Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
of hij doodt mij of ik dood hem.” Ik weet niet wat voor vuurwapen het was. Ik weet dat het een pistool was, maar ik weet niet welke soort. Ik heb geen ervaring met wapens. Ik had nooit eerder een vuurwapen in mijn hand gehad, nog nooit. De voorzitter vraagt mij hoe ik wist hoe ik het wapen moest bedienen. Ik antwoord hierop dat ik dat niet weet. Ik was op dat moment getraumatiseerd. Ik kan er niets over zeggen, ik weet niet meer hoe het precies is gegaan. Ik weet niet eens hoe vaak ik heb geschoten. De voorzitter houdt mij voor dat er sprake was van drie inschoten in het bovenlichaam van het slachtoffer. Hierbij zijn de longen en de lever geraakt. De voorzitter houdt mij voor dat hij probeert te bedenken hoe het kan dat iemand die nog nooit een wapen ter hand heeft gehad, precies weet hoe hij het wapen moet gebruiken, hoe hij adequaat en gericht heeft weten te schieten. Ik antwoord hierop dat het volgens mij wel vaker voorkomt dat men in zo’n bizarre situatie achteraf niet meer precies weet hoe één en ander is gegaan. Ik weet het niet; ik verdedigde me gewoon. Ik weet wel hoe een pistool eruit ziet. Ik heb er nooit één gehad. Ik weet niet of het wapen al was doorgeladen toen ik het vastpakte. Ik heb gewoon gedrukt. Ik lag op de grond, op mijn rug. Ik denk dat ik met mijn rechterhand het wapen heb gepakt. Ik heb gedrukt waar de trekker is. Ik kan het niet beter uitleggen. Ik heb als kind een waterpistool gehad, dan weet je waar je op moet drukken. Dat heb ik bij dit vuurwapen ook gedaan. Ik weet niet wat een slede van een wapen is. Ik heb die niet naar achteren getrokken.
dynamic event”, waarbij het slachtoffer voorover gebogen moet hebben gestaan tijdens één van de inschoten, aldus de raadsvrouw.”
Noodweer
een ander.
dat art. 41 Sr Pro. onder de daar omschreven omstandigheden straffeloosheid verzekerde in geval van ‘ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding’ daarbij niet alleen doelt op gedragingen, welke kunnen worden beschouwd als een feitelijke aantasting van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, maar ook op gedragingen, welke een onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aantasting opleveren, zodat moet worden aangenomen, dat het Hof bij de weerlegging van rekw. ‘s beroep op noodweer zich bedienende van de wettelijke term ‘aanranding’, mede heeft vastgesteld, dat ook van laatstbedoelde gedraging niet is gebleken.’
nietals maatstaf dat de feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij beoordeling van de feitelijke grondslag gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht voldoende aannemelijk is geworden. Aan dat oordeel staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.
Iemand, die geconfronteerd wordt met een poging tot verkrachting of doodslag, mag zowel verdedigend optreden, als angst voelen. De angstgevoelens vinden hun grondslag in door het recht beschermde belangen. De legitimiteit van de angstgevoelens staat daarom buiten kijf. De angstige excessent kan als volgt gekarakteriseerd worden: 1) de actor bevindt zich buiten zijn schuld in een situatie, waarin verdedigingshandelingen gerechtvaardigd zijn; 2) de noodweersituatie vormt een terechte aanleiding voor angstgevoelens; 3) de angstgevoelens leiden tot een gebrek aan controle. Deze combinatie van factoren maakt dat de excessent weinig te verwijten valt.
Verweren ten aanzien van de strafbaarheid
very dynamic event” – aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een dynamische situatie waarbij ook het slachtoffer zich niet onbetuigd heeft gelaten. Dat de verdachte in de gegeven situatie niet anders kon of behoefde te handelen dan hij heeft gedaan, volgt het Hof evenwel niet.
dynamic event”, waarbij het slachtoffer voorover gebogen moet hebben gestaan tijdens één van de inschoten.