ECLI:NL:PHR:2002:AE2184
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verbod op onderscheid in arbeidsvoorwaarden bij samenloop zwangerschapsverlof en schoolvakantie in het bijzonder onderwijs
De zaak betreft een lerares in het bijzonder basisonderwijs die zwangerschaps- en bevallingsverlof genoot dat deels samenviel met schoolvakanties. Zij vorderde compensatie voor de niet-genoten vakantiedagen buiten de schoolvakanties, stellende dat het ontbreken daarvan een verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen oplevert.
De kantonrechter wees de vordering af, stellende dat het Rechtpositiebesluit Onderwijspersoneel (RpbO) geen recht op een bepaald aantal vakantiedagen geeft en dat de resterende schoolvakanties voldoende ruimte bieden voor het wettelijk minimum vakantieverlof. De rechtbank Utrecht vernietigde dit vonnis en oordeelde dat het RpbO wel een aantal vakantiedagen toekent en dat het ontbreken van compensatie een verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen vormt.
De Hoge Raad overwoog dat het RpbO geen vast aantal vakantiedagen bepaalt, maar dat het wettelijk minimum van vier weken vakantieverlof volgens art. 7:634 BW Pro ook voor onderwijzers geldt. Hoewel het RpbO sekseneutraal is geformuleerd, kan het ontbreken van compensatie leiden tot een indirect onderscheid dat wettelijk verboden is. De Hoge Raad vernietigde het vonnis en verwees de zaak naar het hof voor nader onderzoek naar het bestaan van een verboden onderscheid in arbeidsvoorwaarden en mogelijke compensatievormen.
De uitspraak benadrukt de noodzaak om arbeidsvoorwaarden inclusief vakantieverlof en niet-lesgebonden werkzaamheden gelijk te behandelen, ook bij samenloop van zwangerschapsverlof en schoolvakanties, en sluit aan bij Europese richtlijnen ter bescherming van zwangere werknemers.
Uitkomst: Het vonnis wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nader onderzoek naar verboden onderscheid in arbeidsvoorwaarden.