Conclusie
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,
1.Inleiding en samenvatting
contra proferentemvan art. 6:238 lid 2 BW Pro heeft het hof de consument-verzekeringnemer in het gelijk gesteld. Daartegen richt het cassatiemiddel diverse klachten. Mijns inziens treft geen van die klachten doel.
2.Feiten en procesverloop
3 Tuinaanleg Herstel van tuinaanleg en beplanting die behoren tot de verzekerde opstal’een onduidelijk beding betreft, moet de voor [de verzekeringnemer] gunstigste uitleg prevaleren. Een ‘bostuin’ kan volgens normaal spraakgebruik een ‘tuin’ zijn. Het hof komt tot het oordeel dat [de verzekeringnemer] ervan uit mocht gaan dat niet alleen het woonperceel, maar ook de drie percelen verzekerd waren tegen stormschade. (onder 3.4.9)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
contra proferentemvoor.
contra proferentemvolgens de tweede zin van art. 6:238 lid 2 BW Pro veronderstelt dat redelijkerwijs twijfel bestaat over de betekenis van het desbetreffende beding (eerste fase). Of dit het geval is moet volgens de gewone regels voor uitleg worden beantwoord, naar Nederlands recht de wilsvertrouwensleer ofwel de
Haviltex-maatstaf. [8] Bestaat volgens die maatstaf inderdaad redelijkerwijs twijfel over de betekenis van het desbetreffende beding, dán geldt de voor de consument-wederpartij gunstigste uitleg (tweede fase).
contra proferentemzich tot elkaar? Die verhouding is min of meer complex. Ik zie drie aspecten in die verhouding:
contra proferentemis zij de bescherming van consumenten tegen onduidelijke bedingen. Vanuit die gemeenschappelijke ratio is ook begrijpelijk dat beide in één artikellid (art. 6:238 lid 2 BW Pro) zijn ondergebracht.
contra proferentemhoudt verband met basale juridische logica: het intreden van de rechtsgevolgen van een rechtshandeling veronderstelt de geldigheid van die rechtshandeling. Zo ook veronderstelt het intreden van de rechtsgevolgen van een beding in een consumentenovereenkomst, de geldigheid van dat beding. Welnu, volgens art. 6 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen binden oneerlijke bedingen de consument niet en volgens de Nederlandse implementatie van die regel worden oneerlijke bedingen (in de formulering van art. 6:233 aanhef Pro en onder a BW eigenlijk ‘onredelijk bezwarende bedingen’) door de rechter in het algemeen ambtshalve vernietigd. [9] Zo’n vernietigd beding heeft uiteraard geen rechtsgevolgen. Uitleg
contra proferentemom vast te stellen wat de rechtsgevolgen van een beding zijn, is daarmee niet meer aan de orde. Consequentie van deze juridische logica is dat de rechter geen vrije keuze heeft tussen het beschermen van consumenten over de band van hetzij de oneerlijkheidstoets (met aandacht voor het transparantievereiste) hetzij uitleg
contra proferentem.Nee, als een beding oneerlijk is, moet hij het beding vernietigen. Spreken we in termen van rangorde, dan heeft vernietiging op grond van de oneerlijkheidstoets dus prioriteit boven uitleg
contra proferentem.
contra proferentemplaatsvindt of niet. Beantwoorden we die vraag ontkennend, dan heeft de oneerlijkheidstoets niet alleen prioriteit bij het bieden van rechtsbescherming aan consumenten (rangorde), maar komt zij ook in vólgorde vóór uitleg
contra proferentem, in de zin dat in de fase van de oneerlijkheidstoets uitleg
contra proferentemnog niet plaatsvindt. In het geval van abstracte toetsing op initiatief van een belangenorganisatie geeft de laatste volzin van art. 6:240 lid 1 BW Pro [10] een ondubbelzinnig antwoord: uitleg
contra proferentemblijft bij die abstracte toetsing achterwege. [11] Voor het geval van de concrete oneerlijkheidstoets in de zin van de richtlijn, naar Nederlands recht onder de vlag van art. 6:233 aanhef Pro en onder a BW, is de kwestie omstreden. Uw Raad ging in 2018 in het arrest met betrekking tot een
AOV-
poliservan uit dat ook in de fase van de oneerlijkheidstoets reeds uitleg
contra proferentemplaatsvindt (het met toepassing van die uitlegregel vermilde beding werd vervolgens niet oneerlijk bevonden), [12] maar die beslissing is in de literatuur zeer kritisch ontvangen, [13] soms met een beroep op de Duitse rechtspraak, die in de fase van de oneerlijkheidstoets juist een
kundenfeindlichsten Auslegungvoorstaat. [14] In de zaak zoals die nu voorligt speelt de kwestie niet, en daarom is het niet nodig dat ik in dit debat nu positie inneem.
contra proferentemis een dergelijke omweg niet aan de orde. Dat art. 6:238 lid 2 BW Pro niet spreekt van ‘algemene voorwaarden’ maar van ‘een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 236 en 237’, betekent dat uitleg
contra proferentemde norm is ongeacht of sprake is van (in de woorden van art. 6:231 aanhef Pro en onder a BW:) ‘een of meer bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd’. [16] Dit spoort ook met de considerans van de richtlijn. [17]
een woonhuis met ondergrond, erf, tuin en verder toebehorenaan de [a-straat 1] te [plaats] en
een drietal percelen grondin [plaats] gekocht.’ (mijn cursivering, AG)
Haviltex-maatstaf). Omdat over de inhoud van een verzekeringsovereenkomst in het algemeen niet wordt onderhandeld, komt het in praktische zin vooral aan op de betekenis die de verzekeringnemer redelijkerwijs aan de polisvoorwaarden heeft kunnen hechten. [21] In dat verband zijn (potentieel) alle omstandigheden van het concrete geval van belang, [22] zodat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat óók van belang is hoe een begrip als dat van ‘tuin’ in andere documenten wordt gebruikt, zelfs als dat document een overeenkomst van de verzekeringnemer met een derde betreft. Wel is daarvoor dan nodig dat dit andere document ook in de verhouding van verzekeraar en verzekeringnemer enigerlei rol heeft gespeeld (anders heeft het de wederzijdse redelijke verwachtingen immers niet beïnvloed). Ook als dit laatste zo zou zijn (de klacht verwijst niet naar enige stelling dit dat inhoudt), kan echter onmogelijk juist zijn dat het bedoelde andere document
beslissendzou zijn, of als uitgangspunt
beslissendzou zijn. Wie beweert dat één omstandigheid beslissend is, of als uitgangspunt beslissend, weerspreekt immers noodzakelijk dat inderdaad álle omstandigheden van het geval van belang zijn. Daarom kan ook, anders dan waar het onderdeel en zijn auteur van uitgaan, met de vaststelling van een enkele omstandigheid de uitlegvraag nooit ‘welbeschouwd reeds beantwoord’ zijn, en kan ook niet waar zijn dat (wat in feite op hetzelfde neerkomt) zo’n omstandigheid ‘geen andere conclusie toelaat’ dan daaraan mogelijk op het eerste gezicht zou kunnen worden ontleend.
contra proferentem) geoordeeld dat de schade van [de verzekeringnemer] onder de dekking van de verzekeringsovereenkomst valt. Voor de toepasselijkheid van die regel is niet van belang of sprake is van een kernbeding (hiervoor 3.9). De steller van het middel vergist zich dus dat het hof ambtshalve diende te beoordelen of sprake was van een kernbeding. Dat het hof een andere reden noemt waarom het die vraag niet behoefde te onderzoeken (namelijk dat Unigarant niet een verweer in die zin heeft gevoerd), maakt dit niet anders.
contra proferentemplaatsvindt. Uit het voorgaande volgt dat dit juist is. We kunnen het dus ook zo zeggen dat het oordeel van het hof op een tweede, deugdelijke pijler berust en dat dáárom de klacht doel mist.
contra proferentemtoe. Vergelijk rechtsoverweging 3.4.3. In dit verband maakt het hof de schoonheidsfout dat het de uitlegregel
contra proferentemen het transparantievereiste met elkaar vereenzelvigt. Waar het hof diende vast te stellen of redelijkerwijs twijfel over de betekenis van artikel 25 van Pro de polisvoorwaarden bestaat, zodat de voor [de verzekeringnemer] als consument gunstigste uitleg prevaleert, heeft het in plaats daarvan onderzocht of het beding duidelijk en begrijpelijk is. Het middel klaagt daarover echter niet. Ten overvloede: in het oordeel dat artikel 25 van Pro de polisvoorwaarden niet duidelijk en begrijpelijk is en daarmee ‘onvoldoende helder’ (rechtsoverweging 3.4.8 slot), ligt mijns inziens voldoende duidelijk besloten dat volgens het hof redelijkerwijs twijfel over de betekenis van artikel 25 bestaat Pro. Daarom ook sprak ik hiervoor over (niet meer dan) een ‘schoonheidsfout’.
onder 3.3citeer ik:
contra proferentemvan art. 6:238 lid 2 tweede Pro volzin BW; en (4) volgens het niet door een deugdelijke cassatieklacht aangevallen oordeel van het hof is over de betekenis van artikel 25 van Pro de polisvoorwaarden redelijkerwijs twijfel mogelijk, zodat de voor [de verzekeringnemer] als consument gunstigste uitleg prevaleert.
nietof buiten het geval van een consumentenovereenkomst toerekening van de kennis van een tussenpersoon aan de verzekeringnemer mogelijk is. Een zodanige toerekening is mogelijk. Intussen is zij ook dan niet een automatisme. In de eerste plaats is niet vanzelfsprekend dat tussenpersonen alles weten en in de tweede plaats ook niet dat tussenpersonen hun cliënt over alles informeren. [24]
welof toerekening van de veronderstelde kennis van een assurantietussenpersoon verenigbaar is met de strekking van art. 6:238 lid 2 BW Pro om consumenten te beschermen.
contra proferentemniet toekomen, althans zo vaak als we op grond van de voorlichting door de tussenpersoon kunnen aannemen dat de verzekeringnemer-consument aan de desbetreffende polisvoorwaarde dezelfde betekenis heeft gehecht als de verzekeraar. [25] Nee, de stelling van Unigarant is dat de ‘onjuiste voorlichting’, doordat de tussenpersoon van [de verzekeringnemer] (Financial Life B.V.) tussen opstallen, tuin en bos(percelen) geen onderscheid heeft gemaakt, ‘voor rekening van [de verzekeringnemer] komt’. Ik begrijp dit aldus dat volgens Unigarant Financial Life B.V. als redelijk bekwaam tussenpersoon had moeten begrijpen dat naar de bedoeling van Unigarant de bospercelen niet onder de dekking zouden vallen en [de verzekeringnemer] daarvoor had moeten waarschuwen. Volgens Unigarant moet het falen van de tussenpersoon aan [de verzekeringnemer] worden toegerekend en moet daarom artikel 25 van Pro de polisvoorwaarden zo worden uitgelegd dat de bospercelen niet onder de dekkingsomschrijving vallen.
gebruikerom mogelijke onduidelijkheden over de betekenis van een beding weg te nemen, zonder dat zij zich kan verschuilen achter de rug van een door de consument ingeschakelde deskundige. Dat geldt temeer nu de gebruiker uit de enkele inschakeling van de deskundige niet kan weten wat de omvang van de bijstand aan de consument is en dus evenmin kan weten of de bijstandsverlener in de gelegenheid is geweest om de wederpartij op dit punt te informeren of te adviseren.’
Van Hovevan het Hof van Justitie: [29]
a-contrario-redenering ligt in dezen ook niet voor de hand nu in casu consument Van Hove in de precontractuele fase niet werd bijgestaan door een verzekeringstussenpersoon. Het lijkt mij meer voor de hand liggen dat de bijstand door een verzekeringstussenpersoon in de precontractuele fase wel degelijk een omstandigheid is die de oordelende rechter moet meenemen bij de onderhavige toets nu van een verzekeringstussenpersoon die adviseert in de precontractuele fase mag worden verwacht dat hij uitlegt hoe de betreffende verzekering ‘werkt’, met andere woorden dat de consument begrijpt wat de economische gevolgen van de (op elkaar inwerkende) verzekeringsvoorwaarden zijn. Vergelijk voor dit laatste r.o. 41 van het arrest van het Hof.’