Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
primair
proces-verbaal van aangifte, pagina 257-259, voor zover inhoudende als verklaring van
[slachtoffer 1]– zakelijk weergegeven:
proces-verbaal van verhoor, pagina 262-263, voor zover inhoudende als verklaring van
[slachtoffer 2]– zakelijk weergegeven:
proces-verbaal forensisch onderzoek woning, pagina 269-271, voor zover inhoudende als relaas van
[verbalisant 1]– zakelijk weergegeven:
proces-verbaal van bevindingen, pagina 298-300, voor zover inhoudende als verklaring van
[getuige]– zakelijk weergegeven:
proces-verbaal aanvraag DNA-onderzoek sporen en benoeming DNA-deskundige, pagina 312-313, voor zover inhoudende als relaas van
[verbalisant 1]– zakelijk weergegeven:
proces-verbaal aanvraag DNA-onderzoek sporen en benoeming DNA-deskundige, pagina 312-313, voor zover inhoudende als relaas van
[verbalisant 1]– zakelijk weergegeven:
proces-verbaal van bevindingen, pagina 358-359, voor zover inhoudende als relaas van
[verbalisant 2]– zakelijk weergegeven:
rapport van het Nederlands Forensisch Instituutvan 23 augustus 2019, pagina 316-322, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
rapport van het Nederlands Forensisch Instituutvan 26 november 2019, pagina 330-335, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
meer dan 1 miljard keer waarschijnlijkerwanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
meer dan 1 miljard keer waarschijnlijkerwanneer hypothese 3 waar is, dan wanneer hypothese 4 waar is.
meer dan 3 miljoen keer waarschijnlijkerwanneer hypothese 5 waar is, dan wanneer hypothese 6 waar is.
meer dan 1 miljard keer waarschijnlijkerwanneer hypothese 7 waar is, dan wanneer hypothese 8 waar is.
rapport van het Nederlands Forensisch Instituutvan 25 maart 2022, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
rapport van het Nederlands Forensisch Instituutvan 9 juni 2022, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
proces-verbaal van bevindingen, pagina 351-354, voor zover inhoudende als relaas van
[verbalisant 3]– zakelijk weergegeven:
Feiten
eerderedrager van een handschoen nadat deze gedurende minimaal enkele minuten is gedragen door een tweede persoon, zeer klein tot klein is.
kunnenzijn voor een bewezenverklaring kan in cassatie worden ingegrepen. [3]
zowelde kans dat een enkelvoudig DNA-profiel in een handschoen die enkele minuten is gedragen, wordt aangetroffen van iemand die niet de laatste drager is
alsdat de kans op het niet aantreffen van het DNA van de tweede drager beide zeer klein tot klein zijn. Uitgaande van het door de verdediging geschetste scenario, namelijk dat de verdachte de handschoen eerder heeft gedragen, dat hij deze vervolgens aan zijn medeverdachte heeft uitgeleend en dat zijn medeverdachte deze heeft gedragen gedurende de overval, is zowel a) het aantreffen van het DNA van de verdachte aan de binnenzijde van de handschoen zeer opmerkelijk (de kans daarop, zo volgt uit de eerste stelling van de deskundige, is immers klein tot zeer klein) als b) het niet aantreffen van DNA van de medeverdachte aan de binnenzijde van deze handschoen zeer opmerkelijk (ook de kans hierop, zo volgt uit de tweede stelling van de deskundige, is klein tot zeer klein). De kans dat
beidedoor de deskundige geschetste omstandigheden zich tegelijkertijd voordoen, hetgeen het geval moet zijn als het door de verdediging geschetste scenario juist is, is nog een stuk kleiner dan de kans (<5-25%) die de deskundige aan zijn respectievelijke uitspraken heeft verbonden.