ECLI:NL:PHR:2025:968

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
8 september 2025
Zaaknummer
23/02576
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van de opgelegde gevangenisstraf wegens schending van de redelijke termijn in een zaak van medeplegen van gewoontewitwassen

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1979, bij arrest van 3 juli 2023 door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens medeplegen van gewoontewitwassen. De verdachte heeft samen met een medeverdachte, [medeverdachte], in de periode van 1 januari 2012 tot 27 mei 2019 een gewoonte van witwassen gemaakt door contante stortingen op verschillende bankrekeningen, waarvan de herkomst onduidelijk was. De verdediging heeft in cassatie twee middelen van cassatie voorgesteld, waarbij het eerste middel zich richt op de motivering van de bewezenverklaring van het medeplegen en het tweede middel op het oordeel van het hof dat de uit belastingontduiking verkregen gelden niet individualiseerbaar zijn. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, vanwege schending van de redelijke termijn, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden en dat dit leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. De zaak heeft ook samenhang met een andere zaak (23/02569).

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02576
Zitting4 november 2025
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 3 juli 2023 (parketnr. 23-001764-21) door het gerechtshof Amsterdam wegens “medeplegen van gewoontewitwassen”, veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Voorts heeft het hof een in beslag genomen nog niet teruggegeven personenauto en een geldbedrag verbeurd verklaard. Tot slot heeft het hof heeft de teruggave aan de verdachte gelast van een in beslag genomen zaktelefoon.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 23/02569. In deze zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. C.C. Polat, advocaat in Breukelen UT, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
De verdachte is veroordeeld wegens medeplegen van gewoontewitwassen. Het eerste middel bestrijdt het bewezenverklaarde medeplegen. De bewezenverklaring zou ontoereikend zijn gemotiveerd omdat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt bij het niet afdragen van belasting over een deel van de bewezenverklaarde contante stortingen. Het tweede middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de uit de “belastingontduiking” verkregen gelden niet individualiseerbaar zijn.
2.2
De conclusie strekt tot verwerping van de middelen.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel houdt – mede gelet op de toelichting daarop – in dat het bewezenverklaarde medeplegen van gewoontewitwassen van een geldbedrag, bestaande uit onder meer de contante stortingen op [rekeningnummer 1] van in totaal € 184.295,00, ontoereikend is gemotiveerd gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd. Daartoe voert de steller van het middel aan dat de verdachte – om als medepleger te kunnen worden aangemerkt – nauw en bewust met [medeverdachte] samen diende te werken bij het niet afdragen van belasting over dit bedrag, terwijl het hof niet heeft gemotiveerd “waar deze nauwe en bewuste samenwerking bij het niet afdragen van belasting over deze contant gestorte bedragen dan uit zou hebben bestaan” en welke rol de verdachte daar dan bij zou hebben gehad.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij in de periode van 1 januari 2012 tot 27 mei 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte, en haar mededader, (van) meerdere voorwerpen, te weten:
- een geldbedrag van in totaal EUR 251.138,00, bestaande uit contante stortingen op rekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] en
- een geldbedrag van in totaal EUR 231.942,11 (deels bestemd voor de aankoop van een appartement, aangeschaft in [plaats] (Turkije)) en
- een geldbedrag van in totaal EUR 17.793,27 (aangetroffen bij/tijdens de doorzoeking van het pand [a-straat 1] ) en
- een iPhone XS (aangetroffen bij/tijdens de doorzoeking van het pand [a-straat 1] ), ter waarde van EUR 1.301,50 en
- een personenauto, een Audi A3 met [kenteken 1] met een waarde van EUR 19.747,89 (zijnde het aankoopbedrag) en
- een personenauto, een Audi A3 met [kenteken 2] ,
heeft verworven en/of omgezet
en/of
de herkomst heeft verhuld en/of heeft verhuld wie de rechthebbende op voornoemde voorwerpen was, terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”
3.3
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2023 het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnota. Die pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):

De contante gelden afkomstig van de rijschool
2. Cliënte wist dat [medeverdachte] al jaren en jaren hard aan het werk was met zijn rijschool. Hij verdiende zijn geld op een legale wijze en vaak was dat contant, niet bepaald ongebruikelijk voor die branche, al helemaal in die tijdsgeest.
De demonisering van contant geld — want zo mag je het inmiddels wel beschrijven – is immers een betrekkelijk nieuw verschijnsel.
3. Het enkele feit dat er (veel) contant geld in het spel was, is dus niet genoeg om aan te nemen dat cliënte wist dat het geld ook uit misdrijf afkomstig was.
Daarvoor is echt nodig dat zij een indicatie had dat [medeverdachte] zijn gelden niet aangaf bij de Belastingdienst. De rechtbank overwoog al dat cliënte niet samen met [medeverdachte] de belastingaangifte deed; zij was überhaupt niet betrokken bij de bedrijfsvoering.
4. Voor die indicatie van wetenschap heeft justitie geen enkel bewijsmiddel kunnen aandragen.
Dat is ook de reden dat het OM in eerste aanleg alleen maar wijst op bepaalde ‘sfeerargumenten’ en indirect bewijsmateriaal zoals ‘de rekening staat op haar naam en dat is haar verantwoordelijkheid’ om wetenschap bij haar te aannemelijk te maken.
[…]
15. Zowel cliënte als [medeverdachte] hebben beiden verklaard dat zij niets wist over de belastingontduiking.
Ondanks dat cliënte aan stevige verhoren wordt onderworpen, blijft haar standpunt steeds als volgt:

Ik ga er vanuit dat hij zijn zaken goed regelt. Ik bemoei me daar verder niet mee.
16. De consistentie waarmee cliënte dit verklaart, ondanks dat haar allerlei belastende zaken worden voorgehouden en zij echt in paniek verkeert, maakt dat haar verklaring hierin daadwerkelijk geloofwaardig overkomt.
Ook de rechtbank heeft hierover weer iets gezegd.
17. Veelzeggend vindt de verdediging ook dat [medeverdachte] in zijn tweede verhoor steeds op zijn zwijgrecht beroept, maar toch nog het volgende verklaart:

Ik vind het lastig dat mijn vrouw hierbij betrokken is. Zij heeft een schoon geweten, honderd procent
Dat zijn zware woorden.
18. In het vijfde verhoor van 20 mei 2020 geeft [medeverdachte] meer handen en voeten aan deze verklaring. Zo stelt [medeverdachte] :
‘In het begin toen ik met theorielessen begon vond ze het vreemd dat ik met grote bedragen geld thuis kwam. Ze zei van he, is dat allemaal theoriegeld. Ik zei dat dit zo was en dat 30 a 40 leerlingen in de klas had die allemaal 100 euro aftikken en dan kom je met 4000 euro thuis. Ze zei, hé, je weet het he. Ik doe alles goed, ik wil geen gezeik met mijn werk en zo. Ik zei dat alles goed was dus [verdachte] was al die jaren in de veronderstelling dat het klopt.’
En even daarvoor:
‘En ik moet zeggen, voor [verdachte] is dit allemaal heel geloofwaardig. Zij zag wat er binnenkwam van die theorie dus zij twijfelde geen moment aan van, hoe komt hij aan dat geld. Want het is allemaal van de theorie. Ik heb geen andere inkomstenbron, helemaal niets.’
19. Bij deze stand van zaken vind ik niet dat je zonder twijfel kan vaststellen dat cliënte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat [medeverdachte] deze gelden niet aangaf bij de Belastingdienst.”
3.4
Het hof heeft inzake het bewezenverklaarde overwogen:

Standpunt verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit, vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het enkele feit dat de toenmalige partner van de verdachte, de [medeverdachte] , over veel, (contant) geld beschikte, niet genoeg is om aan te nemen dat zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit geld uit misdrijf afkomstig was. De verdachte had niets te maken met de ondernemingen van [medeverdachte] en kon ook niet weten dat hij de door hem verdiende gelden niet opgaf aan de Belastingdienst. Zij vertrouwde erop dat [medeverdachte] zijn zaken op orde had. Daarnaast was een deel van de in de tenlastelegging vermelde gelden afkomstig uit de door de verdachte verkregen bruidsschat(ten), die bestond(en) uit gouden sieraden en muntjes. De verdachte verkocht steeds een deel van die sieraden als zij geld nodig had.
Inleiding
De verdachte en [medeverdachte] waren partners van elkaar en hebben samen drie (jonge) kinderen. In de ten laste gelegde periode woonden zij samen in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] .
Het opsporingsonderzoek in deze zaak is gestart naar aanleiding van de aankoop van een restaurant, genaamd [A] , door onder andere de verdachte, destijds werkzaam bij de politie, in december 2017. De gemeente gaf voor dat restaurant geen vergunning af, omdat de aankoop grotendeels gefinancierd was met geleend geld en onvoldoende uitleg kon worden gegeven omtrent de herkomst daarvan. Tijdens een ingesteld oriënterend onderzoek van de politie, naar haar [verdachte] , bleek dat er op de bankrekening van de verdachte in de periode van 14 juli 2017 tot 14 september 2017 elf contante stortingen van in totaal ruim € 55.000,00 waren gedaan waarvan de herkomst onduidelijk was.
De verdachte beschikte over bankrekeningen bij de ABN-AMRO, ING en Rabobank. Al deze bankrekeningen stonden op haar naam. De bankrekening bij de ABN-AMRO werd door [medeverdachte] gebruikt als zakelijke rekening ten behoeve van zijn ondernemingen, te weten Autorijschool [B] en [C] . [medeverdachte] droeg in de ten laste gelegde periode geen belasting af over de inkomsten die hij uit deze ondernemingen genereerde.
In de periode van 1 januari 2014 tot 25 februari 2019 werd in totaal € 184.295,00 contant op de ABN-AMRO rekening gestort. In diezelfde periode werden bedragen van respectievelijk € 34.181,00 en € 32.662,00 contant gestort op de rekeningen bij de ING en Rabobank.
In diezelfde periode liep er een bedrag van € 368.858,00 afkomstig uit lesgeld over de ABN-AMRO rekening. Vanaf deze rekening werden betalingen aan het CBR gedaan, maar dat gebeurde ook vanaf de ING rekening. Niet alle omzet van de ondernemingen van [medeverdachte] liep over de ABN-AMRO rekening. [medeverdachte] heeft verklaard dat er ook veel contant werd betaald. Dit, blijkt ook uit e-mailcorrespondentie tussen [medeverdachte] en klanten, waarin werd verzocht om (naast een girale aanbetaling van € 25,00 op de ABN-AMRO rekening) € 100,00 op de dag van het theorie-examen contant te voldoen en waarbij werd opgemerkt dat er geen pin aanwezig was. De getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] bevestigen deze werkwijze en verklaarden allen dat zij € 25,00 via de bankrekening hadden overgemaakt en vervolgens € 100,00 contant hadden betaald.
Naast de geldstromen op de ABN-AMRO rekening die betrekking hebben op de ondernemingen van [medeverdachte] , werden er vanaf deze rekening ook privé-uitgaven gedaan. Zo werd vanaf deze rekening een keuken van de Ikea bekostigd ten behoeve van de woning die op naam van de verdachte stond. Ook de rekeningen bij de ING en Rabobank werden voor privé-uitgaven gebruikt.
Tijdens de doorzoeking in voornoemde woning op 27 mei 2019, waar op het moment van binnentreden beide verdachten aanwezig waren, is - verspreid en verstopt - door de gehele woning en in de twee bij de woning geparkeerde auto’s een bedrag van € 17.793,27 aangetroffen. Het geld werd onder andere in de keuken, de ouderslaapkamer en in een kamer op de zolderetage aangetroffen. Ook werd in de woning een bon van een iPhone aangetroffen met daarop het aankoopbedrag van € 1.301,50. [medeverdachte] heeft verklaard deze contant te hebben betaald met geld dat afkomstig was uit zijn ondernemingen. De twee personenauto’s, te weten een Audi A3 met [kenteken 1]
en een Audi A3 met [kenteken 2] , stonden beide op naam van de verdachte, maar zijn door [medeverdachte] aangeschaft met contant geld dat afkomstig was uit zijn ondernemingen. Hoewel formeel gezien alleen de verdachte met de gezamenlijke kinderen op het adres van de voornoemde woning ingeschreven stond, heeft [medeverdachte] verklaard dat hij geld door deze gehele woning had liggen, werden er leskaarten en administratie van de ondernemingen van [medeverdachte] in de woning aangetroffen, werd [medeverdachte] aangetroffen in de woning bij het binnentreden op 27 mei 2019 en was de Audi A3 met kenteken l-ZDN-06 ingericht als lesauto. Feitelijk was de voornoemde woning destijds ook de woning van [medeverdachte] ; zoals hiervoor aan het begin is vermeld: de verdachten woonden destijds samen.
Op de inbeslaggenomen iPhone van [medeverdachte] werden diverse chatgesprekken aangetroffen, waaruit blijkt dat [medeverdachte] - hoewel formeel geen vennoot - veel bemoeienis had met [A] . Zo chatte hij met de andere vennoten van [A] (naast de verdachte), te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . In een chat met [betrokkene 1] verstuurt [medeverdachte] de schriftelijke verklaring van de verdachte over de contante stortingen op haar zakelijke rekening (het hof begrijpt: de rekening gebruikt voor de aankoop van [A] ), onder meer inhoudende:
“In september 2016 ben ik mijn moeder verloren. Zij is overleden en uiteindelijk begraven in Turkije, waar ik bij aanwezig was. Na het overlijden heeft zij onder andere aan mij, gouden armbanden nagelaten. Ook had ik nog goud in mijn bezit vanuit mijn bruidsschat. Het is overigens in de Turkse cultuur gebruikelijk om goud in bezit te hebben als ‘appeltje voor de dorst’.
Ik heb al het goud wat ik in mijn bezit had in september 2016 in Turkije in een goudwinkel omgewisseld naar contant geld. Dit geld heb ik toen uit Turkije meegenomen naar Nederland. Het gaat hier om een bedrag van € 10.500 euro. Ik heb het contante geld thuis in mijn kluis bewaard.”
In het vervolg van de chat met [betrokkene 1] gaat het er over dat deze verklaring door de verdachte moet worden ondertekend. In een groepschat tussen de verdachte en haar medevennoten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , aangetroffen op de telefoon van de verdachte, gaat het ook over een dergelijke verklaring. De verdachte zegt in deze chat: “
Het is klaar trouwens. [medeverdachte](het hof begrijpt: [medeverdachte] )
moet alleen uitprinten (...)”. Ook chatte [medeverdachte] met de partner van [betrokkene 1] , genaamd [betrokkene 3] . In deze chat zegt [betrokkene 3] op enig moment:
“(...) we moeten deze bedragen ook later kunnen verklaren, dus het liefst jij via misschien je rijschool rekening overmaken (...)”.
Daarnaast was er een bankrekening in Turkije op naam van de verdachte, waarop vanaf 2012 zowel [medeverdachte] als de verdachte aanzienlijke geldbedragen stortten. Daarbij werden regelmatig coupures van € 500,00, € 200,00 en € 100,00 gebruikt en in één geval werden er zelfs 33 biljetten van € 500,00 tegelijk gestort. Ook valt op dat de verdachte op 24 juli 2015 twee aparte stortingen deed van respectievelijk € 20.000,00 en € 26.994,58. Ook voornoemde [betrokkene 2] stortte op deze bankrekening.
Op 20 januari 2016 en 15 februari 2016 werden drie transacties gedaan vanaf deze rekening ten behoeve van de aankoop van een appartement in Istanbul. De handtekening van zowel [medeverdachte] als de verdachte staat onder de factuur die betrekking heeft op de aanschaf van het appartement. Op 15 februari 2016 wordt het resterende saldo op de bankrekening ter hoogte van € 231.942,11 opgenomen door [medeverdachte] en wordt de rekening opgeheven. Verder is bij het onderzoek een handgeschreven notitie van de verdachte van 14 februari 2015 aangetroffen, waarin zij toestemming geeft aan [medeverdachte] om haar geld ter waarde van € 9.000,00 mee te nemen naar Istanbul.
Tot slot is van belang dat in een tijdsbestek van ruim vijf jaren vanaf voornoemde Nederlandse bankrekeningen slechts € 9.161,00 is uitgegeven aan kosten voor voeding en huishouding. Dit wijkt aanzienlijk af van het door het Nibud berekende gemiddelde voor een gezin met jonge kinderen van vier of meer personen van ongeveer € 15,00 per dag (en ongeveer € 5.475,00 per jaar). Gelet hierop en op de hoeveelheden contant geld is aannemelijk dat er ook contant geld is gebruikt voor de bekostiging van het levensonderhoud. Dit wordt ook ondersteund door de verklaring van [medeverdachte] bij de politie – “
Wij hebben thuis een plekje waar ik altijd geld zette voor haar. Zo van hé, als je boodschappen nodig hebt, hier ligt een paar honderd euro. Doe je ding, zeg maar.”– alsmede de verklaring van de verdachte bij de politie dat als er geld nodig was voor tanken of boodschappen, [medeverdachte] haar dat gaf.
Witwasvermoeden
Gedurende de onderzoeksperiode hebben de verdachten zeer grote hoeveelheden contant geld voorhanden gehad, alsmede aankopen gedaan van auto’s, een appartement en een Iphone met contant geld. Daarbij is gebleken dat coupures van € 500,00, € 200,00 en € 100,00 werden gebruikt, hetgeen ongebruikelijk is in het normale betalingsverkeer. Voornoemde gelden en coupures kunnen niet verklaard worden door het bekende legale inkomen van de verdachten. [medeverdachte] heeft in het geheel geen inkomen opgegeven bij de Belastingdienst. Het voorgaande rechtvaardigt zonder meer een vermoeden van witwassen, zodat het aan de verdachte is een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven voor de herkomst van de geldbedragen.
Concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring
De verdachte heeft verklaard dat de contante stortingen op de rekeningen bij de ING en Rabobank - in totaal een geldbedrag van ruim zesenzestigduizend euro - afkomstig zijn uit haar bruidsschat en, zo begrijpt het hof, die van haar moeder. De verdachte en [medeverdachte] zijn in 2001 voor het geloof getrouwd en hebben daarbij vele gouden sieraden en muntjes ontvangen. Daarnaast heeft de moeder van de verdachte haar een deel van haar bruidsschat gegeven. De verdachte heeft verklaard dat zij in de loop der jaren af en toe sieraden daarvan verkocht en het contante geld in huis bewaarde, dan wel op een rekening stortte. De verdachte heeft verder verklaard dat de ABN-AMRO rekening door [medeverdachte] als zakelijke rekening werd gebruikt en dat alle overige in de tenlastelegging vermelde gelden/voorwerpen afkomstig zijn uit het inkomen van [medeverdachte] .
Wat betreft de verklaring met betrekking tot de bruidsschat(ten) overweegt het hof dat deze verklaring zodanig algemeen en onvoldoende onderbouwd is, dat deze niet verifieerbaar is. De verdachte heeft bijvoorbeeld geen bonnen of verklaringen overgelegd van de verkoop van sieraden en heeft enkel verklaard dit bij verschillende winkels in Turkije te hebben gedaan. Voorts heeft zij geen inzicht gegeven in de omvang van haar bruidsschat(ten) en heeft zij daaromtrent ook wisselend verklaard. Zo heeft de verdachte met betrekking tot de bruidsschat van haar moeder in eerste instantie verklaard dat zij die al ingewisseld had in Turkije en daar niet zoveel, iets van € 4.000,00, voor heeft gekregen, en ten aanzien van haar eigen bruidsschat verklaarde zij bij de politie nog dat zij die niet verzilverde omdat het traditie is dat die wordt bewaard voor de kinderen. Voorts wijst het hof op de hiervoor geciteerde schriftelijke verklaring van de verdachte in het kader van de aankoop van het restaurant [A] . Gelet op het voorgaande kan deze verklaring niet worden aangemerkt als een verklaring die de vereiste maatstaf haalt.
Nu er sprake is van een vermoeden van witwassen en de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van deze gelden, is het hof van oordeel dat ten aanzien van de contante stortingen op de rekeningen bij de ING en Rabobank sprake is van geld dat geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk, afkomstig is van enig misdrijf en dat de verdachte dat moet hebben geweten.
Wat betreft de overige gelden/voorwerpen heeft [medeverdachte] bij de politie een verklaring afgelegd die het witwasvermoeden bevestigt. [medeverdachte] heeft verklaard dat deze gelden/voorwerpen afkomstig zijn uit het niet aan de Belastingdienst opgegeven inkomen uit zijn ondernemingen, in het bijzonder [C] , en zodoende deels uit misdrijf afkomstig zijn. Het hof hecht er evenwel aan het volgende op te merken. Uit de stukken volgt dat [medeverdachte] pas vanaf 2013 theorielessen is gaan geven. Zoals hiervoor vermeld, vonden de contante stortingen op de bankrekening in Turkije al in 2012 plaats. Op 3 augustus 2012 stortte [medeverdachte] op deze rekening een bedrag van € 15.500,00, bestaande uit 10 coupures van € 500,00, 56 coupures van € 100,00 en 98 coupures van € 50,00. Op 13 augustus 2012 stortte [medeverdachte] een bedrag van € 19.000,00 op deze rekening. Het hof stelt vast dat deze bedragen onverklaard zijn gebleven.
Wetenschap [verdachte]
Met betrekking tot de overige gelden/voorwerpen heeft de verdachte verklaard dat de omvang van de contante gelden die [medeverdachte] voorhanden had haar nooit hebben bevreemd, aangezien zij haar toenmalige partner vertrouwde en ze zag hoe hard hij werkte. Ze heeft verklaard er geen weet van te hebben gehad dat [medeverdachte] zijn inkomen niet opgaf bij de Belastingdienst en dat zij zich niet bemoeide met de gelden die over de ABN-AMRO rekening liepen, aangezien zij die rekening zelf niet gebruikte. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Uit de feiten en omstandigheden zoals die in het voorgaande zijn weergegeven en overigens zijn vermeld in de bewijsmiddelen, blijkt de betrokkenheid van de verdachte. Alles wijst erop dat de verdachten [medeverdachte] uit het zicht hebben willen houden. Alle bankrekeningen stonden op naam van de verdachte, zowel in Turkije als in Nederland. [medeverdachte] stond niet ingeschreven in de woning waar hij met de verdachte samenwoonde en de hypotheek stond niet mede op zijn naam, maar op die van zijn zus, die daar niet woonde. Beide door [medeverdachte] betaalde en mede door hem gebruikte auto’s zijn op naam van de verdachte gezet. Hoewel is gebleken dat [medeverdachte] feitelijk veel bemoeienis had met restaurant [A] , kwam ook in dat verband zijn naam formeel gezien nergens terug en was de verdachte één van de vennoten. De omstandigheid dat [medeverdachte] een BKR-registratie had, kan dit alles niet verklaren. Daarbij heeft de verdachte ook zelf aanzienlijke hoeveelheden contant geld voorhanden gehad. Zo heeft zij op de Turkse bankrekening in totaal bijna € 80.000,00 contant gestort. De betreffende stortingsbewijzen zijn door de verdachte ondertekend. Daarnaast blijkt eveneens uit de eerder genoemde handgeschreven notitie dat de verdachte weet had van de aanwezigheid van contante gelden. [medeverdachte] verklaarde bij de politie dat de verdachte grote sommen geld bij hem heeft gezien. Ook lag er een bedrag van bijna € 18.000.00 verspreid door de woning en stond de handtekening van de verdachte onder de factuur van de aankoop van het appartement in Turkije. Het voorgaande maakt dat het hof de verklaring van de verdachte dat zij geen weet had van de criminele herkomst ongeloofwaardig acht en die terzijde schuift. Daarbij weegt mee dat de verdachte een politieambtenaar was; het kan redelijkerwijs niet anders zijn dan dat als de verdachte echt te goeder trouw zou zijn geweest, (kort gezegd) alle spreekwoordelijke alarmbellen hadden moeten afgaan.
Vermenging
Het geld dat [medeverdachte] aan belasting had moeten afdragen, is vermengd geraakt met legale gelden. De uit de belastingontduiking verkregen gelden zijn naar het oordeel van het hof niet individualiseerbaar. Er is namelijk geen duidelijk beeld van de inkomsten en de kosten van [medeverdachte] uit [C] en uit Autorijschool [B] , onder meer door het ontbreken van een behoorlijke administratie. Dit heeft tot gevolg dat het gehele vermogen aangemerkt dient te worden als in ieder geval deels van misdrijf afkomstig. Het hof roept voorts in herinnering zijn overweging dat de door [medeverdachte] gegeven verklaring, geen verklaring vormt voor de contante stortingen in Turkije in 2012.
Medeplegen
De verdachten hebben nauw en bewust samengewerkt in het geheel. Zij stortten beiden op de bankrekeningen, zetten alles op naam van de verdachte, zorgden ervoor - in het kader van de aankoop van het restaurant [A] - dat er op schrift gestelde verklaringen waren van de verdachte om de contante gelden te verantwoorden en leefden samen van dit alles. Ook de verdachte maakte gebruik van de gelden. Zo kocht zij daarvan een appartement in Istanbul, werd er vanaf de ABN-AMRO rekening een keuken aangeschaft en hebben zij contante gelden gebruikt voor de voorziening in het levensonderhoud. Naar het oordeel van het hof is dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. Dit laatste nu de witwashandelingen zich gedurende een langere periode structureel hebben voorgedaan.”
3.5
Het middel gaat er in de kern van uit dat voor een bewezenverklaring van medeplegen van gewoontewitwassen is vereist dat wordt bewezen dat de verdachte een gronddelict heeft medegepleegd, in dit geval opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd. Die opvatting vindt geen steun in het recht. De bewezenverklaring van medeplegen van gewoontewitwassen is om die reden niet ontoereikend gemotiveerd.
3.6
Ondertussen volgt de bewezenverklaring uit de bewijsvoering en is deze niet ontoereikend gemotiveerd, mede gelet op hetgeen daarover in hoger beroep en cassatie is aangevoerd. Daarbij merk ik op dat de bewijsvoering is gericht op de wetenschap van de verdachte van “de criminele herkomst” van het geld (en dus niet op de belastingontduiking) en dat uit die bewijsvoering ook blijkt dat de verdachte moet hebben geweten van de criminele herkomst van het geld. Onder meer de betrokkenheid van de verdachte bij de bankrekeningen, haar wetenschap van de aanwezigheid van contante gelden, het zelf voorhanden hebben gehad van aanzienlijke hoeveelheden contant geld, het op haar naam staan van door de verdachte gebruikte auto’s, de omstandigheid dat de medeverdachte niet stond ingeschreven in de woning waar hij met de verdachte samenwoonde en dat de hypotheek op die woning niet mede op de naam van de medeverdachte stond maar op die van zijn zus die daar niet woonde (deze zus en de verdachte waren eigenaar van de woning), bracht het hof immers ertoe de verklaring van de verdachte dat zij geen weet had van “de criminele herkomst” ongeloofwaardig te achten en die terzijde te schuiven. Daartoe heeft voor het hof meegewogen “dat de verdachte een politieambtenaar was” en kennelijk (ook) daarom dat het “redelijkerwijs niet anders [kan] zijn dan dat als de verdachte echt te goeder trouw zou zijn geweest, (kort gezegd) alle spreekwoordelijke alarmbellen hadden moeten afgaan.” Hierbij verdient tot slot nog opmerking dat dat het (onder 3.3 opgenomen) in hoger beroep gevoerde verweer waarop in het middel wordt gewezen, betrekking heeft op verdachtes wetenschap van het gronddelict (belastingontduiking). De essentie van het cassatiemiddel is echter dat het hof voor de bewezenverklaring van medeplegen van het gronddelict had “dienen te motiveren waar deze nauwe en bewuste samenwerking bij het niet afdragen van belasting over deze contant gestorte bedragen dan uit zou hebben bestaan”. Over de bewezenverklaring en bewijsvoering dat de verdachte en de medeverdachte wisten van de criminele herkomst van ook de contante stortingen op ABN AMRO-rekening wordt in cassatie niet specifiek geklaagd.
3.7
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel houdt blijkens de toelichting daarop in dat het oordeel van het hof dat de uit de “belastingontduiking” verkregen gelden niet individualiseerbaar zijn ontoereikend is gemotiveerd. De steller van het middel voert daartoe aan dat het bedrag aan contante stortingen op [rekeningnummer 1] van in totaal van in totaal € 184.295,00 “volledig afkomstig is van theorielessen”, dat “enkel het bedrag dat aan belasting is ontdoken, [kan] worden aangemerkt als uit enig misdrijf afkomstig” en dat dit bedrag “weldegelijk individualiseerbaar” is en niet vermengd is geraakt “met andere (legale) gelden”.
4.2
Het voorwerp dat wordt witgewassen, dient afkomstig te zijn uit een voorafgaand misdrijf. HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1377 houdt daarover in:
“2.3.1 Vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als voorwerpen ‘afkomstig (...) uit enig misdrijf’ in de zin van de artikelen 420bis, 420ter en 420quater van het Wetboek van Strafrecht (vgl. HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774).
2.3.2
In het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, kan het aldus vermengde vermogen worden aangemerkt als “mede” of “deels” uit misdrijf afkomstig. De aanwezigheid in een vermogen van bestanddelen met een criminele herkomst brengt op zichzelf nog niet mee dat het gehele vermogen als van enig misdrijf afkomstig dient te worden aangemerkt. (Vgl. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578).”
4.3
In het in rechtsoverweging 2.3.2 aangehaalde arrest – HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578,
NJ2011/44 m.nt. Keijzer – overwoog de Hoge Raad als volgt:
“3.6.1 De witwasbepalingen kunnen dus in zeer uiteenlopende gevallen toepassing vinden. Daarbij, zo vloeit uit het voorafgaande voort, kan worden onderscheiden tussen
(i) de situatie waarin het vermogen ‘gedeeltelijk’ van misdrijf van afkomstig is, aldus dat legaal vermogen is ‘besmet’ doordat daaraan van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn toegevoegd (vermenging), en
(ii) de situatie waarin het vermogen ‘middellijk’ van misdrijf van afkomstig is, dus bestaat uit vermogensbestanddelen die afkomstig zijn van (vervolg)transacties die zijn uitgevoerd met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen.
Dit onderscheid sluit niet uit dat beide situaties zich ten opzichte van een bepaald vermogen voordoen.
Denkbaar is dat in zulke situaties een vermogensbestanddeel met een criminele herkomst zich binnen het na vermenging gevormde vermogen niet meer laat individualiseren. In het bijzonder in die situatie kan zich het geval voordoen dat het vermogen — en nadien elke betaling daaruit — wordt aangemerkt als (middellijk) gedeeltelijk van misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen.
3.6.2
Door de wetgever is geen begrenzing gesteld aan de mate waarin vermogensbestanddelen gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig kunnen zijn. De wetgever heeft het aldus aan het openbaar ministerie en de rechter overgelaten ervoor te zorgen dat de witwasbepalingen niet worden toegepast ten aanzien van in wezen niet-strafwaardige gedragingen. Die terughoudende toepassing is van groot belang omdat een te ruim bereik van de witwasbepalingen een normaal handelsverkeer onevenredig zou kunnen belemmeren. Dit gevaar dreigt vooral wanneer het illegale deel van een vermogen relatief gering is alsook wanneer door vervolgtransacties met (gedeeltelijk) van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen het verband met het gronddelict onduidelijk is geworden. Uit het onder 3.5 overwogene vloeit immers — naar de letter bezien — voort dat bijvoorbeeld de vermenging van een gering geldbedrag met een criminele herkomst met een groot op legale wijze verkregen geldbedrag tot gevolg heeft dat dit gehele geldbedrag (en elke daaruit gedane betaling) kan worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen, en voorts dat bijvoorbeeld een gestolen voorwerp, ook nadat het vele malen op bonafide wijze van eigenaar is gewisseld, van misdrijf afkomstig blijft.
3.6.3
In het licht van het vorenstaande en in aanmerking genomen dat in situaties waarin het gaat om vermogen dat gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig is, een onbegrensde wetstoepassing niet in alle gevallen strookt met de bedoeling van de wetgever, moet worden aangenomen dat bepaald gedrag onder omstandigheden niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Daarbij kan in de beoordeling worden betrokken of sprake is van:
- een geringe waarde van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel dat met een op legale wijze verkregen vermogen vermengd is geraakt, al dan niet in verhouding tot de omvang van het op legale wijze verkregen deel;
- een groot tijdsverloop tussen het moment waarop het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel is vermengd met het legale vermogen en het tijdstip waarop het verwijt van witwassen betrekking heeft;
- een groot aantal of bijzondere veranderingen in dat vermogen in de tussentijd;
- een incidenteel karakter van de vermenging van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel met het legale vermogen.
Bij de keuze van de in dit verband in acht te nemen omstandigheden kan van belang zijn of sprake is van de hiervoor onder 3.6.1 sub (i) en (ii) onderscheiden situaties. Gelet op de vele varianten waarin het witwassen in de praktijk kan plaatsvinden, die zich bovendien niet op voorhand laten overzien, is de hiervoor gegeven opsomming van mogelijk in de beoordeling te betrekken omstandigheden niet limitatief.”
4.4
Het hof heeft inzake de vermenging vastgesteld dat het geld dat [medeverdachte] aan belasting had moeten afdragen met legale gelden vermengd is geraakt. Het hof heeft geoordeeld dat de uit de belastingontduiking verkregen gelden niet individualiseerbaar zijn. Daartoe houdt het arrest in dat er geen duidelijk beeld is “van de inkomsten en de kosten van [medeverdachte] uit [C] en uit Autorijschool [B] , onder meer door het ontbreken van een behoorlijke administratie”. Volgens het hof heeft dit tot gevolg dat “het gehele vermogen aangemerkt dient te worden als in ieder geval deels van misdrijf afkomstig”.
4.5
In de kern komt de motivering van het oordeel van het hof erop neer dat – wegens onder meer het ontbreken van een behoorlijke administratie – niet is te achterhalen hoeveel legale inkomsten [medeverdachte] uit zijn onderneming heeft gekregen en hoeveel kosten hij daarbij heeft gemaakt, waardoor niet valt vast te stellen hoeveel belasting had moeten worden afgedragen. Het hof heeft het door de verdediging ingenomen standpunt dat het op de ABN AMRO-rekening contant gestorte bedrag van € 184.295,00 volledig afkomstig was van theorielessen niet bevestigd en uit het voorgaande volgt dat de door het hof gegeven motivering de verwerping van dit standpunt impliceert. Een en ander betekent dat inderdaad niet individualiseerbaar is welk deel van voormeld bedrag aan belastingen had moeten worden betaald en dus om die reden afkomstig is van misdrijf (belastingontduiking). Maar ook wanneer het bedrag aan contante stortingen op [rekeningnummer 1] van in totaal € 184.295,00 wel “volledig afkomstig” zou zijn geweest van theorielessen – zoals de steller van het middel wil – brengt dat niet met zich dat individualiseerbaar is welk deel daarvan aan belastingen betaald had moeten worden en om die reden afkomstig is van belastingontduiking. Als gevolg van het ontbreken van een behoorlijke administratie inzake onder meer inkomsten en kosten, valt ook dan immers niet precies vast te stellen welk bedrag aan belastingen had moeten worden afgedragen. Het oordeel van het hof is, mede gelet op hetgeen in hoger beroep door de raadsman van de verdachte is aangevoerd en gezien de onder 4.2 en 4.3 besproken rechtspraak van de Hoge Raad, niet ontoereikend gemotiveerd.
4.6
Het middel faalt.

5.Afronding

5.1
De middelen falen. Ik merk in verband met de afdoening in cassatie op dat de rechtbank de verdachte van het tenlastegelegde heeft vrijgesproken. Toepassing van art. 81 lid 1 RO ligt daarom niet in de rede.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 4 juli 2023. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf.
5.3
Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG