ECLI:NL:PHR:2025:1282

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
25/00215
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:129 BWArt. 81 ROArt. 157 lid 2 RvArt. 24 lid 1 RvArt. 149 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing terugvordering geldbedragen van vader aan zoons wegens ontbreken geldleningsovereenkomst

Deze zaak betreft een geschil tussen een vader en zijn twee zonen over de kwalificatie van verstrekte geldbedragen als lening of schenking. De vader vordert terugbetaling van aanzienlijke bedragen die hij aan zijn zoons heeft verstrekt, stellende dat sprake is van geldleningen. De zoons betwisten dit en stellen dat het om schenkingen gaat, die administratief als leningen zijn verwerkt om schenkingsbelasting te vermijden.

De rechtbank wees de vordering van de vader deels toe, maar het hof vernietigde dit oordeel en wees de vordering volledig af. Het hof oordeelde dat niet is gebleken dat de vader zich verplichtte tot het verstrekken van geld en dat de zoons verplicht waren tot terugbetaling, zoals vereist voor een overeenkomst van geldlening op grond van artikel 7:129 BW Pro. De verklaringen van herroepelijke schenking en de fiscale constructies ondersteunden het standpunt van de zoons dat het om schenkingen ging.

In cassatie klaagt de vader over de uitleg van het hof, maar de Procureur-Generaal concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de overeenkomst niet als geldlening kan worden gekwalificeerd, mede omdat de stelplicht en bewijslast bij de vader lagen en hij onvoldoende heeft gesteld om een terugbetalingsplicht aan te nemen. De Hoge Raad sluit zich hierbij aan en bevestigt dat de vorderingen van de vader terecht zijn afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vader geen terugbetaling kan vorderen omdat geen geldleningsovereenkomst is vastgesteld.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00215
Zitting21 november 2025
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
[vader]
tegen
1. [zoon 1]
2. [zoon 2]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [vader] respectievelijk [zoon 1] en [zoon 2] .

1.Inleiding en samenvatting

1.1
Deze zaak betreft de vordering van de vader tot terugbetaling van door hem aan twee zonen verstrekte bedragen. Volgens de vader is sprake van geldleningen. Volgens zijn zoons gaat het om schenkingen, maar is een en ander administratief verwerkt als leningen waarop ieder jaar een bedrag wordt afgeschreven om de schenkingsbelasting te vermijden. Het hof heeft geoordeeld dat de vader onvoldoende heeft gesteld, althans dat niet is gebleken, dat sprake was van een verplichting van de vader tot het verstrekken van de gelden en een verplichting van de zoons tot terugbetaling daarvan, zodat niet is voldaan aan de vereisten die art. 7:129 lid 1 BW Pro stelt voor de kwalificatie als overeenkomst van geldlening.
1.2
In cassatie voert de vader tegen het oordeel van het hof diverse klachten aan. Mijns inziens falen alle klachten en kan uw Raad de zaak afdoen met toepassing van art. 81 RO Pro.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [1]
(i) [vader] heeft jarenlang verschillende horecazaken in [plaats 1] gedreven en is de vader van [zoon 1] en [zoon 2] . Hij heeft daarnaast nog drie kinderen. [vader] is gepensioneerd en woont gedeeltelijk in Turkije en gedeeltelijk in Nederland.
(ii) In 2003 heeft [vader] zijn woning in [plaats 1] aan [zoon 1] verkocht voor € 100.000. [zoon 1] en [vader] hebben afgesproken dat [vader] en zijn vrouw van deze woning gebruik mogen blijven maken als zij in Nederland verblijven.
(iii) Op 7 en 8 maart 2018 zijn van de bankrekening van [vader] bedragen van € 50.000 overgeboekt naar de bankrekening van [zoon 1] en naar de bankrekening van [zoon 2] . Daarnaast zijn op die data van de bankrekening van [vader] bedragen van € 25.000 overgeboekt naar de bankrekening van vier van zijn kinderen, waaronder [zoon 1] en [zoon 2] . Als betalingsomschrijving staat bij alle genoemde overboekingen: ‘
Conform Leningovereenkomst met [vader]’. Alle betalingen van € 25.000 zijn schenkingen.
(iv) Op 9 maart 2018 is [zoon 1] door [vader] gevolmachtigd om zijn bankzaken bij de Rabobank te beheren.
(v) [zoon 1] , [zoon 2] en een andere zoon van [vader] , [zoon 3] , hebben samen tot 2017 of 2018 een onderneming gedreven. Ten behoeve van die onderneming heeft [vader] geldbedragen aan [zoon 1] , [zoon 2] en [zoon 3] verstrekt.
(vi) [zoon 1] , [zoon 2] en [zoon 3] hebben een verklaring ondertekend, gedateerd op 1 oktober 2020, waarin voor zover hier relevant het volgende staat:

Schriftelijke bevestiging van afspraak vermelding box 3:
Hierbij verklaren wij de verdeling van de schuld aan vader [vader] als volgt per 31 december 2020 afzonderlijk in onze aangifte Inkomstenbelasting, als volgt vast te leggen:
[zoon 3] :
Schuld aan vader [vader] per 31-12-2020: € 140.382
[zoon 1] :
Schuld aan vader [vader] per 31-12-2020: € 140.382
[zoon 2] :
Schuld aan vader [vader] per 31-12-2020: € 140.382
(…)
(zie ook cf onderstaande berekening)
Lening van vader ( [vader] )
[zoon 1]
[zoon 2]
[zoon 3]
31-12-2019
421.145
140.382
140.382
140.382
421.145
(…).’
(vii) Bij brief van 24 januari 2022 heeft de advocaat van [vader] aan [zoon 1] bericht dat hij namens [vader] vorderingen tot € 350.382 opeisbaar stelt en verzocht een voorstel te doen binnen welke termijn hij deze bedragen terugbetaalt. Bij brief van diezelfde datum heeft de advocaat van [vader] aan [zoon 2] bericht dat hij namens [vader] vorderingen tot € 190.382 opeisbaar stelt en verzocht een voorstel te doen binnen welke termijn hij deze bedragen terugbetaalt.
(viii) Er is een ‘Verklaring van herroepelijke schenking’ gedateerd 1 februari 2022, ondertekend door [vader] . Er is ook een latere ‘Verklaring van herroepelijke schenking’ gedateerd 22 maart 2022, ook getekend door [vader] . In beide verklaringen is als tekst opgenomen:
‘De ondertekende, [vader] , geboren, [geboortedatum] 1946 te [plaats 2] (Turkije) (…) verklaart hierbij met ingang van het jaar 2021 géén jaarlijkse schenkingen meer te willen doen aan:
- [zoon 1]
- diens [echtgenote 1]
- en hun kinderen (…)
en
- [zoon 2]
- diens [echtgenote 2]
- en hun kinderen (…).’
In de verklaring van februari is opgenomen onder [zoon 1] : ‘
Saldo lening per 1 januari 2021 € 187.311’ en onder [zoon 2] :
‘Saldo lening per 1 januari 2021 € 191.631’.In de verklaring van maart is zowel onder [zoon 1] als onder [zoon 2] opgenomen:
‘Saldo lening per 1 januari 2021 € 140.382 plus ten onrechte ove[r]geboekte/verduisterde € 50.000’.
(ix) Bij brief van 18 februari 2022 heeft de toenmalige rechtshulpverlener van [zoon 1] en [zoon 2] , voor zover hier relevant, het volgende aan de advocaat van [vader] geschreven:
‘Anders dan u stelt is er ter zake de door u genoemde bedragen van € 50.000 wel degelijk sprake van een leningsovereenkomst tussen cliënten en uw cliënt. (…) Daarmee kan van verduistering dan ook geen enkele sprake zijn. (…)
Het is juist dat uw cliënt aan mijn cliënten ieder een bedrag van € 140.382 heeft geleend. (…)
Het is echter nimmer de bedoeling geweest dat deze bedragen zouden worden terugbetaald. Sterker, jaarlijks wordt door de boekhouder van de familie de toepasselijke schenkingsvrijstellingen in mindering gebracht op de geleende bedragen. Daarnaast is er in het geheel niets bekend, laat staan overeengekomen, dat er afspraken zouden zijn gemaakt m.b.t. de terugbetaling. Dit blijkt uit niets en staat ook haaks op het feit dat er juist geschonken wordt door uw cliënt. (…)
Gezien het vorenstaande betwisten cliënten de vorderingen zoals in uw brieven omschreven en zullen daaraan geen gevolg geven.’
(x) De gezamenlijke boekhouder van partijen, [gezamenlijke boekhouder] (hierna: [gezamenlijke boekhouder] ), heeft per e-mail van 11 november 2022 aan de advocaat van [zoon 1] en [zoon 2] geschreven:
‘Ik heb kennisgenomen van de dagvaarding d.d. 28 april 2022, maar omdat ik al jaren de boekhouding verzorg voor de gehele [familie] , ben ik van mening dat de inhoud van de dagvaarding niet in overeenstemming is met hetgeen mij aan informatie ten behoeve van het verzorgen van de aangiften Inkomstenbelasting is verstrekt.’
2.2
Bij inleidende dagvaarding heeft [vader] , samengevat en voor zover in cassatie van belang, gevorderd dat de rechtbank [zoon 1] en [zoon 2] ieder afzonderlijk hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 50.000 en € 140.382, en voorts, na verduidelijking ter zitting, [2] alleen [zoon 1] tot betaling van € 100.000. [3]
2.3
Bij vonnis van 19 april 2023 heeft de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, de vordering van [vader] tot betaling door [zoon 1] en [zoon 2] van € 140.382 toegewezen, de overige vorderingen afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.
2.4
[vader] enerzijds en [zoon 1] en [zoon 2] anderzijds hebben tegen het vonnis bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) hoger beroep ingesteld. [4] Bij arrest van 22 oktober 2024 heeft het hof in het door [zoon 1] en [zoon 2] ingestelde hoger beroep het vonnis vernietigd en de vordering tot betaling door [zoon 1] en [zoon 2] van ieder € 140.382 alsnog afgewezen. [5] Bij datzelfde arrest heeft het hof het hoger beroep van [vader] verworpen. De dragende overwegingen van het arrest van het hof laten zich als volgt samenvatten:
Geen schadevergoeding van € 100.000
a. Tussen [vader] en [zoon 1] staat vast dat bij de verkoop van de woning in 2003 de afspraak is gemaakt dat [vader] en zijn vrouw gebruik mogen maken van de woning als zij in Nederland zijn. Volgens [vader] komt [zoon 1] die afspraak niet na, en moet hij daardoor kosten maken als hij in Nederland is. De vordering kan niet worden toegewezen, omdat [vader] niet voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een tekortkoming en dat hij als gevolg daarvan schade heeft geleden. (onder 3.13-3.14)
Geen terugbetaling van € 50.000
b. [vader] meent dat zowel [zoon 1] als [zoon 2] € 50.000 moet terugbetalen, primair omdat dat aan hen is geleend en subsidiair omdat zij zich deze bedragen onrechtmatig hebben toegeëigend. (onder 3.15)
c. [vader] heeft onvoldoende onderbouwd waarom de € 50.000 aan [zoon 1] en [zoon 2] is geleend. Er zijn op 7 en 8 maart 2018 zes betalingen gedaan. Van vier betalingen van € 25.000 die worden omschreven als leningen heeft [vader] niet betwist dat het in feite om schenkingen gaat. [vader] had duidelijk moeten maken waarom de twee betalingen van € 50.000 met dezelfde omschrijving niet ook een schenking zijn. Uit de door [vader] overgelegde fiscale gegevens volgt niet dat sprake is van geldleningen, en de brief van de gemachtigde van [zoon 1] en [zoon 2] kan niet aldus worden begrepen dat zij hebben erkend dat sprake is van een geldlening van € 50.000. (onder 3.16-3.18)
d. Volgens [vader] hebben [zoon 1] en [zoon 2] onrechtmatig gehandeld door misbruik te maken van een door [vader] afgegeven volmacht. Vaststaat dat die machtiging pas is gegeven met ingang van 9 maart 2018 en alleen aan [zoon 1] . Daarmee is niet gebleken van misbruik van een machtiging door op 7 of 8 maart 2018 € 50.000 naar zichzelf over te boeken. Daarnaast stelt [vader] dat [zoon 1] sinds mei 2017 beschikte over een bankpas van zijn rekening en dat [zoon 1] daarmee bedragen naar zichzelf heeft overgeboekt. Het afgeven van een bankpas aan [zoon 1] , als dat al heeft plaatsgevonden vóór 7 maart 2018, is onvoldoende om aan te nemen dat hij onrechtmatige overboekingen zou hebben gedaan. Daarvoor is ook nodig dat [zoon 1] over de pincode beschikte en dat is niet gesteld. Bovendien staat vast dat [vader] zelf op 7 en 8 maart 2017 in staat was om betalingen te (laten) verrichten, omdat de schenkingen van € 25.000 op diezelfde datum onbetwist door of namens [vader] zijn gedaan. Dan kunnen de overboekingen van € 50.000 ook door of namens [vader] zijn gedaan. (onder 3.19-3.21)
Geen terugbetaling van € 140.382
e. [vader] vordert terugbetaling van € 140.382 omdat dit aan zowel [zoon 1] als [zoon 2] geleend zou zijn. Volgens [zoon 1] en [zoon 2] was sprake van een schenking. (onder 3.22)
f. Op [vader] rust de stelplicht en zo nodig de bewijslast dat sprake is van een overeenkomst van geldlening. [zoon 1] en [zoon 2] hoeven niet te bewijzen dat sprake is van een schenking. Voor de kwalificatie van de overeenkomst moet eerst worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen en vervolgens moet worden beoordeeld of de overeenkomst de kenmerken heeft van een overeenkomst van geldlening. (onder 3.23)
g. Uit het dossier blijkt niet dat [vader] zich ertoe had verplicht om aan [zoon 1] en [zoon 2] één of meerdere keren een som geld te verstrekken. (onder 3.24)
h. Daarnaast is niet gebleken dat [zoon 1] en [zoon 2] verplicht waren de verstrekte bedragen terug te betalen. Tegenover het gemotiveerde betoog van [zoon 1] en [zoon 2] dat slechts om fiscale redenen is gesproken over ‘lening’ en ‘schuld’, en dat het de bedoeling was het aan hen verstrekte bedrag via de jaarlijkse schenkingsvrijstelling af te bouwen, heeft [vader] te weinig gesteld om een terugbetalingsplicht aan te nemen. (onder 3.25-3.27)
i. Voor kwalificatie als overeenkomst van geldlening is op grond van art. 7:129 BW Pro vereist dat de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen. Gelet op het voorgaande kan de overeenkomst niet worden gekwalificeerd als geldlening. Daaruit volgt dat [zoon 1] en [zoon 2] niet elk € 140.382 moeten terugbetalen. (onder 3.28)
j. Het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen van partijen. (onder 3.29)
2.5
Bij procesinleiding van 22 januari 2025 heeft [vader] tijdig cassatieberoep ingesteld. [zoon 1] en [zoon 2] hebben verweer gevoerd en hun standpunt schriftelijk doen toelichten, waarna [vader] heeft gerepliceerd. In de repliek onder 2-5 reageert [vader] niet op hetgeen namens [zoon 1] en [zoon 2] in de schriftelijke toelichting is aangevoerd, maar geeft hij een nadere toelichting op de aan het geschil ten grondslag liggende fiscale aspecten van de zaak. Omdat deze toelichting geen beknopte reactie vormt op hetgeen in de schriftelijke toelichting van de wederpartij is betoogd, meen ik dat zij buiten beschouwing behoort te worden gelaten. [6] Dat zal ik hierna dan ook doen.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen en sluit af met een voortbouwklacht.
3.2
Onderdeel 1richt zich tegen rechtsoverwegingen 3.22-3.28, waar het hof oordeelt dat geen sprake is van een overeenkomst van geldlening, omdat niet is gebleken dat [vader] zich heeft verbonden tot de verstrekking van een geldbedrag van € 140.382 en dat [zoon 1] en [zoon 2] het verstrekte geldbedrag moeten terugbetalen. De overwegingen luiden als volgt:

[zoon 1] en [zoon 2] hoefden niet terug te betalen
3.22.
[vader] wil terugbetaling van een bedrag van € 140.382 want dit is aan zowel [zoon 1] als [zoon 2] geleend. Dat blijkt volgens hem uit de verklaring van 1 oktober 2020, waarin staat dat [zoon 1] en [zoon 2] (en [zoon 3] ) elk een schuld van € 140.382 aan [vader] hebben, die zij hebben ondertekend (3.7.). In de verklaring staat ook dat het een “lening van vader” betreft. [zoon 1] en [zoon 2] betwisten dat en stellen dat het een schenking is geweest.
3.23.
Het hof oordeelt dat [zoon 1] en [zoon 2] niet elk € 140.382 hoeven terug te betalen. Dat is gebaseerd op het volgende. Omdat [vader] een beroep doet op terugbetaling van een geleend bedrag rust op hem de stelplicht en zo nodig de bewijslast dat het hier een overeenkomst van geldlening betreft. Het is dus anders gezegd niet vereist dat [zoon 1] en [zoon 2] bewijzen dat het een schenking was. Voor de kwalificatie als een overeenkomst van geldlening moeten twee stappen worden gezet. Allereerst moet de vraag worden beantwoord welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van de hiervoor al genoemde Haviltexmaatstaf. Nadat de rechter met behulp van die maatstaf de overeengekomen rechten en verplichtingen heeft vastgesteld (uitleg), kan hij beoordelen of die overeenkomst de kenmerken heeft van een overeenkomst van geldlening (kwalificatie). Waar het daarbij om gaat, is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de overeenkomst van geldlening. [7]
Geen plicht om geld te verstrekken
3.24.
[vader] heeft erkend forse bedragen te hebben overgemaakt ten behoeve van de onderneming van [zoon 1] en [zoon 2] . Volgens [zoon 1] en [vader] gebeurde dit eigener beweging, uit vrijgevigheid, om zijn kinderen te bevoordelen en te ondersteunen. Voor een deel van de eerdere overgeboekte bedragen staat vast dat de betalingen schenkingen zijn. Ook [gezamenlijke boekhouder] heeft op 6 juli 2023 verklaard over de achtergrond van de betalingen van [vader] aan [zoon 1] , [zoon 2] (en [zoon 3] ):
“…
liep de omzet jaarlijks steeds meer terug, en hiermee ook de behaalde resultaten. Hiervan moesten uiteindelijk, naast het personeel, (eveneens familie), 3 gezinnen van worden onderhouden. Dit werd steeds lastiger. Het was daarom niet altijd mogelijk om de maandelijkse vaste lasten (personeel, huur, inkoop) te betalen. Derhalve werden dan ook regelmatig door vader de tekorten aangevuld. De rol van vader in deze kan worden vergeleken met stille vennoot in een vennootschap. (…)
Al die jaren heeft [vader] geld in de zaak gestoken, met de intentie dat zijn zonen en hun gezinnen hier nog een fatsoenlijk inkomen uit konden halen. Bovendien moest vader wel iedere maand de huur ontvangen, om de hypotheek op de panden te kunnen betalen. Voldoende liquiditeit is dan wel een vereiste.
Van belang zijn verder de twee verklaringen van herroepelijke schenking van 2022. [vader] verklaart daarin dat hij “niet langer meer jaarlijks wil schenken”, aan [zoon 1] en [zoon 2] én hun echtgenoten en kinderen. Uit het voorgaande blijkt vrijblijvendheid voor [vader] bij het verstrekken van gelden. Ook klinkt het oogmerk van [vader] door om [zoon 1] en [zoon 2] én hun gezinnen te ondersteunen, ook al werd dat geld door [vader] zakelijk verstrekt. In elk geval blijkt niet dat [vader] zich ertoe verplicht had om aan [zoon 1] en [zoon 2] een of meerdere keren, een som geld te verstrekken.
Geen terugbetalingsplicht
3.25.
Daarnaast is niet gebleken dat [zoon 1] , [zoon 2] of [zoon 3] verplicht waren de verstrekte bedragen terug te betalen. Allereerst is duidelijk dat in elk geval in oktober 2020 al sprake was van een bedrag van € 140.382 dat [vader] aan zijn zoons ter beschikking had gesteld (3.7.). [vader] heeft echter niets op schrift gesteld waaruit een terugbetalingsplicht voor elk van de zonen kan worden aangenomen. Sterker nog, juist uit de verklaringen van herroepelijke schenking van [vader] is een aanwijzing te halen dat hij jaarlijks bedragen aan [zoon 1] en [zoon 2] heeft geschonken, en dat hij dat vanaf 2021 niet meer wilde. [vader] is de Nederlandse taal niet goed machtig, maar heeft deze verklaringen bovendien willens en wetens ondertekend. [zoon 3] heeft immers ter zitting bij het hof verteld dat hij deze verklaring heeft gezien en heeft besproken met [vader] . Daarbij heeft [zoon 3] aan [vader] uitgelegd wat hij ondertekende.
3.26.
Voor zover [vader] een terugbetalingsplicht wil lezen in de verklaring van oktober 2020 dan ziet het hof dat anders. Allereerst heeft [vader] gewezen op de dwingende bewijskracht die deze verklaring zou opleveren, volgens artikel 157 lid 2 Rv Pro. De inhoud en strekking van artikel 157 Rv Pro en de eisen van het rechtsverkeer brengen mee dat een akte slechts dwingend bewijs oplevert ten behoeve van de degene die in de akte als zodanig is aangewezen of degene te wiens behoeve de ondertekenaar van de akte zich blijkens de tekst daarvan heeft verbonden. [8] Daarbij miskent [vader] echter dat de verklaring niet door hemzelf is ondertekend maar wel door de drie zoons van [vader] , blijkens de tekst ook namens henzelf. In bewijsrechtelijke zin is [vader] geen partij bij deze onderhandse akte. Hij kan dus niet worden aangemerkt als degene die in de akte is aangewezen ten behoeve van wie de akte dwingend bewijs oplevert of degene te wiens behoeve de ondertekenaars van de akte zich blijkens de tekst daarvan hebben verbonden. Aan de akte komt daarmee vrije bewijskracht toe.
3.27.
Inhoudelijk hebben [zoon 1] en [zoon 2] over die verklaring toegelicht dat dat puur een fiscale achtergrond had. [vader] wilde schenken aan zijn zoons maar wilde tegelijk schenkingsbelasting vermijden. Daarom is er voor gekozen de schenkingen als lening te administreren en het bedrag jaarlijks te verminderen met het bedrag wat fiscaal als schenkingsvrijstelling was toegestaan. Die constructie wordt ondersteund door de verklaring van [gezamenlijke boekhouder] van 20 februari 2024 waarin hij bevestigt dat de schenkingsvrijstelling voor het eerst is toegepast in 2019, maar later niet meer, vanwege de verklaring van herroepelijke schenking. [9] In de verklaring van 6 juli 2023 is [gezamenlijke boekhouder] meer in detail ingegaan op de fiscale constructie:

Conclusie: derhalve durf ik met droge ogen te beweren dat de door vader ter beschikking gestelde gelden als schenking moeten worden bestempeld. Temeer omdat er al die jaren geen cent aan rente in rekening is gebracht door [vader] .
Terechte vraag zou kunnen zijn, waarom dit toen niet direct als schenking is geboekt. Hiervoor zijn meerdere redenen: 1) omdat er anders veel schenkbelasting (ca € 80.000) betaald moest worden, waardoor er netto alsnog weinig overbleef om de zaak in ‘de benen te houden’. Uit fiscale overwegingen heb ik dit toen sterk afgeraden en voorgesteld dit gefaseerd middels de jaarlijkse schenkingsvrijstelling af te boeken.
2) de gelden zijn consequent overgeboekt op de zakelijke rekeningen, en niet op de privérekeningen van de zonen.
3) Mede een reden om de door [vader] aan zijn zoons geschonken bedragen vast te leggen in een ‘overeenkomst van geldlening’ was gelegen in het feit dat op die manier de schenkingen zouden kunnen worden verrekend ingeval van overlijden van [vader] . Immers, aangezien niet ieder van de kinderen een gelijk bedrag geschonken heeft gekregen kon dit op deze wijze worden glad getrokken bij overlijden door verrekening van de reeds geschonken bedragen bij verdeling van de nalatenschap van [vader] , zodat aan het einde van de rit ieder van de kinderen een gelijk deel zou hebben ontvangen uit de nalatenschap en geen van de kinderen bevoordeeld zou zijn boven een ander.”
Tenslotte hebben [zoon 1] en [zoon 2] gewezen op een verzoek van [zoon 3] in 2016 om informatie of de vordering van [vader] belastingvrij kon worden weggeboekt als kwijtscheldingswinst. [gezamenlijke boekhouder] heeft toen (onweersproken) geadviseerd dat het fiscaal veiliger was de bedragen middels het benutten van de jaarlijkse schenkingsvrijstelling voor kinderen en kleinkinderen geleidelijk “af te boeken”, wat ook onder andere voor [zoon 1] en [zoon 2] is gebeurd. Tegenover deze gemotiveerde onderbouwing dat slechts om fiscale redenen is gesproken over “lening van vader” en “schuld aan [vader] ”, en dat de bedoeling was het aan hen verstrekte bedrag via de jaarlijkse schenkingsvrijstelling af te bouwen, heeft [vader] te weinig gesteld om een terugbetalingsplicht aan te nemen.
3.28.
Voor kwalificatie als overeenkomst van geldlening, waarop het primaire standpunt van [vader] voor terugbetaling is gebaseerd, is volgens artikel 7:129 BW Pro vereist dat de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen. Op basis van het bovenstaande is niet gebleken dat [vader] zich heeft verbonden tot de verstrekking van een geldbedrag. Ook is niet gebleken dat [zoon 1] en [zoon 2] zich hebben verbonden tot terugbetaling van het verstrekte bedrag. Daarom kan de overeenkomst niet gekwalificeerd worden als geldlening. Daaruit volgt dat [zoon 1] en [zoon 2] niet elk € 140.382 hoeven terug te betalen.’
3.3
Voordat ik de klachten van het onderdeel bespreek, het volgende. Ik lees deze overwegingen aldus dat de beslissing van het hof dat de overeenkomst niet gekwalificeerd kan worden als geldlening en de feitelijke grondslag van de vordering van [vader] ondeugdelijk is, op twee pijlers rust: (1) Er was geen plicht voor [vader] om geld te verstrekken. In plaats daarvan maakte hij uit eigener beweging en uit vrijgevigheid geld over naar bankrekeningen van [zoon 1] en [zoon 2] (onder 3.24); (2) Daarnaast is niet gebleken dat de zoons verplicht waren de verstrekte bedragen terug te betalen (onder 3.25-3.27). Dat het hof beide (een plicht om geld te verstrekken voor de uitlener, en een plicht om terug te betalen voor de lener) wezenlijk acht voor de kwalificatie geldlening (art. 7:129 BW Pro), is onder meer zeer duidelijk uit rechtsoverweging 3.28. Tegen dit uitgangspunt van het hof richt zich geen klacht (ik meen
terecht). Daaruit volgt dat voor verwerping van het cassatieberoep volstaat dat de klachten tegen een van de beide pijlers falen.
3.4
Subonderdeel 1.1behelst de klacht dat, kort gezegd, het hof heeft miskend dat de wet niet voorschrijft dat een overeenkomst van geldlening schriftelijk wordt aangegaan, en dat ook een mondelinge overeenkomst, althans een overeenkomst die besloten ligt in gedragingen van partijen, kan voldoen aan de vereisten die art. 7:129 lid 1 BW Pro voor kwalificatie als overeenkomst van geldlening stelt.
3.5
Ik zie geen reden voor een lezing van het arrest van het hof volgens welke een overeenkomst van geldlening niet vormvrij kan worden aangegaan. De zinsnede in rechtsoverweging 3.25 volgens welke [vader] niets op schrift heeft gesteld waaruit een terugbetalingsplicht voor zijn zonen kan worden aangenomen, heeft klaarblijkelijk geen andere betekenis dan dat volgens het hof de uitleg die [vader] aan de rechtsverhouding tussen partijen geeft, geen steun vindt in de door partijen overgelegd producties, in het bijzonder niet in de twee verklaringen van herroepelijke schenking. De klacht faalt.
3.6
De subonderdelen 1.2-1.4 bestrijden het oordeel van het hof in rechtsoverwegingen 3.25-3.27 en 3.28 dat geen sprake is van een verplichting tot terugbetaling.
3.7
Subonderdeel 1.2bevat verschillende klachten. De eerste klacht begrijp ik aldus dat de door het hof omschreven stellingname van [zoon 1] en [zoon 2] – dat de bedoeling was dat [vader] de overgemaakte bedragen zou schenken, maar om fiscale redenen ervoor is gekozen om de schenkingen als geldlening te administreren en deze bedragen jaarlijks te verminderen met het fiscaal onder de schenkingsvrijstelling toegestane bedrag – onverlet laat dat partijen ook een geldlening kunnen hebben gesloten waarbij [vader] steeds een deel van de schuld aan [zoon 1] en [zoon 2] zou ‘schenken’ (kwijtschelden). Dat het hof de overeenkomst tussen partijen niet in die laatste zin heeft uitgelegd, zou onjuist of onbegrijpelijk zijn.
3.8
Zowel de rechts- als de motiveringsklacht faalt mijns inziens. Op zichzelf is zeker mogelijk dat tussen een ouder en een of meer van diens kinderen een arrangement wordt overeengekomen waarbij de ouder ieder jaar vrij is om al dan niet rente en aflossing kwijt te schelden. Ook dunkt mij juist dat zo’n arrangement wél een geldlening in de zin van art. 7:129 BW Pro is. Ook dit arrangement is fiscaal voordelig voor de partijen voor zover inderdaad kwijtscheldingen plaatsvinden (want bespaart schenkingsbelasting), maar laat de ouder – anders dan volgens de uitleg van het hof – de speelruimte om desgewenst het nog niet kwijtgescholden gedeelte van de lening op te eisen. Dat een overeenkomst in deze zin mógelijk is, betekent echter nog niet dat de andersluidende uitleg die het hof aan de rechtsverhouding tussen partijen heeft gegeven, (dus) onjuist of onbegrijpelijk is. Het is mij niet duidelijk op welke rechtsregel de steller van het middel met zijn rechtsklacht het oog heeft. Ook dunkt mij de uitleg van het hof geenszins onbegrijpelijk, waarbij ik erop wijs dat het hof voor zijn uitleg aanknoopt bij onder meer de verklaring van [gezamenlijke boekhouder] als gezamenlijke boekhouder van partijen en het verzoek van [zoon 3] in 2016 om informatie of de vordering van [vader] belastingvrij kon worden weggeboekt als kwijtscheldingswinst (rechtsoverweging 3.27).
3.9
In het vervolg van het subonderdeel is de klacht te lezen dat het hof ten onrechte heeft nagelaten om ambtshalve rechtsgronden aan te vullen. Daarbij wijst het subonderdeel erop dat het niet ongebruikelijk is dat ouders met (renteloze, opeisbare) leningen kinderen helpen met een onderneming.
3.1
Reeds omdat de klacht niet een rechtsregel aanduidt die het hof ten onrechte niet ambtshalve zou hebben toegepast, kan de klacht niet slagen. Mogelijk is met de klacht wat anders bedoeld, namelijk dat van algemene bekendheid zou zijn (art. 149 lid 1 Rv Pro) dat ‘niet ongebruikelijk is’ (let op de negatieve formulering!) dat ouders met (renteloze, opeisbare) leningen kinderen helpen met een onderneming. Ook als dat zo zou zijn, maakt dat de uitleg van het hof echter nog niet onjuist of onbegrijpelijk.
3.11
Subonderdeel 1.3voegt daaraan toe dat de eigen stellingen van [zoon 1] en [zoon 2] – op de in het subonderdeel genoemde vindplaatsen – steeds erop neerkomen dat de bedoeling van partijen was het telkens schenken van een deel van de schuld onder de geldleningsovereenkomsten die om fiscale redenen zijn gesloten. Daarmee blijft ook in deze stellingname van [zoon 1] en [zoon 2] zelf de niet-geschonken ‘schuld’ voor het overige uit hoofde van de geldleningsovereenkomsten ongewijzigd. Dit zou niet anders kunnen worden begrepen dan dat [zoon 1] en [zoon 2] in beginsel een terugbetalingsplicht hebben die steeds deels zou vervallen. Ook de door het hof aangehaalde verklaring van [gezamenlijke boekhouder] bevestigt volgens het subonderdeel dat bij een geleidelijke of gefaseerde afboeking van de schuld, die schuld uit geldlening voor het overige blijft bestaan, met in beginsel een terugbetalingsplicht voor dat overige. Het oordeel van het hof dat niet is gebleken dat [zoon 1] en [zoon 2] verplicht waren om de verstrekte bedragen terug te betalen, is in het licht van het voorgaande onvoldoende gemotiveerd.
3.12
Het subonderdeel ligt grotendeels in het verlengde van (het eerste deel van) subonderdeel 1.2 en faalt om de redenen zoals hiervoor ‎3.8 aangeduid. In aanvulling daarop merk ik nog op dat uit de in het subonderdeel genoemde uitspraken van [zoon 1] en [zoon 2] en de verklaring van [gezamenlijke boekhouder] niet noodzakelijk volgt dat sprake is van een schuld die in beginsel moet worden terugbetaald voor zover deze nog niet is kwijtgescholden. Volgens deze uitspraken en verklaring is het nimmer de bedoeling geweest dat er zou worden terugbetaald of dat de verstrekte bedragen zouden worden opgeëist, terwijl alleen met het oog op het vermijden van schenkingsbelasting de schenkingen zijn geadministreerd als ‘geldleningsovereenkomsten’ waarop jaarlijks administratief een bedrag wordt afgeboekt. Het gebruik van aanhalingstekens (zie conclusie van antwoord, onder 8) maakt duidelijk dat volgens [zoon 1] en [zoon 2] niet werkelijk sprake was van een geldleningsovereenkomst of van een schuld aan [vader] . Het hof is terecht uitgegaan van de opvatting dat bij de uitleg van de rechtsverhouding tussen partijen zo nodig door de papieren werkelijkheid heen gekeken diende te worden, omdat het erop aankomt wat partijen daadwerkelijk hebben beoogd en redelijkerwijs mochten begrijpen.
3.13
Subonderdeel 1.4klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof in rechtsoverweging 3.25 heeft geoordeeld dat uit de verklaringen van herroepelijke schenking een aanwijzing volgt dat [vader] jaarlijks bedragen aan [zoon 1] en [zoon 2] heeft geschonken en dat vanaf 2021 niet meer wilde, en dat dit volgens het hof bevestigt dat hij niets op schrift heeft gesteld waaruit een terugbetalingsplicht voor [zoon 1] en [zoon 2] volgt. Voorts wijst [vader] op enkele stellingen, in het licht waarvan het kennelijke oordeel van het hof dat [vader] ook is uitgegaan van (jaarlijkse) schenkingen, onbegrijpelijk zou zijn.
3.14
Mijns inziens slagen deze klachten niet. Het hof heeft in rechtsoverweging 3.25 geoordeeld dat uit de verklaringen van onherroepelijke schenking een aanwijzing is te halen dat [vader] jaarlijks bedragen aan [zoon 1] en [zoon 2] heeft geschonken, maar dat vanaf 2021 niet meer wilde. Voor zover het subonderdeel klaagt dat dit onbegrijpelijk is, kan het niet slagen. Deze verklaringen houden in dat [vader]
met ingang van 2021 géén jaarlijkse schenkingen meer wil doen. In het woordje ‘meer’ heeft het hof een aanwijzing gelezen dat voor 2021 er wel een wil tot schenking bestond. Dat is niet onbegrijpelijk. Voorts heeft het hof niet geoordeeld dat de verklaringen van herroepelijke schenking ‘bevestigen’ dat [vader] niets op schrift heeft gesteld over een terugbetalingsverplichting, zoals het subonderdeel zegt. Het hof heeft mijns inziens niet meer bedoeld dan dat de verklaringen van herroepelijke schenking niet kunnen dienen ter onderbouwing van de stelling van [vader] dat een terugbetalingsverplichting is overeengekomen.
3.15
De overige klachten van het subonderdeel falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Zij gaan kennelijk ervan uit dat het hof in rechtsoverweging 3.25 heeft geoordeeld dat ook [vader] is uitgegaan van schenkingen en niet van geldleningen ten aanzien waarvan [zoon 1] en [zoon 2] een terugbetalingsplicht hadden. Het hof heeft in rechtsoverwegingen 3.25-3.27 niet meer of anders geoordeeld dan dat [vader] in het licht van de gemotiveerde betwisting door [zoon 1] en [zoon 2] onvoldoende heeft gesteld om een terugbetalingsplicht te kunnen aannemen. Het hof heeft dus niet vastgesteld dat (ook) [vader] is uitgegaan van een schenking. Dit spoort met de taak van het hof volgens art. 24 lid 1 Rv Pro, namelijk de zaak beslissen op de grondslag van wat [vader] als eiser aan zijn vordering ten grondslag had gelegd. Voor afwijzing van die vordering volstaat dat de deugdelijkheid van de feitelijke grondslag van [vader] niet is komen vast te staan.
3.16
Uit het voorgaande volgt dat de klachten van de subonderdelen 1.2-1.4 falen. Dat betekent dat de subonderdelen 1.5-1.6 geen behandeling meer behoeven. Ik bespreek deze subonderdelen ten overvloede.
3.17
Subonderdeel 1.5bestrijdt het oordeel in rechtsoverwegingen 3.24 en 3.28 dat geen sprake is van een verplichting om geld te verstrekken. Het subonderdeel klaagt in de eerste plaats dat het hof bij zijn beoordeling ten onrechte niet tot uitgangspunt heeft genomen de stelling van [vader] dat hij bij de verstrekte bedragen van € 140.382 altijd is uitgegaan van een geldlening en niet van een schenking.
3.18
De klacht faalt, omdat het hof wel degelijk tot uitgangspunt heeft genomen dat [vader] ervan is uitgegaan dat sprake is van een geldlening en niet van een schenking. Dit volgt niet alleen uitdrukkelijk uit rechtsoverweging 3.23, waar het hof overweegt dat [vader] terugbetaling wil,
omdat de bedragen aan [zoon 1] en [zoon 2] zijn geleend, maar ook impliciet uit het feit dat het hof in rechtsoverweging 3.24 de betwistingen door [zoon 1] en [zoon 2] beoordeelt. Als het hof niet als uitgangspunt had genomen dat volgens [vader] sprake is van een geldlening, dan zou immers de beoordeling van die betwisting door [zoon 1] en [zoon 2] overbodig zijn geweest. Het subonderdeel verwijst naar diverse stellingen zoals genoemd in subonderdeel 1.4. Voorbeelden hiervan zijn dat [vader] altijd van een geldlening uitging, de bedragen in de fiscale rapporten over 2015-2019 als geldlening zijn aangemerkt en dat [zoon 1] en [zoon 2] achter zijn rug om de fiscale gang van zaken hebben voorgelegd aan [gezamenlijke boekhouder] die de leningen in 2019 zonder [vader] daarin te kennen als verminderd had geboekt, waarna [vader] heeft verklaard geen schenkingen meer te willen doen. Voor zover [vader] hiermee bedoelt motiveringsklachten te formuleren, slagen deze klachten niet. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat die stellingen kunnen leiden tot het oordeel dat voor [vader] wél een verplichting bestond om de bedragen te verstrekken.
3.19
Het subonderdeel klaagt in de tweede plaats dat het hof, door in rechtsoverweging 3.24 uit de daar genoemde feiten en omstandigheden de door [zoon 1] en [zoon 2] gestelde vrijblijvendheid bij de verstrekte gelden en [vader] oogmerk vast te stellen en daarop te concluderen dat in elk geval niet bleek dat [vader] zich ertoe had verplicht om [zoon 1] en [zoon 2] een of meerdere keren een som geld te verstrekken, in strijd met art. 24 Rv Pro de zaak niet onderzocht en besliste op de feitelijke grondslag die [vader] aan zijn terugbetalingsvorderingen ten grondslag heeft gelegd en het in strijd met art. 149 lid Pro 1, tweede volzin, Rv niet de door [vader] gestelde en door [zoon 1] en [zoon 2] betwiste (rechts)feiten beoordeeld om deze als vaststaand vast te stellen.
3.2
De klacht faalt. Het hof heeft in rechtsoverweging 3.24 tot uitgangspunt genomen dat volgens [vader] sprake is van een overeenkomst van geldlening (hiervoor ‎3.18), en daarin klaarblijkelijk ook gelezen dat [vader] zich op het standpunt stelt dat hij verplicht was om de gelden aan [zoon 1] en [zoon 2] te verstrekken. Die grondslag diende het hof te beoordelen en dat heeft het gedaan. Daarbij heeft het hof betrokken wat [zoon 1] en [zoon 2] bij wijze van
betwistingtegen die grondslag hadden ingebracht. Niet meer, niet minder.
3.21
In de derde plaats klaagt het subonderdeel dat het oordeel van het hof in rechtsoverweging 3.24 onbegrijpelijk is, omdat de door [zoon 1] en [zoon 2] gestelde vrijgevigheid, de eerdere schenkingen van € 25.000, de aanvullingen van tekorten, en de verklaring van [vader] dat hij niet meer jaarlijks schenkingen wil doen, niet afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien de conclusie (kunnen) wettigen dat [vader] ook de bedragen van € 140.382 vrijblijvend heeft verstrekt. Deze omstandigheden doen er niet aan af dat [vader] deze bedragen aan [zoon 1] en [zoon 2] heeft bedoeld – renteloos en opeisbaar – voor hun onderneming te lenen, waarvoor hij zich verbond de bedragen te verstrekken in de zin van art. 7:129 lid 1 BW Pro.
3.22
De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag voor zover zij ervan uitgaat dat het hof in rechtsoverweging 3.24 heeft geoordeeld dat [vader] de bedragen van € 140.382 vrijblijvend heeft verstrekt. Het hof heeft niet meer of anders overwogen dan dat niet is gebleken, oftewel [vader] onvoldoende (onderbouwd) heeft gesteld, dat er sprake was van een verplichting om de bedragen aan [zoon 1] en [zoon 2] te verstrekken. Ook overigens acht ik het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. [vader] heeft weliswaar gesteld dat hij heeft bedoeld de bedragen – renteloos en opeisbaar – aan [zoon 1] en [zoon 2] voor hun onderneming te lenen, maar op de vindplaatsen waarnaar in de procesinleiding wordt verwezen valt niets te lezen waaruit volgt dat, waarom en op welke wijze [vader] zich heeft verbonden om aan [zoon 1] en [zoon 2] bepaalde bedragen te verstrekken.
3.23
Tot slot bevat het subonderdeel nog een klacht voor het geval dat het hof in rechtsoverweging 3.24 (mede) ‘het bevrijdend verweer’ van [zoon 1] en [zoon 2] dat sprake is van schenkingen besprak.
3.24
Die klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat de overwegingen van het hof betrekking hebben op de grondslag van de vordering van [vader] , namelijk of er sprake is van een overeenkomst van geldlening, en niet op enig bevrijdend verweer van [zoon 1] en [zoon 2] .
3.25
De voortbouwklacht van
subonderdeel 1.6deelt in het lot van de voorgaande klachten.
3.26
Onderdeel 2bestaat uit de subonderdelen 2.1 en 2.2.
3.27
Subonderdeel 2.1richt zich tegen de rechtsoverwegingen 2.22-2.28 (hiervoor ‎3.2 aangehaald), mede in het licht van het oordeel in rechtsoverweging 2.18. Het hof overweegt daar, over de vordering van [vader] tot terugbetaling van € 50.000 door [zoon 1] en [zoon 2] , op de grond dat die bedragen aan hen zijn geleend:
‘Ook kan niet uit de brief van de gemachtigde van 18 februari 2022 worden afgeleid dat [zoon 1] en [zoon 2] hebben erkend dat er voor de € 50.000 sprake is van een geldlening. Bij de uitleg van die brief gaat het volgens de zogenoemde Haviltexmaatstaf namelijk om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze brief mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De tekst is daarbij belangrijk maar niet doorslaggevend. Toegegeven kan worden dat de gemachtigde de indruk van een lening wekt met de opmerkingen dat “wel degelijk sprake is van een geldleningsovereenkomst”, maar dat is niet los te zien van de omstandigheid dat dit wordt geschreven in reactie op de stelling dat [zoon 1] en [zoon 2] gelden zouden hebben verduisterd. De gemachtigde schrijft verder inderdaad dat aan [zoon 1] en [zoon 2] € 140.382 is geleend maar in het vervolg wordt echter uitdrukkelijk betwist dat er een verplichting tot terugbetaling was afgesproken, terwijl dat wel een van de vereisten is om een geldlening aan te nemen. [10] Ook wordt meteen een (fiscale) verklaring gegeven hoe met dit bedrag werd omgegaan en wordt de brief afgesloten met een betwisting van de vorderingen. Het hof hecht daarom minder belang aan het gebruik van de termen “geldleningsovereenkomst” en “geleend”: [vader] mocht er op basis van de gehele brief redelijkerwijs niet vanuit gaan dat [zoon 1] en [zoon 2] de lening (en dus ook een terugbetalingsplicht) erkenden. Hetzelfde geldt voor de weergave in de conclusie van antwoord van 29 juni 2022, waarin [zoon 1] en [zoon 2] onder punt 8 niet alleen geldleningsovereenkomsten noemen, maar ook meteen wijzen op het ontbreken van een terugbetalingsplicht. Daarmee is er geen gerechtelijke erkenning van het bestaan van een geldleningsovereenkomst.’
3.28
Het subonderdeel bevat diverse klachten. Allereerst heeft het hof ten onrechte geen beslissende betekenis toegekend aan de schuldbekentenissen van [zoon 1] en [zoon 2] in hun verklaring van 1 oktober 2020 in samenhang met de brief van 18 februari 2022 waarin hun gemachtigde bevestigde dat € 140.382 is geleend, maar vervolgens werd betwist dat een verplichting tot terugbetaling bestond in verband met de fiscale constructie die was bedacht. Het hof heeft aldus miskend dat ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst van belang kunnen zijn voor de aan de overeenkomst te geven uitleg.
3.29
De klacht faalt, omdat uit niets volgt dat het hof uit zou zijn gegaan van de opvatting dat bij de uitleg van een overeenkomst geen acht mag worden geslagen op gedragingen van partijen van na het sluiten van de overeenkomst. Het hof heeft de verklaring van 1 oktober 2020 en de brief van 18 februari 2022 eenvoudig niet uitgelegd in de zin als door [vader] was bepleit, namelijk dat [zoon 1] en [zoon 2] daarin het bestaan van een geldlening zouden hebben erkend. Een zodanige uitleg valt geheel binnen het domein van de rechter die over de feiten oordeelt.
3.3
Daarnaast klaagt het subonderdeel, voor zover het hof in rechtsoverwegingen 3.22-3.28 minder belang heeft gehecht aan het gebruik van de termen ‘geldleningsovereenkomst’ en ‘geleend’ in de brief van hun gemachtigde van 18 februari 2022, om de in rechtsoverweging 3.18 genoemde redenen, dit oordeel onjuist of onbegrijpelijk is, omdat het gebruik van deze termen een aanwijzing of bevestiging (kunnen) inhouden over de betekenis die zij, over en weer, aan hun mondeling tot stand gekomen overeenkomst toekenden.
3.31
De klacht faalt. Het enkele feit dat de termen ‘geldleningsovereenkomst’ en ‘geleend’ mogelijk ook hadden kúnnen leiden tot het oordeel dat sprake is van een overeenkomst van geldlening, maakt de uitleg die het hof aan de rechtsverhouding tussen partijen heeft gegeven nog niet onbegrijpelijk. [11]
3.32
Subonderdeel 2.2richt zich tegen rechtsoverweging 3.29 waar het hof het bewijsaanbod van [vader] passeert. Het hof overwoog:
‘Het hof gaat ten slotte voorbij aan de bewijsaanbiedingen van partijen omdat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden leiden als ze zouden worden bewezen.’
3.33
Het subonderdeel klaagt dat het hof ten onrechte het voldoende concrete en gespecificeerde (tegen)bewijs dat [vader] bij memorie van antwoord in hoger beroep heeft gedaan, heeft gepasseerd. Dezelfde klacht wordt ook aangevoerd voor het geval rechtsoverwegingen 3.24-3.27 moeten worden gezien als de beoordeling van ‘het bevrijdende verweer’ van [zoon 1] en [zoon 2] dat sprake was van schenkingen die alleen om fiscale redenen als geldleningsovereenkomst zijn aangemerkt.
3.34
De klachten falen. Het hof heeft immers geoordeeld dat [vader] niet voldoende (onderbouwd) heeft gesteld dat sprake is van een verplichting voor [vader] om gelden te verstrekken en een verplichting voor [zoon 1] en [zoon 2] om deze gelden terug te betalen. Aan bewijslevering kwam het hof dus niet toe en dus ook niet aan het bewijsaanbod van [vader] .

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 22 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7536, onder 3.2-3.11. Zie Rb. Noord-Nederland 19 april 2023, zaaknummer C/18/213377 / HA ZA 22-99, onder 2.1-2.10 voor de feitenvaststelling in eerste aanleg, waarnaar het hof onder 3.1 verwijst.
2.Zie het vonnis van 19 april 2023, onder 4.22.
3.Het gebruik van de term ‘hoofdelijk’ is hier mijns inziens verwarrend. De vordering moet kennelijk zo worden begrepen dat [vader] van [zoon 1] en [zoon 2] afzonderlijk € 50.000 en € 140.382 vordert én dat bovendien [zoon 1] hoofdelijk aansprakelijk is in verband met de vordering van [vader] op [zoon 2] en vice versa. Zie het vonnis van 19 april 2023, onder 4.13.
4.In beide zaken in hoger beroep zijn afzonderlijke en inhoudelijk verschillende memories van grieven en antwoord ingediend. Voor de mondelinge behandeling en arrest zijn beide zaken gevoegd op de rol. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de raadslieden van partijen ermee ingestemd dat beide zaken tegelijk worden behandeld en dat alle stukken in beide zaken geacht moeten worden deel uit te maken van beide procesdossiers. Zie proces-verbaal van mondelinge behandeling van 7 juni 2024, p. 2.
5.Ik merk op dat het hof in punt 4.1 van het dictum slechts de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van deze vordering vernietigt, maar niet (uitdrukkelijk) opnieuw recht doende de vorderingen alsnog afwijst. Het hof wijst onder 4.9 van het dictum wel in beide zaken af wat ‘verder’ is gevorderd, zodat voor zover nodig ook de afwijzing van de vorderingen tot betaling van € 140.382 daaronder kan worden begrepen.
6.Vergelijk bijvoorbeeld HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:147,
7.Voetnoot in het origineel: Zie o.a. HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746 (X/gemeente Amsterdam).
8.Voetnoot in het origineel: HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3701.
9.Voetnoot in het origineel: Productie 7 bij memorie van grieven van [vader] .
10.Voetnoot in het origineel: Artikel 7:129 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
11.HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1078,