ECLI:NL:PHR:2025:674
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over medeplegen poging doodslag en overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag door het slachtoffer tweemaal met een groot vleesmes in of rond het oog te steken. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank behalve ten aanzien van de strafoplegging, waarbij een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden werd opgelegd.
Het eerste middel betrof het bewijs van voorwaardelijk opzet op de dood. De Hoge Raad concludeert dat het hof terecht oordeelde dat door het steken in het oog met een mes een aanmerkelijke kans op overlijden bestond die de verdachte bewust heeft aanvaard. Het middel faalt.
Het tweede middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De Hoge Raad stelt vast dat het hof ten onrechte uitging van een maximale redelijke termijn van twee jaar, terwijl vanwege voorlopige hechtenis een termijn van zestien maanden had moeten gelden. De overschrijding bedraagt daardoor twee jaar en bijna vier maanden, wat een grotere strafvermindering rechtvaardigt.
Het derde middel betreft overschrijding van de inzendtermijn in cassatie, die met zes dagen werd overschreden. Dit wordt erkend als terecht, maar leidt niet tot niet-ontvankelijkheid.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van het arrest voor zover het de strafduur betreft en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige. De Hoge Raad zal de strafmaat passend bepalen op basis van artikel 440 Sv Pro.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor de strafoplegging en de Hoge Raad zal een passende straf opleggen.