Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
zakelijkekennissenkring betrokken is. Intussen nemen sinds langere tijd verstandige rechters ‘een veiligheidsmarge’ in acht, en behandelen zij geen zaken van iemand uit hun zakelijke kennissenkring (zomin als van iemand uit hun persoonlijke kennissenkring). Thans zegt ook aanbeveling 2 van de
Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak(hierna: de
Leidraad) dat een rechter ervoor zorgt dat hij geen zaak van iemand uit zijn zakelijke kennissenkring behandelt. De
Leidraadis een instrument van zelfregulering en betreft dus geen wetgeving. Het is de vraag of de
Leidraadafkomstig is van een orgaan dat bevoegd is om rechters te binden. Maar het is ook de vraag of dit laatste voldoende is om te kunnen zeggen dat de aanbeveling uit de
Leidraadook zonder betekenis is bij de toets of voor de vrees van een partij voor vooringenomenheid van een rechter een objectieve rechtvaardiging bestaat. Tegenover procespartijen heeft het immers minst genomen de schijn dat de rechtspraak met de
Leidraadzelf laat weten wat van haar mag worden verwacht. Verdedigbaar is dat het aansluit bij rechtspraak van het EHRM om aan te nemen dat de niet-inachtneming van een aanbeveling uit de
Leidraadde onpartijdigheid van de rechter twijfelachtig maakt (
open to doubt). De niet-inachtneming van een dergelijke aanbeveling kan aldus een objectief aanknopingspunt opleveren voor vrees bij een procespartij voor vooringenomenheid van de rechter.
Leidraadook stééds een grond voor wraking oplevert. In individuele zaken of in bepaalde categorieën van zaken kunnen goede redenen bestaan op grond waarvan een rechter een zaak van iemand uit zijn zakelijke kennissenkring toch wel behandelt; dat ligt besloten in het karakter van de normen van de
Leidraadals
aanbevelingen. Zulke goede redenen zijn in het bijzonder (a) kleinschaligheid van het krachtens de wet bevoegde rechterlijk college en (b) bij de rechter vereiste deskundigheid in verband met de aard van de te beslissen zaak. Beide redenen kunnen samengaan en versterken elkaar dan. In verband met het uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, hebben rechterlijke colleges en ook individuele rechters speelruimte om zulke redenen af te wegen tegen het belang om zich te houden aan wat volgens de
Leidraadin gewone gevallen de norm is. Is de persoon uit de zakelijke kennissenkring niet zelf partij in het geding en in plaats daarvan een overige procesdeelnemer, dan zal spoediger gepast zijn dat de rechter de zaak behandelt dan wanneer die persoon wel zelf procespartij is. Naarmate het gewicht van de redenen om de zaak toch te behandelen groter is, is intussen ook het laatste denkbaar.
Leidraadgeldt niet voor de leden-beroepsgenoten van de tuchtcolleges.
2.Feiten en procesverloop
3.Middel van cassatie
Rechtsoverweging 2.4 van de in het belang der wet bestreden beslissing geeft blijk van een onjuiste rechtsoverweging. De wrakingskamer van het Centraal Tuchtcollege heeft miskend dat in verband met het uitgangspunt dat het lid-beroepsgenoot uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, de enkele deelname aan dezelfde professionele werkgroep door de beklaagde en het lid-beroepsgenoot onvoldoende is voor het oordeel dat zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Aanvullende omstandigheden die een objectief aanknopingspunt kunnen vormen voor vrees van verzoekster tot wraking voor vooringenomenheid van het lid-beroepsgenoot, zijn door de wrakingskamer niet vastgesteld. De omstandigheid dat de bedoelde werkgroep klein van omvang is, kan op zichzelf niet als een zodanig objectief aanknopingspunt gelden.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
prejudice or bias). [10] Of dergelijke vooroordelen en vooringenomenheid bestaan, kan op verschillende manieren worden getoetst. Het EHRM maakt onderscheid tussen een subjectieve en een objectieve toetsing. Bij de subjectieve toetsing is de persoonlijke overtuiging of het persoonlijke belang van een bepaalde rechter in een bepaalde zaak ter toets; bij de objectieve toetsing wordt nagegaan of een rechtsprekend orgaan voldoende waarborgen biedt om elke legitieme twijfel over de persoonlijke overtuiging of het persoonlijke belang van de rechter(s) uit te sluiten. Tussen de subjectieve en de objectieve toetsing bestaat geen duidelijke scheidslijn, aangezien het gedrag van een rechter niet alleen objectieve twijfel over diens onpartijdigheid vanuit het perspectief van een externe waarnemer kan oproepen (de objectieve toetsing), maar ook blijk kan geven van de persoonlijke overtuiging van de rechter (de subjectieve toetsing).
tribunal) geacht wordt vrij te zijn van persoonlijke vooroordelen of vooringenomenheid. Dit vermoeden weerspiegelt een belangrijk element van de rechtsstaat, namelijk dat de uitspraken van een gerecht definitief en bindend moeten zijn, tenzij een hoger gerecht ze vernietigt wegens onregelmatigheden of oneerlijkheid (
irregularity or unfairness). [11] In het voorgaande ligt besloten dat dit vermoeden intussen niet alleen langs de weg van bewijs van subjectieve onpartijdigheid van de rechter kan worden weerlegd. De objectieve toetsing vanuit het perspectief van een objectieve waarnemer fungeert als een belangrijke extra waarborg voor de procespartijen. [12] In de overgrote meerderheid van zaken waarin de onpartijdigheid van een gerecht ter beoordeling voorlag, heeft het EHRM zich op de objectieve toetsing geconcentreerd.
ascertainable facts) zijn die twijfel kunnen doen rijzen over de onpartijdigheid van de betreffende rechter. [13] Dit impliceert dat, wanneer in een zaak moet worden beoordeeld of er een gegronde reden bestaat om te vrezen dat een rechter of rechtsprekend orgaan niet onpartijdig is, het standpunt van de klager(s) (
those claiming that it is not impartial) belangrijk maar niet doorslaggevend is. Beslissend is of de vrees van de klager(s) objectief gerechtvaardigd kan worden geacht.
protagonists) in de procedure. [14] In elk individueel geval moet worden beoordeeld of de betrokken relatie van dien aard en omvang is (
of such a nature and degree) dat zij wijst op een gebrek aan onpartijdigheid van het gerecht. In dit verband kan zelfs schijn (
appearances) van enig belang zijn: er moet niet alleen recht worden gedaan, maar er moet ook worden gezien dat recht wordt gedaan. [15] Wat op het spel staat, is het vertrouwen dat rechters in een democratische samenleving bij het publiek moeten wekken.
Wettstein/Zwitserland. [17] De rechter trad ten tijde van de berechting van de zaak [18] in een andere procedure op als gemachtigde van de wederpartij van de klager. Dit vormde naar het oordeel van het EHRM een objectieve rechtvaardiging voor de vrees dat de rechter niet onpartijdig was, nu de klager reden had om bezorgd te zijn dat de rechter de klager ook in deze zaak als wederpartij zou (blijven) zien. Daarnaast deelde de rechter kantoorruimte met iemand die in nog een andere procedure waarbij de klager betrokken was, optrad als gemachtigde van de wederpartij van klager. Hoewel deze omstandigheid op zichzelf van weinig gewicht was, kon zij volgens het Hof wel de vrees van de klager voor het ontbreken van onpartijdigheid bevestigen.
Petur Thor Sigurdsson/IJsland. [19] De rechter hielp haar echtgenoot bij het bereiken van een schuldregelingsovereenkomst tussen de echtgenoot en de Nationale Bank. Hoewel het Hof er niet over wilde speculeren of de rechter zelf financieel voordeel had behaald uit de betreffende handelingen en ook geen reden had om aan te nemen dat de rechter een direct belang had bij de uitkomst van deze zaak tussen een verzoekster en de Nationale Bank, waren (1) de betrokkenheid van de rechter bij de schuldenregeling, (2) de voordelen die de echtgenoot van de rechter had van die regeling en (3) de banden tussen die echtgenoot en de Nationale Bank van een zodanige aard en omvang en lagen zij qua tijd zo dicht bij het onderzoek van de zaak door het gerecht, dat de verzoekster de gegronde vrees kon koesteren dat het gerecht niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte. [20]
Pescador Valero/Spanje. [21] De rechter was tevens universitair hoofddocent en had al een aantal jaren regelmatige en nauwe zakelijke betrekkingen met de universiteit die in de voorliggende zaak de wederpartij van de klager was. Bovendien ontving de rechter een regelmatig inkomen van de universiteit voor zijn onderwijsactiviteiten en waren die inkomsten niet verwaarloosbaar (7.200 euro per jaar). Deze omstandigheden wekten volgens het Hof bij de klager de gegronde vrees dat de rechter niet onpartijdig was.
Tocono en Profesorii Prometeişti/Moldavië. [22] De rechter had destijds de bestuurders van een school, die partij zijn in de voorliggende procedure, gedreigd met represailles wegens het wegsturen van zijn zoon van die school. Volgens het Hof moest ervan worden uitgegaan dat de rechter wist van zijn historische banden met de school en had de rechter zich moeten terugtrekken. Er bestond naar het oordeel van het Hof gegronde reden voor twijfel over de onpartijdigheid van de rechter.
Ramljak/Kroatië. [23] De zoon van de rechter (voorzitter van de combinatie) was werkzaam als advocaat-stagiair op het kantoor van de twee advocaten van de wederpartij van de klaagster. Weliswaar is een automatische diskwalificatie van alle rechters op nationaal niveau met enige bloedband met een medewerker van een advocatenkantoor dat een partij in een zaak vertegenwoordigt, niet altijd nodig, maar zo’n diskwalificatie kan wel geboden zijn op basis van een toetsing aan de omstandigheden van het individuele geval. Het EHRM woog in deze zaak onder andere mee dat de rechter de president van het hof niet vooraf had geïnformeerd over de situatie (waarna eventueel actie had kunnen worden ondernomen) dat de zoon werknemer was op het advocatenkantoor in dezelfde periode als waarin de zaak werd behandeld, dat de Hoge Raad van Kroatië de lijn hanteerde dat rechters niet mochten oordelen in zaken waarin een advocatenkantoor optrad waar een nauwe verwant werkte ongeacht of die nauwe verwant rechtstreeks bij de zaak betrokken was en dat er een afhankelijkheids- en ondergeschiktheidsrelatie bestond tussen de zoon van de rechter en het advocatenkantoor. Verder was aannemelijk dat de rechter als voorzitter van de combinatie een belangrijke rol had bij de totstandkoming van de uitspraak en merkte het Hof op dat bij het aangezochte gerecht 40 rechters werkten, zodat er geen aanleiding was om praktische moeilijkheden te veronderstellen bij het vinden van een andere rechter. Op grond van deze omstandigheden concludeerde het Hof dat de onpartijdigheid van het gerecht onvoldoende was gewaarborgd.
paralysing a legal system); buitensporig strenge normen kunnen in kleine jurisdicties de rechtsbedeling te zeer belemmeren. Wel is in situaties die de schijn zouden kunnen wekken dat rechterlijke onpartijdigheid ontbreekt, vereist dat die situatie aan het begin van de procedure aan partijen bekend wordt gemaakt en dat aan de hand van de omstandigheden van het geval (
various factors) wordt bepaald of een rechter gehouden is zich van de zaak terug te trekken. Dit is een belangrijke procedurele waarborg en laat zien dat het gerecht haar onpartijdigheid en potentiële gevoelens bij de procespartijen daarover serieus neemt. Ik zet de opsomming van voorbeelden uit de rechtspraak van het EHRM voort met enkele zaken met betrekking tot banden tussen een rechter en een procesdeelnemer in kleine landen:
Steck-Risch e.a./Liechtenstein. [24] De rechter(-plaatsvervanger) was aan hetzelfde advocatenkantoor verbonden als de rechter-plaatsvervanger van wie hij in beroep een uitspraak moest beoordelen. Zij deelden kantoorruimte met elkaar, maar verdienden geen gezamenlijk inkomen. Hoewel ook schijn enig gewicht heeft bij de beoordeling van de objectieve onpartijdigheid, komt het hierbij aan op een zorgvuldig onderzoek (
careful scrutiny) naar de specifieke omstandigheden van het geval. Het Hof overwoog dat de ene rechter-plaatsvervanger niet ondergeschikt was aan de andere, dat niets erop wees dat zij goede vrienden van elkaar waren of dat de relatie tussen hen meer inhield dan een professionele relatie, en dat er geen aanwijzingen waren dat de rechters-plaatsvervangers wezenlijke informatie over de concrete zaak met elkaar hadden uitgewisseld. In het bijzonder gelet op het ontbreken van enige zakelijke, financiële of professionele afhankelijkheid was het enkele delen van kantoorruimte naar het oordeel van het Hof onvoldoende om de vrees voor het ontbreken van onpartijdigheid objectief te kunnen rechtvaardigen.
Micallef/Malta. [25] De voorzitter van de rechterscombinatie was de oom van de advocaat van de wederpartij van de klaagster en tevens de broer van de advocaat die in eerste aanleg voor de wederpartij had opgetreden en wiens gedrag in het hoger beroep ter discussie stond. Het bestaan van deze nauwe familiebanden tussen de rechter en de advocaten van de wederpartij was voldoende om objectief de vrees te kunnen rechtvaardigen voor het ontbreken van onpartijdigheid. Het Hof overwoog dat Malta een klein land is en dat het een veelvoorkomend verschijnsel is dat gehele families actief zijn in het recht, maar de Maltese regering had al erkend dat er een wetswijziging moest worden doorgevoerd, volgens welke verwantschap tussen broers en zussen een grond is om zich als rechter terug te (moeten) trekken van een zaak.
Nicholas/Cyprus. [26] De zoon van de rechter was getrouwd met de dochter van de advocaat van de wederpartij van klaagster en het echtpaar werkte in het advocatenkantoor waarvan de advocaat managing partner was. De familieband die tussen de rechter en de advocaat van de wederpartij van klaagster bestond door het huwelijk van hun kinderen volstond volgens het Hof om de vrees van verzoekster over de onpartijdigheid van de rechter te rechtvaardigen. Hoewel het bestaan van bloedbanden tussen een rechter en een werknemer van een advocatenkantoor dat bij een zaak betrokken is, op zichzelf niet tot diskwalificatie van de rechter hoeft te leiden, is het wel een situatie die aanleiding kan geven tot twijfel over de onpartijdigheid van de rechter. Of die twijfel objectief gerechtvaardigd is, hangt sterk af van de specifieke omstandigheden van het geval. Onder meer moet rekening worden gehouden met de vraag of het familielid van de rechter bij de zaak zelf betrokken is geweest, de positie van het familielid op het kantoor, de omvang van het kantoor, de interne organisatiestructuur ervan, het financiële belang van de zaak voor het advocatenkantoor en elk mogelijk financieel belang of potentiële voordeel (en de omvang daarvan) voor het familielid. Aan het begin van de procedure is het voornoemde bestaan van bloedbanden niet bekendgemaakt (klaagster ontdekte de arbeidsverhouding van de zoon pas nadat uitspraak was gedaan) en het was klaagster niet bekend of de zoon en schoondochter van de rechter bij de zaak betrokken waren geweest en of zij een financieel belang hadden bij de uitkomst ervan. Aldus is volgens het Hof de schijn van het ontbreken van onpartijdigheid gewekt en is ook op deze grond de vrees voor het ontbreken van onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd.
Koulias/Cyprus. [27] De zoon van de rechter was werkzaam bij het advocatenkantoor van de eisende partij. Deze situatie was niet aan het begin van de procedure bekendgemaakt en de klager wist niet of de zoon van de rechter daadwerkelijk bij de zaak betrokken was geweest en of hij een financieel belang had bij de uitkomst ervan. Hierdoor was de schijn van het ontbreken van onpartijdigheid gewekt en de vrees voor het ontbreken van onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd, aldus het EHRM.
Hoe te denken over de eerste omstandigheid?
nietdat de voor de beoordeling van te beslissen zaken benodigde expertise zonder de inzet van advocaten als rechter-plaatsvervanger minder of in het geheel niet beschikbaar is. De expertise van advocaten is sterk vergelijkbaar met die van beroepsrechters. Bovendien blijft de inzet van advocaten als rechter- of raadsheer-plaatsvervanger mogelijk, mits hun kantoor buiten het rechtsgebied van de rechtbank respectievelijk het gerechtshof gevestigd is.
ECLI:NL:HR:2022:513. [39] De enkele omstandigheid dat de strafrechter ten tijde van de behandeling van de zaak van de verdachte in dienst was bij het openbaar ministerie gold hier niet als een uitzonderlijke omstandigheid die zwaarwegende aanwijzingen opleverde voor (de vrees van) vooringenomenheid jegens de verdachte. Uw Raad nam hierbij onder meer in aanmerking dat de dienstbetrekking een louter formeel karakter had, dat de rechter ten tijde van de behandeling van het hoger beroep al vijf jaar niet meer in dienst was geweest bij het openbaar ministerie, dat hij voor zijn volledige arbeidsduur was gedetacheerd als actief dienend reservist bij het Commando Zeestrijdkrachten en dat hij in die vijf jaar geen enkel contact meer had gehad met het openbaar ministerie, behalve over de verlenging van zijn detacheringsovereenkomst.
ECLI:NL:HR:2008:BC3785. [40] Het arrest van het hof over de verdachte is mede gewezen door een raadsheer die als officier van justitie was opgetreden bij de behandeling van de zaak van een medeverdachte door de rechtbank. Deze betrokkenheid van de raadsheer leverde een uitzonderlijke omstandigheid op voor (vrees voor) vooringenomenheid jegens de verdachte.
ECLI:NL:HR:1999:ZD1502. [41] De rechter was een rechter-plaatsvervanger die tevens werkzaam was als officier van justitie. De officier van justitie die in de voorliggende zaak tegen de verdachte optrad was een directe collega van de rechter. De omstandigheid dat de rechter, net als de officier van justitie, ten tijde van de berechting deel uitmaakte van hetzelfde Arrondissementsparket betrof een uitzonderlijke omstandigheid die grond opleverde voor objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechter.
Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraakterloops aan de orde. Het wordt tijd om die
Leidraadin de beschouwingen te betrekken. Vooraf vermeld ik alvast dat in ieder geval op de leden-beroepsgenoten van de tuchtcolleges de
Leidraadniet van toepassing is (hierna 4.56). Wel gelden voor de leden-beroepsgenoten van de medische tuchtcolleges de
Reglementen van ordevan respectievelijk de Regionale Tuchtcolleges en het Centraal Tuchtcollege (hierna 4.57 e.v.). De beschouwingen over de
Leidraadbedoelen aan de vragen die zich in onze zaak voordoen reliëf te geven. Ook dienen zij de lezer die met het oog op andere zaken in de verhouding tussen de
Leidraaden art. 6 lid 1 EVRM Pro respectievelijk wraking geïnteresseerd is.
Leidraadgold
.Ik denk dat Nederlandse rechters veeleer het gevoel zullen hebben dat het vanzelfsprekend is dat behandeling van de zaak door de desbetreffende rechter niet toelaatbaar was. En ik denk ook dat Nederlandse rechters de zaken die hiervoor 4.10 en 4.12 (met betrekking tot kleine jurisdicties) zijn vermeld en waarin geen schending van art. 6 lid 1 EVRM Pro is aangenomen, veelal zelf als rechter niet zouden hebben willen behandelen, althans dat zo hun primaire reactie zal zijn.
Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak(2014) is het de vraag of de grens tussen wat werkelijk veiligheidsmarge is en wat een rechter verplicht is te doen en na te laten, niet is opgeschoven. Dezelfde vraag kon reeds gesteld worden naar aanleiding van de voorganger van de
Leidraad, de ‘Leidraad onpartijdigheid van de rechter’ (2004). Ook de ‘Gedragscode Rechtspraak’ (2010) en de ‘NVvR-Rechterscode’ (2011) zijn instrumenten van zelfregulering, die de vraag oproepen of de erin opgenomen gedragsregels individuele rechters binden. Het volstaat echter om nu alleen te letten op de
Leidraadvan 2014.
Leidraadis op 25 juni 2013 vastgesteld door de voorzitters van de besturen van de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Op diezelfde datum heeft ook de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (gehoord de Ledenraad van die dag) de
Leidraadvastgesteld. [49] De President van en de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hebben vooraf per brief de intentie tot toepassing van de Leidraad aangegeven. [50] In die brief wijzen zij op enkele aanbevelingen die voor hun colleges tot een striktere of juist ruimere toepassing kunnen leiden. [51]
Leidraadrechters niet bindt. Ik meen echter dat dit niet het juiste perspectief is. Voor de beoordeling of het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd, is niet bepalend of sprake is van een bevoegde vorm van zelfbinding van rechters, maar in plaats daarvan de objectieve schijn die voor de procespartijen van het bestaan van de
Leidraaden de inhoud ervan uitgaat. Die procespartijen kunnen wel degelijk redelijkerwijs menen dat de rechtspraak met de
Leidraadzelf laat weten wat van haar mag worden verwacht. Individuele rechters hebben met die objectieve schijn dan ook terdege rekening te houden, wat zij persoonlijk ook van de
Leidraaden haar totstandkoming zouden vinden.
Leidraadbevat 19 aanbevelingen. Met het oog op de zaak die voorligt, is van bijzonder belang aanbeveling 2, dat bepaalt dat een rechter ervoor zorgt dat hij geen zaken behandelt waarbij als procespartij iemand uit diens persoonlijke of
zakelijkekennissenkring betrokken is. Ik citeer de aanbeveling en de toelichting die de
Leidraadbevat: [53]
3.2. Kennissenkring
Leidraadbetekenis kan toekomen bij de toets of voor de vrees van een partij voor vooringenomenheid van een rechter een objectieve rechtvaardiging bestaat.
Leidraad, waaronder ook aanbeveling 2, kunnen menen dat zij in ieder geval gedeeltelijk gaan over de veiligheidsmarge die prudente rechters in acht zullen willen nemen (vergelijk hiervoor 4.33-4.34), namelijk voor zover die aanbevelingen verder gaan dan wat volgens de casuïstiek van de rechtspraak van het EHRM over art. 6 lid 1 EVRM Pro aan rechters niet vrijstaat. Ziet men het zo, dan zijn art. 6 lid 1 EVRM Pro en de
Leidraadgescheiden werelden. Dat iets volgens de aanbevelingen van de
Leidraadde rechter niet past, zegt dan op zichzelf niets over de vraag of voor de vrees van een partij voor vooringenomenheid van een rechter een objectieve rechtvaardiging bestaat.
questions of internal organisation). Dit betrof dan nationale wetgeving over wat een rechter wel of niet vrijstaat. [54] Uitspraken waarin instrumenten van zelfregulering een rol spelen, heb ik niet aangetroffen. De formulering
questions of internal organisationis echter zo ruim dat er mijns inziens alle reden is om aan te nemen dat ook de
Leidraaderonder behoort te worden gerekend. Mijns inziens doet daaraan ook niet af dat de
Leidraadniet is vastgesteld door een volgens de wet bevoegde autoriteit, omdat de objectieve schijn die van het bestaan en de inhoud van de
Leidraadjegens de procespartijen uitgaat, bepalend is (hiervoor 4.37).
Leidraadkan men zeggen dat de Nederlandse rechtspraak met de in de
Leidraadopgenomen aanbevelingen demonstreert dat zij zich erom bekommert dat alle redelijke twijfel over de onpartijdigheid van rechters wordt weggenomen.
Mikhail Mironov/Ruslanduit 2020: [56]
Mežnarić/Kroatiëin 2005. In die zaak verduidelijkte het Hof nog dat het niet zijn taak is om de relevante nationale regelgeving en praktijken in abstracto te beoordelen, maar dat moet worden beoordeeld of de wijze waarop die regels zijn toegepast in het voorliggende geval een grond vormt om een schending van art. 6 lid 1 EVRM Pro aan te nemen:
Leidraadzal aan de oplettende lezer waarschijnlijk al wel zo ongeveer duidelijk zijn. De niet-inachtneming van een aanbeveling uit de
Leidraadzal in het algemeen de onpartijdigheid van de rechter twijfelachtig maken (
open to doubt). De niet-inachtneming van de aanbeveling kan aldus een objectief aanknopingspunt opleveren voor vrees bij een procespartij voor vooringenomenheid van de rechter.
Leidraadopgenomen normen als
aanbevelingen.Er kunnen redenen zijn om het toch anders te doen, al zullen die redenen dan wel voldoende gewicht moeten hebben. In verband met de zaak die voorligt, richt ik mij nu in het bijzonder op de aanbeveling dat de rechter ervoor zorgt dat hij, behalve zaken van iemand uit zijn persoonlijke kennissenkring, ook geen zaken van iemand uit zijn zakelijke kennissenkring behandelt. In individuele zaken of in bepaalde categorieën van zaken kan er reden zijn om hiervan af te wijken. Zulke goede redenen zijn mijns inziens in het bijzonder (a) kleinschaligheid van het krachtens de wet bevoegde rechterlijk college en (b) bij de rechter vereiste deskundigheid in verband met de aard van de te beslissen zaak. Beide redenen kunnen samengaan en versterken elkaar dan.
dat door de wet is ingesteld(art. 6 lid 1 EVRM Pro). Ook al is dat binnen de Nederlandse verhoudingen in kwantitatieve zin uitzondering, het door de wet ingestelde gerecht kan ook bij ons klein van omvang zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor de rechtspraak in laatste instantie, dus de Hoge Raad, de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Maar het geldt ook voor diverse nog andere bijzondere colleges en kamers (vergelijk direct hierna). Het behoeft geen betoog dat bij zulke kleinschaligheid het in individuele zaken onvermijdelijk kan zijn dat rechters ook zaken behandelen van iemand uit hun zakelijke kennissenkring of zelfs de zaak van een collega. Voor zulke onvermijdelijkheid heeft het EHRM nadrukkelijk oog met de hiervoor 4.12 reeds aangehaalde overweging dat klachten over het vermeende ontbreken van onpartijdigheid niet tot gevolg mogen hebben dat het rechtssysteem van een land lamgelegd wordt (
paralysing a legal system).
Leidraadwordt afgeweken, dus vanwege kleinschaligheid en/of het belang van deskundigheid, of om nog een andere goede reden. Zo’n andere goede reden zie ik bijvoorbeeld bij de behandeling van wrakingsverzoeken. De wet gaat ervan uit dat de wrakingskamer uit leden van het eigen rechterlijk college is samengesteld. De consequentie is dat collega’s van de gewraakte rechter(s) het verzoek behandelen en beslissen. Wat betreft de rechtbanken en gerechtshoven is het niet onmogelijk om het anders te organiseren en de wrakingskamer samen te stellen uit rechters van een andere rechtbank respectievelijk ander gerechtshof. Dit stuit echter op praktische bezwaren, waaronder vertraging in de afhandeling van het wrakingsverzoek, wat het gevaar oproept van misbruik van het middel van wraking, in de zin dat die vertraging door de verzoeker opzettelijk wordt bedoeld.
Nicholas/Cyprusen
Koulias/Cyprus) om aan te nemen dat een gebrek in de transparantie ten opzichte van de procespartijen een objectief aanknopingspunt kan opleveren voor vrees bij een procespartij voor vooringenomenheid van een of meer van de rechters. Hetzelfde volgt ook uit een overweging in de hiervoor 4.46 genoemde zaak
Mikhail Mironov/Rusland.Nadat het Hof onder 28 heeft gezegd dat het de nationale regels meeneemt in de beoordeling, benoemt het onder 38 een gebrek aan transparantie als een aanknopingspunt voor zijn oordeel dat art. 6 lid 1 EVRM Pro is geschonden: [58]
Leidraadheeft geen betrekking op de tuchtcolleges. Voor zover rechters uit de gewone rechtspraak als jurist in de tuchtcolleges deelnemen, zijn voor hen sommige aanbevelingen uit de
Leidraadtoch wel geschreven, omdat die deelname bezien vanuit hun positie als rechter in de gewone rechtspraak een nevenfunctie is. Aanbeveling 2 (geciteerd hiervoor 4.38) heeft in de zaken van tuchtcolleges ook op hen echter geen betrekking. Voor de leden-beroepsgenoten is geen enkele twijfel mogelijk: de
Leidraadziet op hen in het geheel niet.
a contrariomoeten lezen. Het is de vraag of dit laatste bedoeld is.
institutioneelvertrouwen van de rechtsstaat in zijn eigen rechters prijs zouden geven. Dat inderdaad prijs te geven, is geen optie, want dan wordt het rechtssysteem lamgelegd. Als we pal staan voor dat institutioneel vertrouwen houden we dus niet iemand de hand boven het hoofd, maar verdedigen we eenvoudig de rechtsstaat.
Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraakfout is [60] en dat de rechtspraak terug zou moeten komen van de voorzichtigheid met betrekking tot de behandeling van zaken van iemand (overige procesdeelnemer of zelfs partij) uit de zakelijke kennissenkring van de rechter. Die voorzichtigheid-waar-het-kan mag zelfs tot op zekere hoogte norm zijn, maar dan wel in de juiste sleutel. Die juiste sleutel is dat als een rechter zich zonder goede, transparant met partijen gedeelde redenen niet houdt aan de norm zoals die in een instrument van zelfbinding is neergelegd, die omstandigheid de onpartijdigheid van de rechter twijfelachtig maakt, wat een objectief aanknopingspunt kan opleveren voor vrees bij een procespartij voor vooringenomenheid van de rechter.
uitkomstvan de beslissing van de wrakingskamer ongewenst is, in de zin dat het in verband met het belang van deskundigheid essentieel is dat leden-beroepsgenoten in een zaak kunnen worden ingezet ook als daarin iemand uit hun zakelijke kennissenkring optreedt. Mogelijk kan worden volstaan met het inzetten van een lid-beroepsgenoot uit een aangrenzend specialisme en aanvullend het zo nodig oproepen van een arts met hetzelfde specialisme als de beklaagde als deskundige.