ECLI:NL:PHR:2024:993

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2024
Publicatiedatum
26 september 2024
Zaaknummer
22/03664
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 266 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep op noodweer en bevestiging bewezenverklaring belediging door spugen

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens mishandeling en eenvoudige belediging, gepleegd op 1 juni 2020. Het hof legde een taakstraf van 80 uur op, subsidiair 40 dagen hechtenis, en een schadevergoedingsmaatregel. De verdachte stelde twee middelen van cassatie voor: het eerste betrof het onbegrijpelijk verwerpen van het beroep op noodweer bij de mishandeling, het tweede de ontoereikende motivering van de bewezenverklaring van de belediging door spugen.

Het hof oordeelde dat de verdachte zelf de aanval was begonnen door op de aangeefster af te lopen en in haar richting te spugen. Het slaan van de aangeefster met een boodschappentas tegen de auto van de verdachte werd als een reactie op deze provocatie gezien. Het vervolg van de verdachte, het duwen en trappen van de aangeefster, was niet proportioneel en niet noodzakelijk als verdediging. Het hof verwierp daarom het beroep op noodweer.

Ten aanzien van de belediging stelde de verdachte dat de camerabeelden onvoldoende bewijs zouden leveren voor het spugen. Het hof baseerde de bewezenverklaring op de verklaring van de aangeefster en de eigen waarneming van de camerabeelden, waarin de verdachte een beweging maakte die paste bij spugen en de aangeefster een reactie daarop toonde. De Hoge Raad oordeelt dat beide middelen falen en bevestigt het arrest van het hof zonder vernietiging. Tevens wordt opgemerkt dat de redelijke termijn voor de uitspraak is overschreden, maar dit leidt niet tot verdere gevolgen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor mishandeling en belediging blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03664
Zitting8 oktober 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 23 september 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens onder 1 “mishandeling” en onder 2 “eenvoudige belediging, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, subsidiair 40 (veertig) dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof beslist over de vordering van de benadeelde partij en in verband daarmee aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Namens de verdachte heeft J.H.L. Antonides, advocaat in Roermond , twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het eerste middel houdt verband met het onder 1 tenlastegelegde. Mede gelet op de toelichting bevat het middel in de kern de klacht dat het hof het beroep op noodweer onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 1 juni 2020, in de [plaats] , [aangeefster] heeft mishandeld door haar te duwen en/of slaan en/of trappen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel, ten gevolge heeft gehad”.
2.3
In het bestreden arrest heeft het hof het beroep op noodweer als volgt samengevat en verworpen:
“Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat hij van het onder 1 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken omdat aan hem een beroep toekomt op noodweer. Daartoe is aangevoerd dat de aangeefster met een boodschappentas tegen zijn auto sloeg en hem ook in de halsstreek heeft geraakt met haar boodschappentas. Het gaat hier om een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van lijf en goed, waartegen de verdachte zich moest verdedigen. […]
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt op basis van het dossier en de hierboven vermelde bewijsmiddelen het volgende vast.
De verdachte is, nadat hij het winkelcentrum heeft verlaten, weggereden in zijn auto. Nadat hij zag dat [aangeefster] het winkelcentrum uit liep, heeft hij zijn auto aan de linkerkant van de weg geparkeerd, vlak na het zebrapad waarover aangeefster liep. De verdachte is vervolgens uitgestapt en op [aangeefster] afgelopen. Op korte afstand van haar maakt hij met zijn bovenlichaam een krachtige voorwaartse beweging in haar richting. Op grond van hetgeen het hof heeft waargenomen op de camerabeelden, concludeert het hof dat de verdachte met deze beweging heeft gespuugd in de richting van [aangeefster] , zoals zij ook heeft verklaard in haar aangifte. De beweging die aangeefster zichtbaar maakt nadat de verdachte die “spugende beweging” heeft gemaakt, past daar ook veel beter bij dan bij het scenario dat de beweging van de verdachte de door de verdediging bedoelde ‘non-verbale’ communicatie betrof. Dat laatste acht het hof dan ook niet aannemelijk geworden. Nadat de verdachte heeft gespuugd, loopt hij weer in de richting van zijn auto. Op dat moment maakt [aangeefster] een slaande beweging met haar boodschappentas tegen de achterkant van de auto. De verdachte loopt dan weer met stevige pas terug naar aangeefster. Vervolgens duwt de verdachte [aangeefster] naar achteren en maakt hij een trappende beweging in haar richting, waardoor zij ten val komt. De getuige [betrokkene 1] heeft de trappende beweging - door de verdachte “een veeg” genoemd - beschreven als een harde trap.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte, door op aangeefster af te gaan en naar haar te spugen, zonder dat daar enige noodzaak of rechtvaardiging voor heeft bestaan, een gedraging verricht die was gericht op provocatie van het latere slachtoffer en op escalatie van het conflict. De verdachte was uit op een confrontatie en heeft zelf de aanval ingezet. Zo al zou moeten worden aangenomen dat de aangeefster vlak daarvoor lelijke dingen zou hebben geroepen tegen de verdachte, hetgeen overigens niet is komen vast te staan, vormt dat nog geen rechtvaardiging voor het handelen van de verdachte. Het handelen van de aangeefster dat volgde op het spugen door de verdachte, te weten het slaan tegen de auto van de verdachte met een tas, merkt het hof aan als een reactie die is uitgelokt door de wederrechtelijke aanranding door de verdachte, te weten het spugen. De verdachte is, nadat aangeefster op de auto sloeg, niet vertrokken maar weer op aangeefster afgegaan en heeft haar geduwd en even later getrapt. Die handelingen van de verdachte kunnen niet worden aangemerkt als een passende en geboden reactie op het slaan met een tas tegen de auto. Die gedragingen waren niet noodzakelijk om het slaan tegen de auto te doen stoppen en stonden daarmee evenmin in een passende verhouding. Indien en voor zover zou moeten worden aangenomen dat de aangeefster met een boodschappentas ook in de richting van de verdachte heeft gezwaaid en hem daarbij heeft geraakt - hetgeen door de verdediging wordt gesteld, maar het hof niet heeft kunnen waarnemen op de camerabeelden - dan levert dit nog geen noodweer op, nu dit gebeurde nadat de verdachte de aangeefster begon te duwen als reactie op het slaan met de tas tegen de auto. Dit handelen van de aangeefster, het beweerdelijke slaan met de tas tegen de verdachte, dient dan naar het oordeel van het hof veel meer te worden aangemerkt als een noodzakelijke verdediging tegen de wederrechtelijke aanranding door de verdachte en niet als een aanval van haar kant.
Het bovenstaande komt er op neer dat het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel is dat de verdachte geen succesvol beroep op noodweer toekomt. Het beroep op noodweer wordt verworpen.”
2.4
Het hof heeft in verband met de feitelijke toedracht de volgende vaststellingen gedaan:
- de verdachte is weggereden in zijn auto, maar toen hij aangeefster zag is hij gestopt, uitgestapt, op de aangeefster afgelopen en heeft hij in de richting van de aangeefster gespuugd;
- als de verdachte daarna weer terug naar zijn auto loopt, maakt de aangeefster een slaande beweging met haar boodschappentas tegen de achterkant van de auto;
- de verdachte loopt vervolgens met stevige pas terug naar de aangeefster, duwt haar naar achteren en maakt een (harde) trappende beweging in de richting van de aangeefster, waardoor zij ten val komt.
2.5
Op grond van deze vaststellingen heeft het hof bij de beoordeling van het beroep op noodweer geoordeeld dat de verdachte toen hij op de aangeefster is afgelopen en in haar richting heeft gespuugd, zelf de aanval heeft ingezet. Het hof merkt het slaan van de aangeefster tegen de auto van de verdachte met een tas aan als een reactie op de wederrechtelijke aanranding door de verdachte. Het handelen van de verdachte dat daarop vervolgens volgde, te weten het weer op de aangeefster afgaan en het geven van een duw en een trap, vormen volgens het hof niet een passende en geboden reactie op het slaan met een tas tegen de auto door de aangeefster. Voorts is het hof van oordeel dat – voor zover al moet worden aangenomen dat de aangeefster met haar tas in de richting van de verdachte heeft gezwaaid – dit handelen veel meer dient te worden aangemerkt als een noodzakelijke verdediging tegen de wederrechtelijke aanranding door de verdachte en niet als een aanval van haar kant, nu dit gebeurde nadat de verdachte de aangeefster begon te duwen als reactie op het slaan met de tas tegen de auto.
2.6
De steller van het middel klaagt ten eerste dat het hof heeft miskend dat in deze zaak feitelijk de volgende situaties moeten worden onderscheiden:
- het schelden van aangeefster en daarop volgend het uitstappen door de verdachte, het schreeuwen door de verdachte en het maken van een beweging met het hoofd door de verdachte;
- het weglopen van de situatie door de verdachte, het slaan tegen de auto van de verdachte door de aangeefster, het teruglopen van de verdachte naar de aangeefster, het vervolgens slaan van de verdachte door de aangeefster en daarna de voetbeweging door de verdachte.
2.7
Anders dan de steller van het middel voorstaat, legt het hof bij zijn beoordeling van de feiten een verband tussen het slaan door de aangeefster met een tas tegen de auto van de verdachte en het daaraan voorafgaande in haar richting spugen door de verdachte. Het hof beschouwt het slaan met de tas door de aangeefster niet als een (nieuwe) confrontatie, maar als een reactie op het spugen door de verdachte. Dat de verdachte na het spugen wegliep en dat – vanuit zijn optiek bezien – de noodweersituatie voorbij was, maakt dit verband nog niet onbegrijpelijk.
2.8
Het hof beschouwt het weer op de aangeefster afgaan en het geven van een duw en een trap door de verdachte, niet als een passende en geboden reactie op het slaan met de tas tegen de auto door de aangeefster. Dit is niet onbegrijpelijk nu het hof er – anders dan de steller van het middel – van uitgaat dat het slaan van de verdachte door de aangeefster pas gebeurde nadat de verdachte de aangeefster begon te duwen als reactie op het slaan met de tas tegen de auto.
2.9
Tot slot klaagt de steller van het middel over de begrijpelijkheid van de overweging van het hof dat uit de beelden van het incident niet kan worden opgemaakt dat de verdachte door de aangeefster is geslagen, nu de politierechter dit wel heeft waargenomen en de verdachte fors letsel zou hebben overgehouden aan het incident. Deze klacht faalt vanwege het volgende. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg blijkt niet dat de politierechter op de beelden zou hebben waargenomen dat de verdachte door de aangeefster is geslagen. De politierechter heeft in de aantekening van het mondeling vonnis zoals opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 juli 2021 de vaststelling dat het slachtoffer met haar tas de verdachte heeft geraakt, dan ook niet gebaseerd op de beelden van het incident maar op de verklaring van de verdachte tegenover de politie direct na afloop van het incident. Verder brengt de omstandigheid dat de verdachte letsel zou hebben opgelopen van het incident nog niet mee dat het onbegrijpelijk is dat het hof dit slaan op de beelden niet heeft waargenomen.
2.1
Het eerste middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het middel klaagt, zo begrijp ik, dat de onder 2 bewezenverklaarde belediging voor wat betreft het spugen door de verdachte ontoereikend is gemotiveerd. De steller van het middel meent dat de camerabeelden onvoldoende ondersteuning bieden aan de verklaring van de aangeefster dat de verdachte in haar gezicht heeft gespuugd.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij op 1 juni 2020, in de [plaats] , opzettelijk [aangeefster] , in haar tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door haar de woorden toe te voegen: "junk, hoer" en door naar haar te spugen.”
3.3
Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 17 november 2020, voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :
Op 1 juni 2020 stond ik aan de kassa in het [winkelcentrum] te [plaats] . Ik zag dat er een voor mij onbekende man aan de kassa stond. Ik heb aan deze meneer gevraagd of het met een beetje respect kon en zijn reactie was: "Hou je bek, junk, hoer!". Ik zag dat de man boos en opgefokt was en ben bewust even binnen in het winkelcentrum gebleven. Zo rond 14.30 uur ben ik het winkelcentrum uitgelopen. Ik liep daar met twee boodschappentassen naar buiten en zag dat de boze man in zijn donker kleurige auto voorbij reed. Ik zag dat hij zijn auto links voor mij parkeerde ter hoogte van de pinautomaat van de Rabobank. Hij stapte uit. Ik zag dat de man boos naar mij toegelopen kwam en mij in mijn gezicht spuugde. Ik voelde de spuugdruppels in mijn gezicht en voelde mij beledigd door de man. Nadat hij mij in mijn gezicht had gespuugd zei hij junk en hoer. […]
4. De eigen waarneming van het gerechtshof ten aanzien van de camerabeelden zoals die ter terechtzitting in hoger beroep zijn afgespeeld:
Het betreft beelden van het parkeerterrein bij het [winkelcentrum] te [plaats] . Boven in beeld is een zebrapad te zien. Er komt een donkerkleurige auto vanuit boven in beeld rijden. De auto rijdt over het zebrapad en parkeert rechts in beeld (vanuit rijrichting auto gezien aan de linkerkant van de straat op het parkeerterrein). Een vrouw - hierna aan te duiden als: [aangeefster] - loopt vanuit rechtsboven in beeld in de richting van het zebrapad. De vrouw heeft boodschappentassen vast. De vrouw steekt het zebrapad over en passeert de auto aan de achterkant. Er stapt een man - hierna aan te duiden als: de verdachte - uit de bestuurderskant van de auto en hij loopt met een stevige pas naar boven in beeld rechtstreeks op [aangeefster] af. Als hij zich op korte afstand van [aangeefster] bevindt, maakt de verdachte met zijn bovenlichaam en hoofd een krachtige voorwaartse beweging in haar richting. Deze beweging past bij het spugen in de richting van [aangeefster] . De aangeefster maakt daarna een beweging (ze draait haar hoofd af van de verdachte) die past bij het door iets geraakt worden. […]”
3.4
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. De rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren, behalve in bijzondere gevallen. Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal. In cassatie kan de Hoge Raad onderzoeken of de conclusies van feitelijke aard, die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld, begrijpelijk zijn. [1]
3.5
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het spugen. Daartoe heeft hij naar voren gebracht dat op het beeldmateriaal weliswaar te zien is dat de verdachte een voorwaartse beweging met het bovenlichaam maakte, maar dat hij in hevige discussie met de aangeefster was verwikkeld en dat deze beweging dus is uit te leggen als onderdeel van non-verbale communicatie (maar niet als spugen, zo begrijp ik).
3.6
Het hof heeft in de bewijsmiddelen vastgesteld dat de aangeefster over het tenlastegelegde incident van 1 juni 2020 heeft verklaard dat de verdachte haar in haar gezicht heeft gespuugd. Verder heeft het hof de eigen waarneming op basis van camerabeelden van het tenlastegelegde incident voor het bewijs gebruikt. Daaruit blijkt niet alleen dat de verdachte een beweging heeft gemaakt die naar het oordeel van het hof past bij het spugen in de richting van de aangeefster, maar ook dat de aangeefster hierna een beweging heeft gemaakt die naar het oordeel van het hof past bij het door iets geraakt worden. Het hof heeft op grond van deze bewijsmiddelen bewezenverklaard dat de verdachte naar de aangeefster heeft gespuugd. Dat vind ik zeker niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de ontkenning door de verdachte.
3.7
Ook het tweede middel faalt.

4.Slotsom

4.1
Beide middelen falen en het tweede middel kan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan. Het eerste middel gaat over een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en daarom ligt afdoening van dat middel op de voet van art. 81 lid 1 RO Pro niet voor de hand. [2]
4.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen. Wel merk ik op dat het cassatieberoep is ingesteld op 3 oktober 2022. De Hoge Raad gaat dus uitspraak doen nadat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Omdat in deze zaak alleen een taakstraf is opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte minder dan honderd uren beloopt, kan echter worden volstaan met de constatering van die overschrijding. [3]
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:498, r.o. 2.2.
2.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,
3.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.1.2-3.1.3.