Conclusie
1.Vité Beheer B.V. (hierna: Vité),
Dupatech),
[eiser 3]),
Vité c.s., in vrouwelijk enkelvoud),
Global Pack).
DPPT) heeft gefrustreerd door, daags nadat DPPT door Global Pack was gedagvaard, al het vermogen van DPPT - met uitzondering van de schuld aan Global Pack - over te dragen aan een zustervennootschap (Dupatech) en DPPT te turboliquideren. Vité c.s. komt in cassatie op tegen deze veroordeling, m.i. zonder succes.
1.Feiten
arrest). De kern van de zaak heeft het hof dan, ter inleiding, als volgt weergegeven:
Holding).
Hiems), waarvan [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]) de aandeelhouder is, aandeelhouder en bestuurder van Dupatech Injection Moulding B.V. (hierna:
DIM). Vité is of was ook 49% aandeelhouder in de Turkse onderneming Dupatech Makine iMalat Sanayi ve ticaret A.S. (hierna:
DMI SA).
machine). De machine is geproduceerd door DMI SA, maar verduisterd en nooit naar Global Pack verscheept. Global Pack heeft vervolgens op 16 augustus 2019 de koopovereenkomst met DPPT ontbonden en op 30 augustus 2019 ten laste van DPPT conservatoire beslagen proberen te leggen, die echter geen doel hebben getroffen.
verstekvonnis). Daarbij heeft de rechtbank Rotterdam voor recht verklaard dat de koopovereenkomst is ontbonden, en DPPT veroordeeld om diverse bedragen aan Global Pack te betalen.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank). Zij heeft gevorderd, voor zover in cassatie nog van belang en kort gezegd, dat Vité c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van diverse bedragen deels corresponderend met hetgeen DPPT op grond van het verstekvonnis aan Global Pack moet betalen.
vonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van Global Pack grotendeels toegewezen.
hof).
De vordering van Global Pack op DPPT staat vast
Zonder het handelen van Vité Beheer en [eiser 3] zou er voldoende verhaal zijn geweest
Bewijsaanbiedingen
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1.
subonderdeel 1.2.
subonderdeel 1.3.
nietdat zij zonder heropening van haar vereffening geen rechtsmiddel kon aanwenden tegen het verstekvonnis. [19] Aangenomen wordt verder dat ingeval van zo’n turboliquidatie wat betreft daaropvolgende betekening van exploten aansluiting kan worden gezocht bij art. 54 Rv Pro. [20] Daarbij zij nog opgemerkt dat de verzetregeling in art. 143 e.v. Rv, waar het gaat om het aanvangen van de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan, meer mogelijkheden kent dan alleen betekening van het vonnis in kwestie (art. 143 lid Pro 2-3 Rv). [21] Over zo’n heropening rept die regeling niet.
nietmeebracht dat zij met betrekking tot die procedure niet langer in rechte kon optreden (niet langer procesbevoegdheid had). Zie onder 3.6.4 hiervoor. Langs die weg heeft voornoemde termijn waarbinnen verzet moet worden gedaan daar dan in ieder geval kunnen aanvangen (en vervolgens onbenut kunnen verstrijken). Zo is door Global Pack in de onderhavige procedure al in de inleidende dagvaarding erop gewezen dat een procedure tegen DPPT aanhangig was, waarin DPPT zich niet had gesteld waardoor een verstekvonnis voor de hand lag. [22] Het verstekvonnis is gewezen na het uitbrengen van die dagvaarding en door Global Pack in eerste aanleg als productie 28 in de onderhavige procedure ingebracht, [23] waarop Vité c.s. in eerste aanleg (én ook nog in hoger beroep) uitgebreid heeft gereageerd. [24] Ik wijs ook op de onderkenning van het verstekvonnis door de advocaat van Vité c.s. en door [eiser 3] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, [25] dit mede naar aanleiding van de vaststelling door de voorzitter: “Er ligt een vonnis tegen DPPT waar geen rechtsmiddel tegen is ingesteld.” [26] , [27]
by the same tokenhet hof ook in rov. 3.15 te hoge eisen heeft gesteld aan die verzwaarde motiveringsplicht. Vité c.s. heeft gesteld: (i) dat de voorraad was verpand, zodat Global Pack zich daarop niet had kunnen verhalen; en (ii) dat de voorraad geen courante waarde had en grotendeels nog steeds aanwezig is, dat de prijs voor de voorraad daarom meer dan redelijk is. [31] Zij heeft gespecificeerd bewijs op dit punt aangeboden. Daarmee heeft zij voldaan aan de op haar rustende verzwaarde motiveringsplicht en had het hof haar tot het aangeboden bewijs dienen toe te laten.
subonderdeel 2.1.
x), nu dit slechts gedeeltelijk dekt. Want uit
x, wat het hof wel wil aannemen, vloeit nog niet voort dat DPPT evenmin in staat was om in de toekomst met haar andere of soortgelijke activiteiten inkomsten te generen (kortweg:
y), wat hier ook relevant is. En: uit de voorzetting van DPPT’s onderneming in Dupatech blijkt juist ook dat Dupatechs aandeelhouders het ook zo zagen dat uit
xnog niet
yvoortvloeit. Dit is prima te volgen. Anders dan het subonderdeel suggereert, verlangt het hof hier dus niet dat Vité c.s. over
y“zodanig veel stelde” dat
yzou vaststaan. [32] Inzake rov. 3.13 mist het subonderdeel derhalve feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
duidelijkeoverzicht is gegeven, valt alleszins te begrijpen. Immers, in de tabel ontbreken concrete gegevens over de verschillende activiteiten van DPPT en Dupatech (in de tabel staat als activiteiten alleen thermoformers en “overige producten”) en de winsten die met de verschillende activiteiten zijn behaald na overname (in de tabel staan alleen omzetgegevens). Het subonderdeel licht ook niet toe waarom die ontbrekende gegevens wel uit de tabel zouden volgen. [35] Het subonderdeel poneert wel eufemistisch dat productie 85 “wellicht nadere duiding” (“interpretatie”) behoefde, zoals Vité c.s. ter mondelinge behandeling in hoger beroep zou hebben opgemerkt. Maar dit veronderstelt dat de relevante gegevens op zichzelf alle aanwezig zijn in de tabel (zij het lastig te doorgronden), wat naar ’s hofs geenszins onbegrijpelijke oordeel dus niet het geval is en zijdens Vité c.s. ook niet zo is opgebracht tijdens die mondelinge behandeling. [36] De uitkomst wordt niet anders door hetgeen het hof in rov. 3.14 overweegt over de kern van het partijdebat en wat het subonderdeel daartegen aanvoert. Daarmee zegt het hof niet dat de lat om tot bewijs te worden toegelaten (nog) hoger moet worden gelegd, maar onderbouwt het hof deels, [37] en onjuist noch onbegrijpelijk, waarom van Vité c.s. mocht worden verwacht dat zij voornoemde duidelijke overzicht in het geding zou brengen (wat zij dus heeft nagelaten, zie hiervoor). In zoverre mist het subonderdeel derhalve feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
subonderdeel 2.2.
By the same token”, etc.), dat faalt, deelt het in het lot daarvan. Zie onder 3.10-3.10.6 hiervoor.