Conclusie
eiseres tot cassatie,
gevestigd te Wolfsburg, Duitsland,
1.Inleiding
2.Feiten
3.Procesverloop
4.Bespreking van het cassatiemiddel
De regels van internationaal bevoegdheidsrecht zijn van openbare orde, zodat ambtshalve moet worden getoetst of de rechtbank Amsterdam op grond van de Verordening Brussel I-bis bevoegd is kennis te nemen van de vordering van EHG-NL. Hierbij wordt niet alleen acht geslagen op de stellingen van EHG-NL, maar ook op de beschikbare gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en op de stellingen van Volkswagen. (rov. 4.3)
De hoofdregel in art. 4 lid 1 Brussel Pro I-bis leidt niet tot rechtsmacht omdat Volkswagen geen woonplaats heeft in Nederland in de zin van art. 63 lid 1 Brussel Pro I-bis. (rov. 4.4)
De door EHG-NL gevorderde negatieve verklaringen voor recht vormen het spiegelbeeld van de vorderingen van Volkswagen tegen EHG-NL in de Duitse procedure. EHG-NL beoogt hiermee in verband met de Duitse procedure zekerheid te verkrijgen over haar rechtspositie jegens Volkswagen. (rov. 4.5)
De vordering onder (a) ziet op een instructie van EHG-NL aan de dochtermaatschappijen voorafgaand aan het staken van de levering van auto-onderdelen aan Volkswagen c.s. Vaststaat dat EHG-NL middels een e-mailbericht van 1 augustus 2016 van [betrokkene 1] aan de dochtermaatschappijen de instructie heeft gegeven dat zij slechts aan Volkswagen c.s. mochten leveren onder de voorwaarde van vooruitbetaling of garantiestelling (hierna: de [betrokkene 1] instructie). Art. 7 sub Pro 1 Brussel I-bis biedt geen grondslag voor de rechtsmacht ten aanzien van de vordering onder (a). (rov. 4.6)
Een vordering tot een negatieve verklaring voor recht die ertoe strekt het bestaan van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad te ontkennen, valt binnen de werkingssfeer van art. 7 sub Pro 2 Brussel I-bis. In de fase van het onderzoek naar de internationale bevoegdheid worden uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat geïdentificeerd die rechtsmacht rechtvaardigen en vindt geen beoordeling plaats van de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de negatief declaratoire vordering volgens de regels van nationaal recht. (rov. 4.7)
Art. 7 sub Pro 2 Brussel I-bis vereist dat een causaal verband kan worden aangetoond tussen de beweerdelijk geleden schade en het gestelde schadeveroorzakende feit. Het gaat hier om de autonoom uit te leggen causaliteit van art. 7 sub Pro 2 Brussel I-bis, niet om de kans van slagen van een op onrechtmatige daad gebaseerde schadevergoeding ten gronde. Volkswagen houdt EHG-NL in de Duitse procedure aansprakelijk voor beweerdelijk door Volkswagen c.s. geleden schade als gevolg van het stopzetten van de levering door de dochtermaatschappijen. Zij verwijt EHG-NL dat zij de dochtermaatschappijen heeft geïnstrueerd. De gestelde onrechtmatige gedraging van EHG-NL bestaat daarmee uit het (met de instructie) uitlokken van wanprestatie van de dochtermaatschappijen jegens Volkswagen c.s. Voor het op grond van art. 7 sub Pro 2 Brussel I-bis vereiste causaal verband volstaat dat de instructie van EHG-NL een noodzakelijke voorwaarde heeft gevormd voor de staking van de levering aan Volkswagen c.s. die beweerdelijk schade heeft veroorzaakt bij Volkswagen c.s. Partijen zijn het erover eens dat EHG-NL op 1 augustus 2016 [5] de dochtermaatschappijen heeft geïnstrueerd om alleen aan Volkswagen c.s. te leveren bij vooruitbetaling of zekerheidstelling. Niet in geschil is dat dit een onder de leveringsovereenkomsten tussen de dochtermaatschappijen en Volkswagen c.s. toelaatbare voorwaarde is. Daarmee is niet voldaan aan het bij toepassing van art. 7 sub Pro 2 Brussel I-bis vereiste causaal verband tussen deze instructie en de beweerdelijke schade van Volkswagen c.s. De door EHG-NL betwiste suggestie van Volkswagen dat EHG-NL vanwege de verwijzing naar de instructie door de dochtermaatschappijen bij het stopzetten van de levering, een nadere instructie moet hebben gegeven om de levering aan Volkswagen c.s. geheel stop te zetten (hierna: de nadere instructie), is onvoldoende concreet om te kunnen dienen als aanknoping voor de rechtsmacht van de rechtbank Amsterdam als plaats van de veroorzakende gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt. (rov. 4.8)
De onder (b) gevorderde verklaring voor recht dat Volkswagen de schikkingsovereenkomst niet geldig heeft ontbonden, vernietigd c.q. opgezegd, strekt ertoe vast te stellen dat deze overeenkomst onverkort geldt. EHG-NL stelt dat zij deze vordering heeft ingesteld in het kader van haar materiële verweer tegen de op onrechtmatige daad gebaseerde vordering van Volkswagen in de Duitse procedure. Deze context van een onrechtmatige daadsactie waarin EHG-NL zich wenst te beroepen op de onder (b) gevorderde verklaring voor recht, neemt niet weg dat de schikkingsovereenkomst aan deze vordering ten grondslag ligt. De vordering onder (b) houdt dan ook verband met een verbintenis uit overeenkomst in de zin van art. 7 sub Pro 1 Brussel I-bis. Deze bepaling biedt geen grondslag voor de rechtsmacht van de rechtbank Amsterdam, omdat gesteld noch gebleken is dat enige verbintenis – waaronder dus ook de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt – voortvloeiend uit de schikkingsovereenkomst in Amsterdam is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Er is geen andere in aanmerking komende grondslag voor de rechtsmacht van de rechtbank Amsterdam om kennis te nemen van deze vordering. (rov. 4.9)
De vordering onder (c) en (d) bouwt voort op de vordering onder (a) en (b) en deelt daarmee hetzelfde lot. (rov. 4.10)
De slotsom luidt dat de rechtbank Amsterdam zich terecht onbevoegd heeft verklaard om van de vordering van EHG-NL kennis te nemen. (rov. 4.11)
onderdeel IVdeelt het lot van de voorgaande onderdelen.