Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De achtergrond van de zaak en het procesverloop
Stichting [A]” onder zich heeft, en dat het in beslag genomen navigatiesysteem al jaren niet meer in gebruik is. De in beslag genomen voorwerpen zouden daarom niet relevant zijn voor het Duitse onderzoek.
ongegrond.”
3.Relevante regelgeving en jurisprudentie
NJ2024/160 in meer algemene zin overwogen:
dient te beoordelen(in de woorden van de Hoge Raad: “staat ter beoordeling aan de rechter”) of zich – gelet op artikel 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. “In voorkomende gevallen”
kande beklagrechter ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB rechtmatig is toegepast. Daarbij
moetde rechter zich beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verder staat in de klaagschriftprocedure ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en dat de uitvaardigende autoriteit met het EOB beoogt te verkrijgen.
4.Het middel
op twee grondenzijn verworpen, te weten (i) dat de verdachte over de USB-stick kon beschikken en (ii) dat onvoldoende is gebleken dat op de USB-stick patiënt gegevens staan. Deze stelling berust echter op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. De rechtbank heeft immers ook nog overwogen: “
Bovendien[cursivering A-G] zijn geen concrete omstandigheden gesteld die aanleiding geven om er, in weerwil van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aan te twijfelen of de Duitse justitiële autoriteiten voldoende zorgvuldig omgaan met eventuele gevoelige gegevens op de USB-stick.”
“(b)ovendien (…) geen concrete omstandigheden (zijn) gesteld die aanleiding geven om er, in weerwil van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aan te twijfelen of de Duitse justitiële autoriteiten voldoende zorgvuldig omgaan met eventuele gevoelige gegevens op de USB-stick”.In cassatie wordt niet opgekomen tegen deze door de rechtbank bij de verwerping van het verweer in aanmerking genomen omstandigheid. Onder randnr. 3.2 is reeds vooropgesteld dat bij de behandeling en de beoordeling van een klaagschrift dat is ingediend op grond van art. 5.4.10 lid 1 in samenhang met artikel 552a Sv als uitgangspunt heeft te gelden dat de uitvaardigende staat de grondrechten naleeft en dat daarmee de mogelijkheid om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is. Nu deze overweging van de rechtbank haar oordeel dat zich geen weigeringsgrond als bedoeld in art. 5.4.4, eerste lid sub f Sv voordoet, en haar daaruit voortvloeiende oordeel dat er geen gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van het bevel (mogelijk) niet verenigbaar zou zijn met de verplichtingen die overeenkomstig artikel 6 VEU Pro en het Handvest Grondrechten EU op Nederland als uitvoerende staat rusten, zelfstandig kan dragen, heeft de klaagster geen belang bij deze deelklacht.