Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
Hoofdstuk 8 in relatie tot artikel 3.1
Deze overige dagenzijn dagen waarop de werknemer niet kan worden ingezet voor het verrichten van werkzaamheden, omdat hij zijn jaartaak al heeft gemaakt. Dit betreffen géén vakantiedagen in de zin van het BW en artikel 8.1. Om het verschil tussen deze dagen te duiden is het van belang te weten op welke dagen in het jaar de vakantiedagen van de werknemer zijn vastgesteld. Deze kunnen bijvoorbeeld voor een deel in de zomerperiode vallen en een ander deel in de kerstperiode, of nog weer in een andere periode.
3.Procesverloop
Rijnlands Lyceumvan 6 november 2020 waarin het ging om de cao-VO. [5]
vakantiedagen. De ‘overige dagen’ waarvoor Werkneemster compensatie verlangt, zijn echter geen vakantiedagen en komen daarom niet voor compensatie in aanmerking. De ‘overige dagen’ zijn in de cao-MBO ook niet toegekend, laat staan toegekend met het doel om de werknemer in verband met zijn werkbelasting gelegenheid te bieden voor rust en ontspanning. Een schoolvakantie is niet noodzakelijkerwijs ook vakantie in arbeidsrechtelijke zin. Dat een werknemer op de dertig ‘overige dagen’ niet hoeft te werken, betekent niet dat die dagen dus verlofdagen zijn. De doordeweekse dagen waarop een parttimer niet werkt en weekenddagen zijn ook geen verlofdagen, hoewel een werknemer in de functie van Werkneemster dan geen werkzaamheden hoeft te verrichten. De toelichting bij de cao-MBO onderschrijft dat de dertig ‘overige dagen’ arbeidsrechtelijk gezien geen status hebben en zich in zoverre dus niet onderscheiden van bijvoorbeeld een weekenddag of een parttimedag. Het gaat simpelweg om dagen waarop een werknemer niet hoeft te werken. Van verlof of een arbeidsvoorwaarde is geen sprake. Er kan een parellel worden getrokken met het werken op basis van een jaarurennorm. Een werknemer werkt de afgesproken uren en de rest is dan ook geen verlof.
4.Bespreking van de prejudiciële vragen
Rijnlands Lyceumvan de Hoge Raad van 6 november 2020 beantwoordde de Hoge Raad de vraag of bepalingen uit de cao voor het Voortgezet onderwijs (cao-VO) cao-VO 2016-2017 en de cao-VO 2017-2018 over de samenloop van vakantieverlof met zwangerschaps- en bevallingsverlof, in strijd zijn met het verbod op discriminatie tussen mannen en vrouwen. [8] In de cao-VO 2016-2017 en de cao-VO 2017-2018 was bepaald dat de werknemer die behoort tot de functiecategorie leraar gedurende de schoolvakanties en vijf extra vastgestelde dagen vakantieverlof met behoud van bezoldiging geniet. Zwangerschaps- en bevallingsverlof werd op grond van de cao-VO 2016-2017 en de cao-VO 2017-2018 niet gecompenseerd in geval van samenloop met andere schoolvakanties dan de zomervakantie en de vijf extra dagen.
Gómez-arrest [9] volgt dat de samenloopbepaling in strijd is met de Gelijkebehandelingsrichtlijn en met art. 7:464 lid 1 BW Pro en art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, Awgb (rov. 2.9.2, rov. 2.10.1). Er is sprake van direct onderscheid dat niet valt onder de uitzondering van art. 7:646 lid 3 BW Pro. (rov. 2.9.3, rov. 2.10.1)
wanneerde werknemer het wettelijke minimum aan vakantiedagen moet opnemen. De cao-VO 2016-2017 en de cao-VO 2017-2018 kenden namelijk niet met zoveel woorden vakantiedagen boven het wettelijk minimum toe. De Hoge Raad oordeelde dat ook in die laatste uitleg het samenvallen van het zwangerschaps- en bevallingsverlof met een vastgestelde schoolvakantieperiode (anders dan de zomervakantie), met zich brengt dat de desbetreffende vrouwelijke werknemer in een materieel ongelijke positie komt te verkeren ten opzichte van een mannelijke werknemer. In beide gevallen is dus sprake van verboden onderscheid op grond van geslacht (rov. 2.9.4, 2.10.2). De Hoge Raad motiveert dit oordeel als volgt (rov. 2.9.4):
materiële ongelijkheidoplevert voor vrouwelijke werknemers die te maken hebben met samenloop van zwangerschaps- en bevallingsverlof met schoolvakantieperiodes.
Rijnlands Lyceum. Daarin verwijst de Hoge Raad naar de overweging van het HvJEU in het
Gómez-arrest, dat art. 11, punt 2, onder a, Zwangerschapsrichtlijn bepaalt dat de (andere dan de onder b van deze bepaling bedoelde)
rechten die aan de arbeidsovereenkomst van een werkneemster verbonden zijn, in geval van een zwangerschapsverlof moeten worden gewaarborgd. Het gaat dus niet alleen om de gelijke behandeling ten aanzien van vakantiedagen, maar om de gelijke behandeling ten aanzien van álle rechten die aan de overeenkomst van een werkneemster verbonden zijn (zie nader hierna, onder 4.45 e.v.). De uit de cao-MBO voortvloeiende aanspraak op 30 ‘overige dagen’ waarop niet hoeft te worden gewerkt, moet m.i. zonder meer worden gekwalificeerd als een ‘recht dat aan de arbeidsovereenkomst verbonden is’. (zie nader hierna, onder 4.23-4.39 en 4.52).
NS Reizigersuit 2023 herhaalde de Hoge Raad zijn eerdere rechtspraak dat het voor het antwoord op de vraag of een vrijetijdsaanspraak heeft te gelden als vakantie in de zin van art. 7:634 BW Pro ervan afhangt of deze aanspraak tot doel heeft de werknemer betaald verlof te verschaffen in verband met de werkbelasting die op hem drukt. [11] Daarbij komt het er op aan of de vrijetijdsaanspraak op het moment van toekenning bedoeld is om de werknemer in verband met zijn werkbelasting gelegenheid te bieden voor rust en ontspanning. Indien de vrijetijdsaanspraak met dit doel is toegekend, verandert de aard van deze aanspraak niet als de toegekende uren vervolgens worden ingezet voor andere doeleinden, zo overwoog de Hoge Raad.
andereverlofvorm, een opname in een andere periode niet aan de orde is [
cursivering A-G]. Hier wordt de ‘overige dag’ dus impliciet aangemerkt als een dag waarop een vorm van verlof geldt.
Rijnlands Lyceumvolgt dat sprake is van een materiële ongelijkheid als ‘overige dagen’ niet gecompenseerd worden voor zover daarin niet-lesgebonden werkzaamheden moeten worden verricht (zie onder 4.8). Daaronder moeten mede begrepen worden activiteiten in het kader van scholing en professionalisering. Voor zover in de schoolvakantieperiodes niet-lesgebonden werkzaamheden moeten worden verricht, heeft een vrouwelijke werknemer door de samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof dat niet gecompenseerd wordt, immers minder keuzevrijheid voor het inplannen van die werkzaamheden, hetgeen een materiële ongelijkheid oplevert als bedoeld in het
Gómez-arrest.
vakantiedagen. [27]
Rijnlands Lyceum(zie onder 4.9-4.11). [29]
Dat betreffen géén vakantiedagen in de zin van het BW en artikel 8.1”) kan daaraan m.i. niet afdoen.
Tele Danmarkdat het risico van de economische en organisatorische gevolgen van de zwangerschap van hun werknemers bij de werkgever wordt gelegd. [37]
Rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst
A-G: Hier gaat het om de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof] moeten worden gewaarborgd:
Boyle. [39] Die andere rechten (arbeidsvoorwaarden) moeten tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof dus integraal worden gehandhaafd. [40]
alleandere arbeidsvoorwaarden dan het onder punt 2 sub b genoemde recht op behoud van bezoldiging of genot van een adequate uitkering. [44]
Gómezoordeelde het Hof van Justitie dat ook (de opbouw van) het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon een ‘ander recht’ is in de zin van art. 11 onder Pro punt 2 sub a Zwangerschapsrichtlijn dat moet worden gewaarborgd. [48] Dat geldt ook wanneer de werkneemster recht heeft op een in een nationale regeling vastgestelde langere jaarlijkse vakantie dan het in de Arbeidstijdenrichtlijn [49] bepaalde minimum en ook wanneer het zwangerschapsverlof samenvalt met een bij bedrijfsakkoord vastgestelde vakantie voor het gehele personeel. [50] Aan het Hof van Justitie was de vraag voorgelegd of – wanneer de periode van de jaarlijkse vakantie voor het gehele personeel is vastgesteld en samenvalt met het zwangerschapsverlof van een werkneemster – bepalingen uit de Arbeidstijdenrichtlijn (oud), Zwangerschapsrichtlijn en Gelijkebehandelingsrichtlijn (oud) [51] waarborgen dat deze werkneemster haar jaarlijkse vakantie mag opnemen in een andere dan de overeengekomen periode die niet samenvalt met haar zwangerschapsverlof. Het Hof beantwoordde deze vraag bevestigend. [52]
Gómeztevens dat het jaarlijkse recht op vakantie een ander doel heeft dan het recht op zwangerschapsverlof, zodat de Arbeidstijdenrichtlijn (oud) aldus dient te worden uitgelegd dat wanneer de periode van het zwangerschapsverlof van een werkneemster samenvalt met de periode van de jaarlijkse vakantie voor het gehele personeel, niet aan de eisen van die richtlijn inzake de jaarlijkse vakantie met behoud van loon is voldaan (rov. 32-33). Dat het recht op vakantie een ander aan de arbeidsovereenkomst verbonden recht is in de zin van de Zwangerschapsrichtlijn, lijkt daarnaast zelfstandig dragend voor de bevestigende beantwoording van de vraag door het Hof van Justitie. [53]
Gómezhad betrekking op wettelijke vakantierechten. Ook bovenwettelijke vakantie valt onmiskenbaar onder de ‘andere rechten’ bedoeld in art. 11 onder Pro punt 2 sub a Zwangerschapsrichtlijn, zo schreef ik in mijn conclusie in de zaak
Rijnlands Lyceum. [54] De Hoge Raad wijst in rov. 2.8.2 van het arrest
Rijnlands Lyceumook op de overweging uit het
Gómez-arrest dat alle aan de arbeidsovereenkomst verbonden rechten moeten worden gewaarborgd (zie onder. 4.12) Ook buitencontractuele vakantierechten zijn onmiskenbaar aan de arbeidsovereenkomst van de werknemer verbonden. Datzelfde geldt voor andere aan de arbeidsovereenkomst verbonden rechten met een contractuele grondslag, waaronder andere vrijetijdsaanspraken. Daaronder valt dus ook het recht om op ‘overige dagen’ niet te worden ingeroosterd. Zoals al vermeld (onder 4.12 en 4.48) bakent art. 11 onder Pro punt 2 sub a Zwangerschapsrichtlijn de aan de arbeidsovereenkomst verbonden rechten waarop de richtlijn van toepassing is, niet nader af. Zij maakt ook geen onderscheid tussen aan de arbeidsovereenkomst van een werknemer verbonden rechten die gebaseerd zijn op een wettelijke grondslag of op een contractuele grondslag (in de vorm van een collectieve of individuele arbeidsovereenkomst).
Gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, beroepsopleiding en promotie en ten aanzien van arbeidsvoorwaarden’, en bevat in art. 14 een Pro verbod op directe en indirecte discriminatie op grond van geslacht, onder meer voor wat betreft ‘
werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning’.
Gómez [57] herhaalde [58] het Hof van Justitie dat de Gelijkebehandelingsrichtlijn (oud) dient uit te monden in een materiële en niet een formele gelijkheid. Bij de uitoefening van de rechten die overeenkomstig art. 2 lid 3 van Pro deze richtlijn aan vrouwen worden toegekend door bepalingen die vrouwen dienen te beschermen met betrekking tot zwangerschap en moederschap, mogen vrouwen derhalve niet minder gunstig worden behandeld ter zake van hun arbeidsvoorwaarden (rov. 37). In art. 2 lid 3 van Pro de richtlijn is bepaald: ‘
Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw, met name voor wat zwangerschap en moederschap betreft.’
direct onderscheidop grond van geslacht op. [60] Onderscheid op grond van zwangerschap laat zich dus uitsluitend rechtvaardigen als zich een van de uitzonderingen van art. 7:646 lid Pro 2-4 BW voordoet. Op deze uitzonderingen is door partijen in deze zaak geen beroep gedaan.
Maïstrellis [62] achtte het Hof van Justitie voor het antwoord op de vraag of de voorwaarden waaronder ouderschapsverlof wordt toegekend onder ‘werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden’ in de zin van art. 14, lid 1, onder c) van de richtlijn vallen, van belang dat, ‘
zoals in overweging 2 van richtlijn 2006/54 in herinnering wordt gebracht, het beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen, waaraan die richtlijn uitvoering geeft, een algemene strekking heeft.’ (rov. 42) Het Hof van Justitie overwoog vervolgens onder meer (rov. 45):
Gómezoordeelde het Hof van Justitie dat de vaststelling van de periode waarin de jaarlijkse vakantie met behoud van loon kan worden genomen, binnen de werkingssfeer van de Gelijkebehandelingsrichtlijn (oud) valt. [63]
Maïstrellis,over ouderschapsverlof, ook het arrest
Örebrogenoemd worden, waarin het hof (de tegenwaarde van) arbeidstijdverkorting aanmerkte als arbeidsvoorwaarde in de zin van de Gelijkebehandelingsrichtlijn (oud). [64]
Achatzi,waaruit kan worden afgeleid dat een aanspraak op verlof op feestdagen en de betaling van een toeslag aan werknemers die op feestdagen wel komen werken, als arbeidsvoorwaarden aan te merken zijn. [65] Het Hof van Justitie oordeelde in dat arrest dat een nationale wettelijke regeling op grond waarvan Goede Vrijdag slechts voor werknemers die lid zijn van bepaalde christelijke kerken een feestdag is, en voorts alleen deze werknemers, wanneer zij op die feestdag moeten werken, recht hebben op een toeslag, directe discriminatie op grond van godsdienst oplevert zoals bedoeld in art. 1 en Pro art. 2 lid 2 van Pro richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep. Deze richtlijn is op grond van art. 3 lid 1 onder Pro c) van toepassing op werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning.
Rijnlands Lyceumart. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, Awgb toepaste op ‘(bovenwettelijk) vakantieverlof’. (zie onder 4.8).
in tijduitgedrukte arbeidsvoorwaarden van belang. In dat kader zijn naast verlof, waaronder verlof op feestdagen, [72] ook de inroostering van werknemers, [73] het aantal te werken uren per week [74] en werktijden en rusttijden [75] als arbeidsvoorwaarden aangemerkt. Zo oordeelde het College Gelijke Behandeling dat het een verboden onderscheid op grond van geslacht is dat een werkneemster gedurende haar zwangerschaps- en bevallingsverlof geen roostervrije uren op basis van de in de cao opgenomen ATV-regeling opbouwde. [76]
5.Beantwoording van de prejudiciële vragen
Rijnlands Lyceum(zie onder 4.8-4.9 en 4.56).
vakantiedagenaangeduide dagen op ‘overige dagen’ gecompenseerd moeten worden, nu zij gecompenseerd moeten worden tijdens onderwijsvrije periodes en tevens dat, voor zover die compensatie niet mogelijk is, alleen voor de wettelijke vakantiedagen in een ‘inhaalscenario’ op andere dagen is voorzien, maar niet voor de bovenwettelijke vakantiedagen. Zij heeft gesteld dat ook op dit punt sprake is van een ongunstiger behandeling van vrouwen ter zake van hun arbeidsvoorwaarden. [80] Albeda heeft erkend dat op dit punt sprake is van – wat zij noemt – een weeffout. [81] Ook op dit punt is dus sprake van een verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen.
nietinzetbaar zijn.