Conclusie
hierna: de GI,
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1richt zich tegen rov. 5.1 van de bestreden beschikking, waarin het hof als volgt overweegt:
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak verzocht de vader om de uitoefening van het gezag over zijn minderjarige kind, die onder voogdij stond van een gecertificeerde instelling (GI). De GI diende in eerste aanleg en hoger beroep een verweerschrift in zonder advocaat. Zowel rechtbank als hof wezen het verzoek van de vader af. De vader stelde cassatieberoep in met twee hoofdvragen: of de GI zonder advocaat een verweerschrift mag indienen en welke maatstaf geldt voor de beoordeling van het gezagsverzoek.
De Hoge Raad stelt vast dat de wet in verzoekschriftprocedures doorgaans verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat voorschrijft, maar dat art. 1:283 BW Pro een uitzondering maakt voor gecertificeerde instellingen die verzoeken in verband met voogdij indienen. De Raad concludeert dat deze uitzondering ook geldt voor verweerschriften van dergelijke instellingen, omdat het onderscheid tussen verzoeker en verweerder niet gerechtvaardigd is en de deskundigheid van de GI dit rechtvaardigt.
Ten aanzien van de maatstaf voor het gezagsverzoek op grond van art. 1:274 lid 2 BW Pro merkt de Hoge Raad op dat de wettekst anders luidt dan de parlementaire geschiedenis en memorie van toelichting. De wetgever beoogde dat het verzoek in principe wordt toegewezen, tenzij het belang van de minderjarige zich tegen inwilliging verzet. Het hof had een onjuiste maatstaf gehanteerd door te stellen dat het verzoek alleen wordt ingewilligd indien noodzakelijk in het belang van het kind. Dit verschil in maatstaf kan gevolgen hebben voor de motivering van beslissingen, maar in deze zaak leidt het niet tot een ander resultaat.
De conclusie van de Procureur-Generaal is om het cassatieberoep te verwerpen, waarbij de toelichting op de procesvertegenwoordiging en de juiste maatstaf voor gezagsverzoeken belangrijke rechtsvragen verduidelijkt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de GI mag zonder advocaat een verweerschrift indienen en het verzoek tot gezagsuitoefening wordt beoordeeld met de maatstaf dat het in principe wordt toegewezen tenzij het belang van het kind zich daartegen verzet.