ECLI:NL:PHR:2024:878

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
31 augustus 2024
Zaaknummer
22/02638
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 361 lid 4 SvArt. 415 SvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep mishandeling met beroep op putatief noodweer en immateriële schadevergoeding

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens mishandeling waarbij zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht aan twee benadeelden. Het hof legde een taakstraf op en bepaalde schadevergoedingen voor de benadeelden. De verdediging stelde cassatieberoep in met twee middelen: het niet reageren op een beroep op putatief noodweer en het ontbreken van motivering bij de toewijzing van immateriële schadevergoeding.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het beroep op noodweerexces heeft verworpen en dat uit de processtukken niet blijkt dat het hof een beroep op putatief noodweer heeft ontvangen of behandeld. Het eerste middel faalt daardoor bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het tweede middel klaagde over onvoldoende motivering van de immateriële schadevergoeding, maar de Hoge Raad vond de motivering toereikend gelet op de medische stukken en de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

De Hoge Raad constateert een overschrijding van de redelijke termijn voor uitspraak, maar acht dit niet voldoende voor een andere beslissing. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02638

Zitting3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 13 juli 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, (1) in de zaak met parketnummer 16-258130-18 wegens “
mishandeling” van [ benadeelde 1] en (2) in de zaak met parketnummer 16-199285-18 wegens de
“mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”waarvan [benadeelde 2] het slachtoffer is, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, waarvan dertig uren, subsidiair vijftien dagen, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [ benadeelde 1] en [benadeelde 2] , en ter zake tevens maatregelen ex artikel 36f Sr opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R. Dijkstra, advocaat in Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd om in de hiervoor onder (2) genoemde zaak gemotiveerd te reageren op het beroep op putatief noodweer.

Het procesverloop voor wat betreft de zaak onder (2)

4. Bij de stukken van het geding bevindt zich een e-mailbericht d.d. 17 juni 2021 waaruit blijkt dat de raadsvrouw haar pleitnotities op die datum (elektronisch) aan het hof heeft doen toekomen. Blijkens de bijlage bij dat e-mailbericht houden deze pleitnotities onder meer in:
“Putatief noodweer
7. Subsidiair doet de verdediging een beroep op putatief noodweer. Cliënte stelt dat aangever[ [benadeelde 2] , D.A.]
haar aan haar trui trok en haar telefoon uit haar handen griste. Cliënte stelt dat zij op het moment dat hij haar benaderde in de veronderstelling was dat hij haar zou aanranden. Zij heeft zich verweerd door hem af te wenden middels een duw om eigen lijf te beschermen. Uit de correspondentie volgt dat zij bij hem gedwongen voelde seksuele handelingen te verrichten (schoot zitten, orale seks). Cliënte heeft hiervan ook aangifte gedaan, echter hier is geen gevolg aan gegeven door de politie.
8. Het ging volgens zowel cliënte als aangever heel snel. Een duw om iemand af te weren kan in een dergelijke situatie als proportioneel worden beschouwd. Cliënte voelde de noodzaak om hem van zich af te wenden. Het was bij [benadeelde 2] thuis zij zat op de bank hij stond voor haar, zij kon geen kant op (subsidiariteit). De verdediging meent dat sprake is van afwezigheid van alle schuld en verzoekt om cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging (OVAR).
Noodweerexces
9. Meer subsidiair doet de verdediging een beroep op het noodweerexces, immers doordat [benadeelde 2] op haar afkomt, de putatieve aanranding, voelt zij de hevige gemoedsbeweging (angst) waardoor zij zich heeft menen te moeten verweren om zich tegen hem te verweren door een duw/ klap geven. Zij had geen reële mogelijkheid zich hieraan te onttrekken. De verdediging verzoekt cliënte zodoende meer subsidiair eveneens te ontslaan van alle rechtsvervolging.”
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 juni 2021 houdt, voor zover relevant, in:
“Als raadsvrouw van verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr. R. Dijkstra, advocate te Doorn.
(...)
De voorzitter deelt mede dat het hof voorafgaand aan de zitting stukken heeft ontvangen van de raadsvrouw en dat die stukken aan het dossier zijn toegevoegd. Het betreft een adviesrapport van […] en een aantal e-mailberichten.
(...)
Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede - zakelijk weergegeven - :
De zaak wordt (…) voor onbepaalde tijd aangehouden.”
6. Op 29 juni 2022 is – ondanks de gewijzigde samenstelling van het hof en met instemming van het OM en de verdediging – het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing op de terechtzitting van 17 juni 2021 bevond. [1] Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 juni 2022 houdt, voor zover relevant, in:
“Als raadsvrouw van verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr. R. Dijkstra, advocate te Utrecht. (...)
Deraadsvrouwvoert het woord tot verdediging en deelt hiertoe het volgende mee:
(...)
Subsidiair doet de verdediging een beroep op noodweerexces. Verdachte geeft aan dat zij zich bedreigd voelde toen [benadeelde 2] op haar af kwam. Ze voelde een hevige gemoedsbeweging na een aanranding en heeft gemeend dat zij zich moest verweren tegen hem door een duw te geven. Verdachte zegt dat er geen mogelijkheid was om het op een andere manier te doen. De verdediging meent dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.”
7. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof het verweer van de raadsvrouw als volgt samengevat en verworpen (onderstrepingen mijnerzijds):
“Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld in een hevige gemoedstoestand endat er sprake is van een noodweerexces-situatiewaardoor verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof gaat bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces uit van de feiten en omstandigheden zoals deze uit de aangifte naar voren zijn gekomen. Hieruit volgt dat verdachte op de bank ging zitten en de televisie aan deed, dat [benadeelde 2] de afstandsbediening pakte en de televisie uit deed, dat verdachte hem vervolgens aanviel en hem met kracht in zijn gezicht sloeg, dat [benadeelde 2] probeerde om de klap af te weren en dat hij daarbij ten val kwam, dat hij op zijn rug lag en niet kon opstaan en dat verdachte hem vervolgens meerdere keren sloeg in zijn gezicht. Hiervoor heeft het hof reeds overwogen dat zij de aangifte betrouwbaar acht en passend bij het geconstateerde letsel [benadeelde 2] .
Alvorens een beroep op noodweerexces kan slagen, moet er sprake zijn van een situatie waarin een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een dreiging daarvan noopt tot handelen ter verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. Daarbij dient er eveneens sprake te zijn van overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging die het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanranding.
Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, is het oordeel van het hof er geen sprake was van een wederrechtelijke aanranding van verdachte of een dreiging daarvan zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet kan slagen. Het hof verwerpt het beroep.

De bespreking van het eerste middel

8. Uit de stukken van het geding, zoals hiervoor weergegeven, kan worden opgemaakt dat de verdediging bij de behandeling van de zaak ten overstaan van het hof een beroep heeft gedaan op noodweerexces en dat het hof dit verweer bij arrest gemotiveerd heeft verworpen. Uit het arrest kan echter niet worden opgemaakt dat het hof in het pleidooi een beroep op putatief noodweer heeft ontwaard, zodat moet worden aangenomen dat een dergelijk verweer naar het oordeel van het hof niet is gevoerd.
9. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Aan de stukken van het geding valt inderdaad niet te ontlenen dat de raadsvrouw ten overstaan van het hof een beroep heeft gedaan op putatief noodweer. De raadsvrouw heeft haar pleitnota waarin zij (mede) heeft betoogd dat de verdachte een geslaagd beroep op putatief noodweer toekomt (zie onder randnummer 4) weliswaar op 17 juni 2021 aan het hof doen toekomen, maar noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 17 juni 2021, noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 29 juni 2022 blijkt dat haar pleitnota (geheel of gedeeltelijk) is voorgedragen, althans geacht moet worden op dit punt te zijn voorgedragen.
10. Het middel faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Het tweede middel

11. Het tweede middel klaagt dat in strijd met het bepaalde in artikel 361 lid 4 Sv Pro de beslissing van het hof tot toewijzing van de vordering tot immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] niet met redenen is omkleed.

De processtukken

12. Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ met bijlagen van de benadeelde partij [benadeelde 2] d.d. 26 maart 2019. Het Schadeonderbouwingsformulier (bijlage 1) bij dit ‘Verzoek tot schadevergoeding’ houdt onder meer in (onderstrepingen mijnerzijds):

“Immateriële schade

Fysiek letsel

(…) Op deze foto’s was te zien dat de heup gebroken was, (…). Uit de MRI scan kwam naar voren dat de heup helemaal door was. (…)

In afwachting van het genezingsproces werd benadeelde terug naar huis gestuurd met de mededeling dat hij zes weken lang bedrust moest houden. Dit betekende dat hij zes weken lang, dag en nacht, in zijn bed lag. (…) Naar verwachting zal het ongeveer een half jaar duren voordat hij weer de oude is. (…)
De in oktober ontstane breuk bleek een dijbeenhalsfractuur te zijn waarbij de gebroken botdelen in elkaar gedrukt werden.Een “geïnclaveerde mediale collumfractuur” (zie brief orthopeden van 8 oktober 2018).
(…)

Vergelijkbare jurisprudentie

Jurisprudentie passend bij een heupfractuur die, zoals in het huidige geval, conservatief wordt behandeld wordt niet gevonden.Voor het Schadefonds Geweldsmisdrijven, valt een dergelijke fractuur, zonder verdere complicaties en blijvende beperkingen in letselcategorie 2 en komt in aanmerking voor een uitkering van 2.500,-.In de huidige casus zal het been van benadeelde in ieder geval 2 tot 3 mm korter blijven dan voorheen, hetgeen zal leiden tot een veranderd looppatroon en op termijn zeer waarschijnlijk eerder artrose, dan wanneer deze breuk niet zou zijn ontstaan. Over andere late complicaties valt nu, zo kort na het incident, nog niets te zeggen. Naast de gebroken heup had benadeelde verschillende verwondingen en gekneusde ribben. Zowel van het laatste als van de gebroken heup heeft benadeelde veel pijn gehad. Hem wacht nog een verder revalidatietraject.
Dit leidt tot de conclusie dat de immateriële schade van benadeelde gezien de omstandigheden, de ernst en de gevolgen in redelijkheid is te stellen op ten minste 4.000,- en thans opeisbaar is.”
13. De letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven (geldend vanaf 1 november 2022) – waarnaar in het schadeonderbouwingsformulier wordt verwezen – vermeldt onder meer (onderstrepingen mijnerzijds):

De letselcategorieën en bijbehorende uitkeringen
Categorie 1 > € 1.000,-
Categorie 2 > € 2.500,-
(…)

Letselcategorie 2:


Fysiek letsel waarbij behandeling nodig is, met tijdelijke beperkingen en afhankelijkheid, die naar de aard en gevolgen ernstiger zijn dan letselcategorie 1.

Fysiek letsel waarbij behandeling nodig is, met blijvende niet-hinderlijke beperkingen.

Fysiek letsel waarbij een operatieve ingreep noodzakelijk is, tenzij anders vermeld in deel 1B van de letsellijst.
(…)

Heup en bekkenring, gevormd door schaambeen, darmbeen en heiligbeen

(…)
2 Fracturen van een dijbeenhals (= heup = collum), genezend zonder complicaties en blijvende beperkingen.
14. Bij het ‘Verzoek tot schadevergoeding’ bevindt zich tevens een verslag van de spoedeisende hulp ten behoeve van [benadeelde 2] , opgemaakt door [betrokkene 1] , arts-assistent orthopedie d.d. 18 oktober 2018 (bijlage 4). Dit verslag houdt onder meer in:
“Wij zagen uw patiënt op 08-10-2018 op de spoedeisende hulp in het Tergooi ziekenhuis locatie Hilversum. (…)

Conclusie

Mediale collum fractuur links

Beleid

lom [betrokkene 2] :
- DHS heeft nu geen toegevoegde waarde, voorkeur om dit conservatief uit te behandelen. Zo nodig tzt een THP (…)”
15. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 juni 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade het volgende aangevoerd (onderstrepingen mijnerzijds):
“Voor wat betreft de immateriële schade: het is vervelend dat aangever is gevallen, maar de verdediging meent dat verdachte daar niet verantwoordelijk voor is. Primair wordt verzocht de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.Het dossier bevat geen rapport van een deskundige ten aanzien van de immateriële schade. De verdediging meent dat op basis van de huidige medische stukken niet kan worden aangetoond dat het letsel in categorie 2 valt. De indicaties na het incident zien veel eerder op herstel. In categorie 0 of 1 is een veel lager bedrag toewijsbaar. Subsidiair, indien het hof meent dat de vordering voor toewijzing vatbaar is, verzoekt de verdediging het bedrag te matigen tot maximaal € 1.000,-.
16. Het hof heeft ten aanzien van de immateriële vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen en beslist (onderstrepingen mijnerzijds):
“De benadeelde partij komt eveneens vergoeding van immateriële schade toe en het hof schat deze schade op een bedrag van € 2000,00.Ookde door de benadeelde partij gevorderde proceskosten, zijnde reis- en parkeerkosten,acht het hof voldoende onderbouwd en kan worden toegewezen.”

De toelichting op het tweede middel

17. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat in casu niet is voldaan aan de motiveringsplicht, als bedoeld in artikel 361 lid 4 Sv Pro, omdat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer van de verdediging dat erop neerkomt dat afwijzing van de vordering dient te volgen nu geen rapport is opgemaakt van een deskundige, niet kan worden aangetoond dat het letsel in categorie 2 valt en dat het hof, mocht het in weerwil van het voorgaande toch tot een toewijzing komen, het bedrag dient te matigen.

Het juridisch kader

18. Artikel 361 lid 4 Sv Pro, welke bepaling op de voet van artikel 415 Sv Pro ook van toepassing is in hoger beroep, bepaalt dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen moet zijn omkleed. Hoewel de wet aan deze eis geen sanctie van nietigheid verbindt, neemt dat niet weg dat de Hoge Raad aan de motivering van die beslissing wel degelijk eisen stelt, met name in het geval (uitdrukkelijk) verweer is gevoerd op (onderdelen van) de vordering van de benadeelde partij. [2] Bij de beoordeling of aan die motiveringseisen is voldaan, dient het arrest als geheel en de diverse onderdelen daarvan in ogenschouw te worden genomen, zulks in onderlinge samenhang bezien. Daarbij hoeft volgens vaste rechtspraak geen aansluiting te worden gezocht bij de vereisten van artikel 359 lid 2 Sv Pro. [3] De begrijpelijkheid van de beslissing van de rechter over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen. [4] Met betrekking tot het begroten van de schade komt aan de feitenrechter een grote mate van vrijheid toe. Is, al dan niet mede in het licht van een gevoerd verweer, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij niet begrijpelijk, dan volgt in zoverre vernietiging en terugwijzing van de bestreden uitspraak. [5]

De bespreking van het tweede middel

19. Het hof heeft overwogen dat het de door de benadeelde partij gestelde immateriële schade voldoende onderbouwd acht en dat het de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 2000,00.
20. Gelet op het door mij onder randnummer 18 weergegeven juridisch kader, en bezien in het licht van de inhoud en de onderbouwing van de ingediende vordering van de benadeelde partij en het door de verdediging tegen deze vordering gevoerde verweer, is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat uit het ‘Verzoek tot schadevergoeding’ (opgemaakt door Slachtofferhulp Nederland) volgt dat bij de benadeelde partij door een deskundige, namelijk een daartoe bevoegd orthopeed, een ‘mediale collum fractuur’ is vastgesteld, dat – anders dan de steller van het middel lijkt te willen betogen – dergelijk letsel kan worden geschaard onder de
tweedecategorie van de letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven en dat bij deze categorie een (maximale) uitkering van € 2.500,- passend wordt geacht. Het door het hof toegekende bedrag aan vergoeding van immateriële schade wijkt dus niet zodanig af van het in de letsellijst geadviseerde bedrag, dat dit tot nadere motivering van het hof had genoopt.
21. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Slotsom

22. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 RO Pro ontleende motivering.
23. Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad niet binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Gelet op de mate van overschrijding kan worden volstaan met de constatering daarvan. [6]
24. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 29 juni 2022 wordt niet verwezen naar de terechtzitting van 17 juni 2021, maar naar die van 16 juli 2021. Aangezien ik van een zitting van 16 juli 2021 géén proces-verbaal heb aangetroffen, houd ik het ervoor dat de verwijzing naar “16 juli 2021” een kennelijke verschrijving betreft. Ditzelfde geldt voor de verwijzing naar “16 juli 2021” op bladzijde 1 van het bestreden arrest (waar eveneens is nagelaten melding te maken van de terechtzitting van 17 juni 2021).
2.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
3.Zie: HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7762:
4.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
5.HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7762,
6.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492,