat “het gehele vermogen aangemerkt dient te worden als in ieder geval deels van misdrijf afkomstig”.
4.6
In de kern komt de aan het oordeel van het hof ten grondslag liggende motivering erop neer dat – wegens onder meer het ontbreken van een behoorlijke administratie – niet is te achterhalen hoeveel legale inkomsten de verdachte uit zijn onderneming heeft gekregen en hoeveel kosten hij daarbij heeft gemaakt, waardoor niet valt vast te stellen hoeveel belasting had moeten worden afgedragen. Het hof heeft het door de verdediging ingenomen standpunt dat het op de ABN AMRO-rekening contant gestorte bedrag van € 184.295,00 volledig afkomstig was van theorielessen niet bevestigd en uit het voorgaande volgt dat de door het hof gegeven motivering de verwerping van dit standpunt impliceert. Een en ander betekent dat inderdaad niet individualiseerbaar is welk deel van voormeld bedrag aan belastingen had moeten worden betaald en dus om die reden afkomstig is van misdrijf (belastingontduiking). Maar ook wanneer het bedrag aan contante stortingen op [rekeningnummer 1] van in totaal € 184.295,00 wel “volledig afkomstig” zou zijn geweest van theorielessen – zoals de steller van het middel wil – brengt dat niet met zich dat individualiseerbaar is welk deel daarvan aan belastingen betaald had moeten worden en om die reden afkomstig is van belastingontduiking. Als gevolg van het ontbreken van een behoorlijke administratie inzake onder meer inkomsten en kosten, valt ook dan immers niet precies vast te stellen welk bedrag aan belastingen had moeten worden afgedragen. Het oordeel van het hof is, mede gelet op hetgeen in hoger beroep door de raadsman van de verdachte is aangevoerd en gezien de onder 4.2 en 4.3 besproken rechtspraak van de Hoge Raad, niet ontoereikend gemotiveerd.
4.7
Het middel faalt.

5.Afronding

5.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 4 juli 2023. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf.
5.3
Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG