Conclusie
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2:96, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd” en
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door veertig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro, en met verbeurdverklaring van zeventien documentordners.
“Bespreking van de ten laste gelegde feiten
a) de aandelen in [D] Inc. maken deel uit van een (nieuwe) aandelenemissie;
b) de inleg zou volledig of grotendeels worden besteed aan de aankoop van de aandelen en/of (bij de aankoop) zou(den) (vrijwel) geen kosten en/of commissie(s) (bij de beleggers) in mindering worden gebracht op de inleg;
c) met de inleg zou een (toren)hoog/goed/groot rendement en/of winst behaald worden;
d) [D] Inc. was een houtverwerkende onderneming met uitstekende toekomstperspectieven;
e) de aandelen [D] Inc. hadden een notering aan de NASDAQ;
f) [E] en/of [F] GmbH stonden onder toezicht van de Nederlandse Autoriteit Financiële Markten.
met hun inleg een (toren)hoog/goed/groot rendement en/of winst behaald zou worden.”
dat zijn geld zou worden belegd in [A] , maar hij verklaart bij het begin van zijn eerste verhoor niet dat er door [verdachte] gesproken is over een emissie. Pas na enig doorvragen van de FIOD verklaart [benadeelde 2] op de vraag of het nieuwe of bestaande aandelen waren:
denkdat het een nieuwe emissie was. Als het nieuwe aandelen zijn komt het geld in [A] terecht, zo zie ik het. Zo is het mij ook verteld. [A] had geld nodig om te groeien. Er is nooit tegen mij gezegd dat het bestaande aandelen waren. Mij is voorgehouden dat het een nieuwe emissie was. In mijn optiek is het het uitbrengen van nieuwe aandelen. Op deze manier kun je alleen maar nieuw geld aantrekken. Bestaande aandelen kopen leveren geen nieuw geld op. Zoals ik al eerder verklaarde ben ik dus van mening dat ik aandelen heb gekocht van het uitbrengen van een nieuwe emissie.”
[O] Ltd. klein gestart was in 2002 en/of uitgegroeid was tot wereldspeler en/of
[O] Ltd. verhandelbare, vrijwillige CO emissierechten aanbood met een uitstekend verwacht rendement en/of dat de rendementen van verhandelbare, vrijwillige emissierechten in potentie hoog konden zijn en/of
de focus van [O] was het optimaliseren van rendement op emissierechten voor investeerders en/of
verwachte (wereldwijde) marktontwikkelingen en/of verplichtingen voor bedrijven en/of verwachte prijsontwikkelingen en/of rendementen die golden voor (de handel in) verplichte emissierechten, ook golden voor de handel in vrijwillige emissierechten en/of
de aangeschafte carbon credits werden bewaard onder de hoofdrekening van een beheerder, die onder het toezicht viel van de Verein zur Qualitatssicherung von Finanzdienstleistungen (de Zwitserse toezichthouder), bij een door de Verenigde Naties goedgekeurd internationaal Carbon Credit Register.
emissierecht is de afgelopen jaren
van [O] Ltd.
“De verklaringen van de verdachte
De beleggers en hun inleg in de aandelen [C] en/of [D]
De brieven aan de beleggers en de brochures [C] en [D]
, een dronk uit te brengen op [C] . Daarom verwijs ik u graag naar bijgaande folder (...).
, een dronk uit te brengen op [C] . Daarom verwijs ik u graag naar bijgaande folder (...). . Een dezer dagen neem ik contact met u op om van gedachten te wisselen over deze karakteristieke en veelbelovende emissie.
, een dronk uit te brengen op [C] Inc. Daarom hebben wij ter kennismaking bijgaande beknopte brochure toegevoegd.
De nieuwsbrieven van [E] en [F]
De herkomst van de aandelen [C] en [D]
Verklaringen van medewerkers van [E] en [F]
Onderzoek gegevens AFM
Verjaring feit 4; Wet op het financieel toezicht (Wft)
hij in de periode van 14 juli 2011 tot en met 30 juni 2013, in Nederland en in Duitsland, opzettelijk, zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning, in Nederland beleggingsdiensten heeft verleend, door het verkopen van aandelen in [A] AG aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2]”. [7]
Feit 4. Handelen zonder vergunning [A]
Voor wat betreft het bewezenverklaarde onder feit 4 primair, het Wft-feit, geldt als bijzonderheid dat de nog aan de orde zijnde feiten binnenkort zullen verjaren. Indien [verdachte] beroep in cassatie zou instellen, zou de Hoge Raad moeten concluderen dat de bewezenverklaarde feiten (dan wel een gedeelte daarvan) zijn verjaard en zou hij de zaak moeten terugwijzen naar het hof. Om dit te voorkomen, en te bevorderen dat de Hoge Raad in voorkomend geval de zaak zelf kan afdoen, en in het voordeel van [verdachte] , zal het hof om redenen van doelmatigheid bij de strafoplegging geen rekening houden met het onder 4 primair bewezenverklaarde. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit geldt voor het onder 4 primair bewezenverklaarde, maar niet voor het onder 7 bewezenverklaarde.” [9]
Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten.” Artikel 1 onder Pro 2° van de Wet op de economische delicten (WED) bepaalde ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde delicten (en ook thans nog) dat als economisch delict heeft te gelden: overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens (onder meer) artikel 2:96 Wft Pro. Artikel 2 lid 1 WED Pro, zoals dat sedert 16 maart 2005 geldt, bepaalt dat de economische delicten die zijn bedoeld in artikel 1 onder Pro 2° misdrijven betreffen voor zover zij opzettelijk zijn begaan. Artikel 6 lid 1 onder Pro 2° bepaalde ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde delicten (en ook thans nog) dat in geval van ‘een ander misdrijf’ (dan bedoeld in artikel 1 onder Pro 1° of in artikel 1a onder 1° WED; dus onder meer in geval van opzettelijk begane overtredingen van het voorschrift van artikel 2:96 lid 1 Wft Pro) een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren kon worden opgelegd.
nietals één voortdurend delict). Tegen dit oordeel wordt in cassatie niet opgekomen, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Dit betekent dat voor ieder afzonderlijk deelfeit waaruit het ten laste gelegde is samengesteld de ‘absolute verjaringstermijn’ is aangevangen op de dag na die waarop het betreffende deelfeit is gepleegd.
“dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] de beleggers [benadeelde 1] en [benadeelde 2]geadviseerd heeftaandelen [A] AG te kopen” (onderstreping mijnerzijds). Namens de verdachte is naar voren gebracht dat hooguit sprake is geweest van het verstrekken van informatie over aandelen in [A] AG aan potentieel geïnteresseerde beleggers en niet van het verkopen van aandelen dan wel het betrokken zijn bij het plaatsen, doorgeven dan wel uitvoeren van orders. Dat het hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte beleggingsdiensten heeft verleend door het
verkopenvan aandelen in [A] AG is dan ook onbegrijpelijk. Het enkele geven van advies over een eventuele aankoop valt immers niet (zonder meer) onder ‘het verlenen van een beleggingsdienst’ als bedoeld in artikel 2:96 Wft Pro en wordt evenmin bestreken door de in dat artikellid bedoelde vergunningsplicht. Verder komt de term ‘verkopen’ niet voor in de Wft en kan dit niet zonder meer gelijk worden gesteld aan het plaatsen, doorgeven dan wel uitvoeren van orders, bij welke gedragingen de verdachte overigens geen betrokkenheid heeft gehad. Door het bewezen verklaarde ‘verkopen van aandelen’ te kwalificeren als het ‘verlenen van beleggingsdiensten’ heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten.
“ [verdachte] wist dat dit gebeurde zonder de vereiste vergunning (D-257)”, nu document D-257 een brief van de AFM aan de FIOD betreft waarbij niet is gebleken dat de inhoud van deze brief betrekking heeft op de verdachte of op een aan hem gelieerde entiteit en evenmin dat deze brief ziet op een vergunning in verband met aandelen in [A] AG, aldus de steller van het middel.
Feit 4. Handelen zonder vergunning [A]
“in de uitoefening van beroep of bedrijf adviseren over financiële instrumenten”,als bedoeld onder d in de definitie van ‘verlenen van een beleggingsdienst’ in artikel 1:1 (oud) Wft. Het hof stelt immers vast dat de verdachte de beleggers heeft geadviseerd aandelen [A] AG te kopen. Niettemin heeft het hof uitsluitend bewezen verklaard dat de verdachte aandelen [A] AG heeft verkocht.
in de uitoefening van beroep of bedrijf adviseren over financiële instrumenten” (als effecten) [11] kan m.i. echter niet gelijkgesteld worden met het
verkopenvan financiële instrumenten, terwijl het verkopen van financiële instrumenten ook anderszins niet zonder meer onder ‘verlenen van een beleggingsdienst’ als bedoeld in artikel 2:96 jo Pro Wft artikel 1:1 (oud) Wft kan worden geschaard. [12] Wat deze cassatieklacht in essentie blootlegt is dat het hof zich geconfronteerd zag met een tenlastelegging waarvan de bewoordingen “
(doen) verkopen en/of (doen) aanbieden van aandelen” niet corresponderen met de nauwkeurig vastgelegde nomenclatuur van de Wft, waarin begrippen als ‘verlenen van een beleggingsdienst’ van een specifieke betekenis zijn voorzien. [13] In zoverre is de derde deelklacht van het middel terecht voorgesteld. De kwalificatie van het bewezen verklaarde gaat mank.
(doen) verkopen en/of (doen) aanbieden van aandelen” (in [A] AG). Ik meen dat die omschrijving
nietkan worden aangemerkt als een in principe overbodige specificatie van de ten laste gelegde gedraging (welke specificatie zo nodig uit de bewezenverklaring kan worden geëlimineerd zonder dat zulks afbreuk hoeft te doen aan de bewezenverklaring op zich).
niet heeft hoeven vaststellen– op welke natuurlijke persoon of op welke rechtspersoon de vergunningsplicht precies rustte. Waar het om gaat is dat een beleggingsdienst of beleggingsactiviteit – zonder vergunning – is verleend c.q. is verricht. Dit heeft het hof inderdaad uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. In zoverre faalt het middel.
van 1 juli 2004 tot en met 30 juni2013” deel heeft uitgemaakt van één criminele organisatie. Over een substantieel deel van de ten laste gelegde periode ontbreekt het duurzame en gestructureerde karakter van enig samenwerkingsverband tussen de verdachte en de anderen bij het plegen van misdrijven, aldus de steller van het middel. Bovendien heeft de verdachte zich in de periode juli 2011 tot en met 30 juni 2013 enkel schuldig gemaakt aan één misdrijf, te weten overtreding van artikel 2:96 Wft Pro, en is hij voor de afzonderlijk ten laste gelegde oplichting en valsheid en geschrift met betrekking tot de aandelen [A] en de vrijwillige CO2-emissierechten vrijgesproken. Nu voor een bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie het plegen van meer dan één misdrijf vereist is , is er geen bewijs dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie over de gehele bewezen verklaarde periode (maar is er ‘slechts’ bewijs voor zijn deelneming over de periode juli 2004 tot en met juli 2006), aldus begrijp ik de steller van het middel.
“speelde[hij]
een rol bij alle elkaar in tijd opvolgende strafbare activiteiten, te weten allereerst de verkoop van de aandelen [C] / [D] , vervolgens de verkoop van de aandelen [R] en [A] en daarna de verkoop van de vrijwillige CO2 emissierechten”,waarbij
“voor de overige deelnemers[DA: waaronder de verdachte]
geldt dat zij aan een dan wel meer van die activiteiten (boilerrooms) die hierna in de tijd geplaatst worden, hebben deelgenomen”, aldus citeer ik het hof.
gedurende de gehele bewezen verklaarde periodevan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, terwijl dit samenwerkingsverband het oogmerk had tot het plegen van oplichting, valsheid in geschrift en het opzettelijk verlenen van beleggingsdiensten in Nederland zonder vergunning als bedoeld in artikel 2:96 lid 1 Wft Pro. In zoverre faalt de eerste deelklacht.