ECLI:NL:PHR:2025:1097
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen beslag in ontnemingszaak na onherroepelijk arrest
De zaak betreft een beklag van een derde tegen beslag op geldbedragen en voorwerpen, gelegd in een ontnemingszaak tegen een betrokkene. Het hof Amsterdam verklaarde de klaagster niet-ontvankelijk in haar beklag omdat de ontnemingszaak op 29 juni 2021 onherroepelijk was geworden. De klaagster stelde in cassatie dat het arrest pas op 27 juni 2023 onherroepelijk werd, waardoor haar klaagschrift tijdig was ingediend.
Uit ambtshalve onderzoek bleek dat het arrest van het hof Amsterdam van 29 juni 2021 inderdaad op 27 juni 2023 onherroepelijk werd door verwerping van het cassatieberoep door de Hoge Raad. Dit betekende dat het conservatoir beslag overging in executoriaal beslag en het openbaar ministerie de in beslag genomen voorwerpen kon uitwinnen.
De Hoge Raad oordeelde dat de klaagster geen belang meer had bij het cassatieberoep tegen de beschikking van het hof Amsterdam, omdat het arrest ten tijde van de beschikking al onherroepelijk was. De niet-ontvankelijkheid van de klaagster was dus terecht en niet gebaseerd op een te laat ingediend klaagschrift.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep van de klaagster.
Uitkomst: De klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep tegen de beslagbeschikking.