3.4Het hof heeft inzake het bewezenverklaarde overwogen:
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit, vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het enkele feit dat de toenmalige partner van de verdachte, de [medeverdachte] , over veel, (contant) geld beschikte, niet genoeg is om aan te nemen dat zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit geld uit misdrijf afkomstig was. De verdachte had niets te maken met de ondernemingen van [medeverdachte] en kon ook niet weten dat hij de door hem verdiende gelden niet opgaf aan de Belastingdienst. Zij vertrouwde erop dat [medeverdachte] zijn zaken op orde had. Daarnaast was een deel van de in de tenlastelegging vermelde gelden afkomstig uit de door de verdachte verkregen bruidsschat(ten), die bestond(en) uit gouden sieraden en muntjes. De verdachte verkocht steeds een deel van die sieraden als zij geld nodig had.
De verdachte en [medeverdachte] waren partners van elkaar en hebben samen drie (jonge) kinderen. In de ten laste gelegde periode woonden zij samen in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] .
Het opsporingsonderzoek in deze zaak is gestart naar aanleiding van de aankoop van een restaurant, genaamd [A] , door onder andere de verdachte, destijds werkzaam bij de politie, in december 2017. De gemeente gaf voor dat restaurant geen vergunning af, omdat de aankoop grotendeels gefinancierd was met geleend geld en onvoldoende uitleg kon worden gegeven omtrent de herkomst daarvan. Tijdens een ingesteld oriënterend onderzoek van de politie, naar haar [verdachte] , bleek dat er op de bankrekening van de verdachte in de periode van 14 juli 2017 tot 14 september 2017 elf contante stortingen van in totaal ruim € 55.000,00 waren gedaan waarvan de herkomst onduidelijk was.
De verdachte beschikte over bankrekeningen bij de ABN-AMRO, ING en Rabobank. Al deze bankrekeningen stonden op haar naam. De bankrekening bij de ABN-AMRO werd door [medeverdachte] gebruikt als zakelijke rekening ten behoeve van zijn ondernemingen, te weten Autorijschool [B] en [C] . [medeverdachte] droeg in de ten laste gelegde periode geen belasting af over de inkomsten die hij uit deze ondernemingen genereerde.
In de periode van 1 januari 2014 tot 25 februari 2019 werd in totaal € 184.295,00 contant op de ABN-AMRO rekening gestort. In diezelfde periode werden bedragen van respectievelijk € 34.181,00 en € 32.662,00 contant gestort op de rekeningen bij de ING en Rabobank.
In diezelfde periode liep er een bedrag van € 368.858,00 afkomstig uit lesgeld over de ABN-AMRO rekening. Vanaf deze rekening werden betalingen aan het CBR gedaan, maar dat gebeurde ook vanaf de ING rekening. Niet alle omzet van de ondernemingen van [medeverdachte] liep over de ABN-AMRO rekening. [medeverdachte] heeft verklaard dat er ook veel contant werd betaald. Dit, blijkt ook uit e-mailcorrespondentie tussen [medeverdachte] en klanten, waarin werd verzocht om (naast een girale aanbetaling van € 25,00 op de ABN-AMRO rekening) € 100,00 op de dag van het theorie-examen contant te voldoen en waarbij werd opgemerkt dat er geen pin aanwezig was. De getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] bevestigen deze werkwijze en verklaarden allen dat zij € 25,00 via de bankrekening hadden overgemaakt en vervolgens € 100,00 contant hadden betaald.
Naast de geldstromen op de ABN-AMRO rekening die betrekking hebben op de ondernemingen van [medeverdachte] , werden er vanaf deze rekening ook privé-uitgaven gedaan. Zo werd vanaf deze rekening een keuken van de Ikea bekostigd ten behoeve van de woning die op naam van de verdachte stond. Ook de rekeningen bij de ING en Rabobank werden voor privé-uitgaven gebruikt.
Tijdens de doorzoeking in voornoemde woning op 27 mei 2019, waar op het moment van binnentreden beide verdachten aanwezig waren, is - verspreid en verstopt - door de gehele woning en in de twee bij de woning geparkeerde auto’s een bedrag van € 17.793,27 aangetroffen. Het geld werd onder andere in de keuken, de ouderslaapkamer en in een kamer op de zolderetage aangetroffen. Ook werd in de woning een bon van een iPhone aangetroffen met daarop het aankoopbedrag van € 1.301,50. [medeverdachte] heeft verklaard deze contant te hebben betaald met geld dat afkomstig was uit zijn ondernemingen. De twee personenauto’s, te weten een Audi A3 met [kenteken 1]
en een Audi A3 met [kenteken 2] , stonden beide op naam van de verdachte, maar zijn door [medeverdachte] aangeschaft met contant geld dat afkomstig was uit zijn ondernemingen. Hoewel formeel gezien alleen de verdachte met de gezamenlijke kinderen op het adres van de voornoemde woning ingeschreven stond, heeft [medeverdachte] verklaard dat hij geld door deze gehele woning had liggen, werden er leskaarten en administratie van de ondernemingen van [medeverdachte] in de woning aangetroffen, werd [medeverdachte] aangetroffen in de woning bij het binnentreden op 27 mei 2019 en was de Audi A3 met kenteken l-ZDN-06 ingericht als lesauto. Feitelijk was de voornoemde woning destijds ook de woning van [medeverdachte] ; zoals hiervoor aan het begin is vermeld: de verdachten woonden destijds samen.
Op de inbeslaggenomen iPhone van [medeverdachte] werden diverse chatgesprekken aangetroffen, waaruit blijkt dat [medeverdachte] - hoewel formeel geen vennoot - veel bemoeienis had met [A] . Zo chatte hij met de andere vennoten van [A] (naast de verdachte), te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . In een chat met [betrokkene 1] verstuurt [medeverdachte] de schriftelijke verklaring van de verdachte over de contante stortingen op haar zakelijke rekening (het hof begrijpt: de rekening gebruikt voor de aankoop van [A] ), onder meer inhoudende:
“In september 2016 ben ik mijn moeder verloren. Zij is overleden en uiteindelijk begraven in Turkije, waar ik bij aanwezig was. Na het overlijden heeft zij onder andere aan mij, gouden armbanden nagelaten. Ook had ik nog goud in mijn bezit vanuit mijn bruidsschat. Het is overigens in de Turkse cultuur gebruikelijk om goud in bezit te hebben als ‘appeltje voor de dorst’.
Ik heb al het goud wat ik in mijn bezit had in september 2016 in Turkije in een goudwinkel omgewisseld naar contant geld. Dit geld heb ik toen uit Turkije meegenomen naar Nederland. Het gaat hier om een bedrag van € 10.500 euro. Ik heb het contante geld thuis in mijn kluis bewaard.”
In het vervolg van de chat met [betrokkene 1] gaat het er over dat deze verklaring door de verdachte moet worden ondertekend. In een groepschat tussen de verdachte en haar medevennoten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , aangetroffen op de telefoon van de verdachte, gaat het ook over een dergelijke verklaring. De verdachte zegt in deze chat: “
Het is klaar trouwens. [medeverdachte](het hof begrijpt: [medeverdachte] )
moet alleen uitprinten (...)”. Ook chatte [medeverdachte] met de partner van [betrokkene 1] , genaamd [betrokkene 3] . In deze chat zegt [betrokkene 3] op enig moment:
“(...) we moeten deze bedragen ook later kunnen verklaren, dus het liefst jij via misschien je rijschool rekening overmaken (...)”.
Daarnaast was er een bankrekening in Turkije op naam van de verdachte, waarop vanaf 2012 zowel [medeverdachte] als de verdachte aanzienlijke geldbedragen stortten. Daarbij werden regelmatig coupures van € 500,00, € 200,00 en € 100,00 gebruikt en in één geval werden er zelfs 33 biljetten van € 500,00 tegelijk gestort. Ook valt op dat de verdachte op 24 juli 2015 twee aparte stortingen deed van respectievelijk € 20.000,00 en € 26.994,58. Ook voornoemde [betrokkene 2] stortte op deze bankrekening.
Op 20 januari 2016 en 15 februari 2016 werden drie transacties gedaan vanaf deze rekening ten behoeve van de aankoop van een appartement in Istanbul. De handtekening van zowel [medeverdachte] als de verdachte staat onder de factuur die betrekking heeft op de aanschaf van het appartement. Op 15 februari 2016 wordt het resterende saldo op de bankrekening ter hoogte van € 231.942,11 opgenomen door [medeverdachte] en wordt de rekening opgeheven. Verder is bij het onderzoek een handgeschreven notitie van de verdachte van 14 februari 2015 aangetroffen, waarin zij toestemming geeft aan [medeverdachte] om haar geld ter waarde van € 9.000,00 mee te nemen naar Istanbul.
Tot slot is van belang dat in een tijdsbestek van ruim vijf jaren vanaf voornoemde Nederlandse bankrekeningen slechts € 9.161,00 is uitgegeven aan kosten voor voeding en huishouding. Dit wijkt aanzienlijk af van het door het Nibud berekende gemiddelde voor een gezin met jonge kinderen van vier of meer personen van ongeveer € 15,00 per dag (en ongeveer € 5.475,00 per jaar). Gelet hierop en op de hoeveelheden contant geld is aannemelijk dat er ook contant geld is gebruikt voor de bekostiging van het levensonderhoud. Dit wordt ook ondersteund door de verklaring van [medeverdachte] bij de politie – “
Wij hebben thuis een plekje waar ik altijd geld zette voor haar. Zo van hé, als je boodschappen nodig hebt, hier ligt een paar honderd euro. Doe je ding, zeg maar.”– alsmede de verklaring van de verdachte bij de politie dat als er geld nodig was voor tanken of boodschappen, [medeverdachte] haar dat gaf.
Gedurende de onderzoeksperiode hebben de verdachten zeer grote hoeveelheden contant geld voorhanden gehad, alsmede aankopen gedaan van auto’s, een appartement en een Iphone met contant geld. Daarbij is gebleken dat coupures van € 500,00, € 200,00 en € 100,00 werden gebruikt, hetgeen ongebruikelijk is in het normale betalingsverkeer. Voornoemde gelden en coupures kunnen niet verklaard worden door het bekende legale inkomen van de verdachten. [medeverdachte] heeft in het geheel geen inkomen opgegeven bij de Belastingdienst. Het voorgaande rechtvaardigt zonder meer een vermoeden van witwassen, zodat het aan de verdachte is een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven voor de herkomst van de geldbedragen.
Concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring
De verdachte heeft verklaard dat de contante stortingen op de rekeningen bij de ING en Rabobank - in totaal een geldbedrag van ruim zesenzestigduizend euro - afkomstig zijn uit haar bruidsschat en, zo begrijpt het hof, die van haar moeder. De verdachte en [medeverdachte] zijn in 2001 voor het geloof getrouwd en hebben daarbij vele gouden sieraden en muntjes ontvangen. Daarnaast heeft de moeder van de verdachte haar een deel van haar bruidsschat gegeven. De verdachte heeft verklaard dat zij in de loop der jaren af en toe sieraden daarvan verkocht en het contante geld in huis bewaarde, dan wel op een rekening stortte. De verdachte heeft verder verklaard dat de ABN-AMRO rekening door [medeverdachte] als zakelijke rekening werd gebruikt en dat alle overige in de tenlastelegging vermelde gelden/voorwerpen afkomstig zijn uit het inkomen van [medeverdachte] .
Wat betreft de verklaring met betrekking tot de bruidsschat(ten) overweegt het hof dat deze verklaring zodanig algemeen en onvoldoende onderbouwd is, dat deze niet verifieerbaar is. De verdachte heeft bijvoorbeeld geen bonnen of verklaringen overgelegd van de verkoop van sieraden en heeft enkel verklaard dit bij verschillende winkels in Turkije te hebben gedaan. Voorts heeft zij geen inzicht gegeven in de omvang van haar bruidsschat(ten) en heeft zij daaromtrent ook wisselend verklaard. Zo heeft de verdachte met betrekking tot de bruidsschat van haar moeder in eerste instantie verklaard dat zij die al ingewisseld had in Turkije en daar niet zoveel, iets van € 4.000,00, voor heeft gekregen, en ten aanzien van haar eigen bruidsschat verklaarde zij bij de politie nog dat zij die niet verzilverde omdat het traditie is dat die wordt bewaard voor de kinderen. Voorts wijst het hof op de hiervoor geciteerde schriftelijke verklaring van de verdachte in het kader van de aankoop van het restaurant [A] . Gelet op het voorgaande kan deze verklaring niet worden aangemerkt als een verklaring die de vereiste maatstaf haalt.
Nu er sprake is van een vermoeden van witwassen en de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van deze gelden, is het hof van oordeel dat ten aanzien van de contante stortingen op de rekeningen bij de ING en Rabobank sprake is van geld dat geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk, afkomstig is van enig misdrijf en dat de verdachte dat moet hebben geweten.
Wat betreft de overige gelden/voorwerpen heeft [medeverdachte] bij de politie een verklaring afgelegd die het witwasvermoeden bevestigt. [medeverdachte] heeft verklaard dat deze gelden/voorwerpen afkomstig zijn uit het niet aan de Belastingdienst opgegeven inkomen uit zijn ondernemingen, in het bijzonder [C] , en zodoende deels uit misdrijf afkomstig zijn. Het hof hecht er evenwel aan het volgende op te merken. Uit de stukken volgt dat [medeverdachte] pas vanaf 2013 theorielessen is gaan geven. Zoals hiervoor vermeld, vonden de contante stortingen op de bankrekening in Turkije al in 2012 plaats. Op 3 augustus 2012 stortte [medeverdachte] op deze rekening een bedrag van € 15.500,00, bestaande uit 10 coupures van € 500,00, 56 coupures van € 100,00 en 98 coupures van € 50,00. Op 13 augustus 2012 stortte [medeverdachte] een bedrag van € 19.000,00 op deze rekening. Het hof stelt vast dat deze bedragen onverklaard zijn gebleven.
Met betrekking tot de overige gelden/voorwerpen heeft de verdachte verklaard dat de omvang van de contante gelden die [medeverdachte] voorhanden had haar nooit hebben bevreemd, aangezien zij haar toenmalige partner vertrouwde en ze zag hoe hard hij werkte. Ze heeft verklaard er geen weet van te hebben gehad dat [medeverdachte] zijn inkomen niet opgaf bij de Belastingdienst en dat zij zich niet bemoeide met de gelden die over de ABN-AMRO rekening liepen, aangezien zij die rekening zelf niet gebruikte. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Uit de feiten en omstandigheden zoals die in het voorgaande zijn weergegeven en overigens zijn vermeld in de bewijsmiddelen, blijkt de betrokkenheid van de verdachte. Alles wijst erop dat de verdachten [medeverdachte] uit het zicht hebben willen houden. Alle bankrekeningen stonden op naam van de verdachte, zowel in Turkije als in Nederland. [medeverdachte] stond niet ingeschreven in de woning waar hij met de verdachte samenwoonde en de hypotheek stond niet mede op zijn naam, maar op die van zijn zus, die daar niet woonde. Beide door [medeverdachte] betaalde en mede door hem gebruikte auto’s zijn op naam van de verdachte gezet. Hoewel is gebleken dat [medeverdachte] feitelijk veel bemoeienis had met restaurant [A] , kwam ook in dat verband zijn naam formeel gezien nergens terug en was de verdachte één van de vennoten. De omstandigheid dat [medeverdachte] een BKR-registratie had, kan dit alles niet verklaren. Daarbij heeft de verdachte ook zelf aanzienlijke hoeveelheden contant geld voorhanden gehad. Zo heeft zij op de Turkse bankrekening in totaal bijna € 80.000,00 contant gestort. De betreffende stortingsbewijzen zijn door de verdachte ondertekend. Daarnaast blijkt eveneens uit de eerder genoemde handgeschreven notitie dat de verdachte weet had van de aanwezigheid van contante gelden. [medeverdachte] verklaarde bij de politie dat de verdachte grote sommen geld bij hem heeft gezien. Ook lag er een bedrag van bijna € 18.000.00 verspreid door de woning en stond de handtekening van de verdachte onder de factuur van de aankoop van het appartement in Turkije. Het voorgaande maakt dat het hof de verklaring van de verdachte dat zij geen weet had van de criminele herkomst ongeloofwaardig acht en die terzijde schuift. Daarbij weegt mee dat de verdachte een politieambtenaar was; het kan redelijkerwijs niet anders zijn dan dat als de verdachte echt te goeder trouw zou zijn geweest, (kort gezegd) alle spreekwoordelijke alarmbellen hadden moeten afgaan.
Het geld dat [medeverdachte] aan belasting had moeten afdragen, is vermengd geraakt met legale gelden. De uit de belastingontduiking verkregen gelden zijn naar het oordeel van het hof niet individualiseerbaar. Er is namelijk geen duidelijk beeld van de inkomsten en de kosten van [medeverdachte] uit [C] en uit Autorijschool [B] , onder meer door het ontbreken van een behoorlijke administratie. Dit heeft tot gevolg dat het gehele vermogen aangemerkt dient te worden als in ieder geval deels van misdrijf afkomstig. Het hof roept voorts in herinnering zijn overweging dat de door [medeverdachte] gegeven verklaring, geen verklaring vormt voor de contante stortingen in Turkije in 2012.
De verdachten hebben nauw en bewust samengewerkt in het geheel. Zij stortten beiden op de bankrekeningen, zetten alles op naam van de verdachte, zorgden ervoor - in het kader van de aankoop van het restaurant [A] - dat er op schrift gestelde verklaringen waren van de verdachte om de contante gelden te verantwoorden en leefden samen van dit alles. Ook de verdachte maakte gebruik van de gelden. Zo kocht zij daarvan een appartement in Istanbul, werd er vanaf de ABN-AMRO rekening een keuken aangeschaft en hebben zij contante gelden gebruikt voor de voorziening in het levensonderhoud. Naar het oordeel van het hof is dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. Dit laatste nu de witwashandelingen zich gedurende een langere periode structureel hebben voorgedaan.”