ECLI:NL:PHR:2024:520

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 mei 2024
Publicatiedatum
13 mei 2024
Zaaknummer
22/01248
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplichtigheid aan diefstal met braak met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplichtigheid aan diefstal met braak gepleegd op 7 juli 2018, waarbij hij de vluchtauto bestuurde en de daders vervoerde. Het hof baseerde zijn oordeel op camerabeelden, DNA-sporen en tapgesprekken, ondanks bezwaren over de betrouwbaarheid van de vertalingen.

De verdediging voerde aan dat de tapgesprekken niet woordelijk waren vertaald en dat er geen sprake was van dubbel opzet, omdat de verdachte pas na de inbraak geïnformeerd zou zijn. Het hof verwierp deze verweren en stelde vast dat de verdachte bewust behulpzaam was bij het misdrijf.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof de vertaalde tapgesprekken terecht als betrouwbaar heeft beschouwd en het bewijs van dubbel opzet voldoende is. De middelen van cassatie falen. Wel is de redelijke termijn overschreden, wat leidt tot vernietiging van het vonnis voor zover het de strafduur betreft en tot strafvermindering. Voor het overige wordt het beroep verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor medeplichtigheid aan diefstal met braak en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01248
Zitting14 mei 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 31 maart 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens onder 1 subsidiair "medeplichtigheid aan/tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming” en onder 2 subsidiair “eenvoudig witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 162 dagen, met aftrek van het voorarrest. Ook heeft het hof de teruggave van een geldbedrag en de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven, geldbedragen gelast. Verder heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 22/01134 met betrekking tot de broer van de verdachte [medeverdachte]. In deze zaak zijn geen middelen ingediend en is het cassatieberoep op 2 april 2024 niet-ontvankelijk verklaard.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M. Kuipers, advocaat te Arnhem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld die beide betrekking hebben op het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van het door de verdediging gevoerde verweer dat de voor het bewijs gebruikte vertaalde tapgesprekken niet woordelijk zijn uitgewerkt. Het tweede middel klaagt over de verwerping van het door de verdediging ingenomen standpunt dat geen sprake is van ‘dubbel opzet’ en dus onvoldoende bewijs bestaat voor medeplichtigheid aan diefstal met braak.
1.4
Voordat ik de middelen bespreek, geef ik hieronder eerst de bewezenverklaring en de bewijsmotivering met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde feit weer.

2.Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“feit 1. subsidiair
[betrokkene 1] en [medeverdachte] op 7 juli 2018 te [plaats], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [a-straat 1] hebben weggenomen
- alarmpistolen, en
- een Louis Vuitton schoudertas en
- identiteitsbewijzen en betaalpassen en waardekaarten op naam van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en
- parelcollier(s) en
- (parel)oorbellen en
- horloges van het merk Rolex en/of Van der Banwede en/of Frank Muller en/of Pasha en/of Chanel en/of Corum en/of Breitling,
- witgouden en/of geelgouden armbanden en
- witgouden en/of geelgouden en/of rosé-gouden en/of diamanten ringen en
- kettingen en
- meerdere geldbedragen,
toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] waarbij [betrokkene 1] zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 7 juli 2018 te [plaats], opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft verdachte zich met een op zijn naam staande auto ten tijde van de inbraak in de directe omgeving van de woning van de slachtoffers opgehouden en [betrokkene 1] en [medeverdachte] naar de woning van de slachtoffers gereden en [betrokkene 1] en [medeverdachte] en de buit in de op zijn naam staande auto vervoerd weg van de woning van de slachtoffers.”
2.2
Voor zover voor de bespreking van het middel van belang zijn in het arrest de volgende bewijsoverwegingen opgenomen:

Standpunten van partijen
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 subsidiair tenlastegelegde.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde - kort gezegd - diefstal met braak heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte geen enkele rol heeft gespeeld bij de diefstal. Op basis van de stukken in het dossier kan die rol ook niet aan de verdachte worden toegeschreven. Weliswaar bevinden zich in het dossier tapgesprekken, maar de weergave van de tapgesprekken is niet betrouwbaar omdat de tolk de gesprekken heeft samengevat. Ook indien het hof oordeelt dat de verdachte wel de persoon is geweest die de Fiat 500 heeft bestuurd, kan geen sprake zijn van medeplichtigheid, omdat niet wordt voldaan aan het vereiste van dubbel opzet. De verdachte is pas geïnformeerd nadat de inbraak heeft plaatsgevonden, waardoor het opzet ontbreekt op de samenwerking en op het gronddelict. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat geen bewezenverklaring kan volgen voor het medeplegen.
(…)
Feiten en omstandigheden
Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 7 juli 2018 is ingebroken in de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te [plaats], waarbij goederen, waaronder een kluis, juwelen en geldbedragen zijn weggenomen. Een raam van de woning bleek geforceerd. Op de camerabeelden van camera's rondom de woning is te zien dat de dader om 20:16 uur de zijdeur van de tuin opent en even later in de tuin staat te roken. Om 20:37 uur is deze persoon zichtbaar in de woning van de aangevers. Deze houdt meerdere keren een telefoon bij zijn oor. Om 21:02 uur verlaat de dader de woning via de tuin. Om 21:07 uur komt de dader met een tweede persoon terug. Beiden gaan de tuin binnen en lopen na ongeveer 30 seconden terug in de richting van het [park].
Op camerabeelden is te zien dat om 21:08 uur een zwarte Fiat 500 in de [a-straat] heen en weer rijdt richting het [park], aanvankelijk met daarin slechts één persoon. Om 21.13 uur parkeert deze Fiat voor de woning van de aangevers. Kort daarna stappen twee personen uit het voertuig en zij lopen richting de woning van de aangevers in het appartementencomplex. Ongeveer 30 seconden later lopen deze twee personen het complex weer uit. Zij tillen samen een voorwerp. Dit voorwerp wordt in de Fiat geladen en beide personen stappen aan de passagierszijde in, waarna de Fiat wegrijdt. Op de camerabeelden is een deel van het nummerbord van de zwarte Fiat 500 zichtbaar, te weten: ’[kenteken]’. In de politiesystemen wordt op 9 juli 2018 gezocht op de combinatie "Fiat 500", "[kenteken]" en "zwart". Uit deze zoekopdracht komt slechts één voertuig naar voren. Dit is een zwarte Fiat 500 met nummerbord [kenteken]. Uit RDW-gegevens blijkt dat dit kenteken van 27 februari 2018 tot en met 11 juli 2018 op naam van de verdachte stond geregistreerd.
Op 10 juli 2018 is een tap gestart op het telefoonnummer eindigend op *[telefoonnummer 1]. De verdachte heeft in eerste aanleg verklaard dat het telefoonnummer eindigend op *[telefoonnummer 1] aan hem toebehoort. In één van de tapgesprekken zegt de verdachte dat hij een mazzeltje heeft gehad van 2.500 (
het hof begrijpt euro). In dat telefoongesprek vraagt de andere persoon (NN) waarom de verdachte zo weinig heeft gekregen. De verdachte antwoordt dat hij geen kans had omdat hij in de auto zat. Vervolgens vraagt NN waarom “[betrokkene 1]" niet wat van de [a-straat] aan “[medeverdachte]” geeft. Later in het telefoongesprek vraagt NN of “[betrokkene 1]" een acrobaat is, dat hij zo snel de woning is ingegaan. De verdachte bevestigt dat en zegt dat [betrokkene 1] door het raam naar binnen is gegaan.
Op de camerabeelden van camera’s in en rondom de woning wordt [betrokkene 1] herkend als zijnde de dader die in de woning is geweest. Verder is in de tuin van aangevers een sigarettenpeuk aangetroffen waarop biologisch materiaal is aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [betrokkene 1]. Tijdens de arrestatie van [betrokkene 1] is een telefoon in beslag genomen, waarop een foto staat die is genomen op 10 juli 2018 in Antwerpen. Op die foto staan afgebeeld: [betrokkene 1], [medeverdachte], de verdachte en een vierde persoon. Op basis van camerabeelden is [medeverdachte] herkend door verbalisanten als zijnde de persoon die aan komt lopen vanuit de [a-straat], zich voegt bij [betrokkene 1], vanuit de richting van de woning samen met [betrokkene 1] een voorwerp naar de auto tilt, dat voorwerp in de Fiat zet instapt in de Fiat samen met [betrokkene 1] - beiden aan passagierszijde - waarna de Fiat wegrijdt.
Het hof overweegt als volgt
Feit 1
Heeft de verdachte de Fiat 500 bestuurd ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde feit?
Het hof stelt op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien en mede gelet op de ononderbroken tijdlijn zoals voornoemd, vast dat de Fiat werd gebruikt bij de woninginbraak om daarin de buit en de mededaders te vervoeren van de plaats van de woninginbraak vandaan. Tevens stelt het hof vast dat de Fiat aan de verdachte toebehoorde op de dag dat de inbraak werd gepleegd. Uit het voornoemde tapgesprek blijkt dat de verdachte een mazzeltje heeft gehad van 2.500 euro, waarover hij zelf zegt dat dit niet meer was, omdat hij in de auto zat. Ook wordt in de tapgesprekken gesproken over het inklimmen in de woning in de [a-straat] door één van de daders. Op basis van de stukken in het dossier gaat het hof ervan uit dat ‘[betrokkene 1]’ de medeverdachte [betrokkene 1] betreft en [medeverdachte] de medeverdachte [medeverdachte] en dat zij als medeplegers de woninginbraak hebben gepleegd.
In tegenstelling tot de verdediging is het hof van oordeel dat de tapgesprekken in het dossier bruikbaar en betrouwbaar zijn. De vertaalde passages zijn concreet en niet voor een andere uitleg vatbaar.
Op basis van het voorgaande gaat het hof ervan uit dat het de verdachte is geweest die op 7 juli 2018 de zwarte Fiat 500 bestuurde die op de genoemde tijdstippen door de [a-straat] reed, voor de woning van [slachtoffer 1] parkeerde, waarin de buit werd geladen, en waarmee [betrokkene 1] en [medeverdachte] de plaats van de woninginbraak verlieten.
Resumerend gaat het hof van het volgende uit:
- de verdachte bestuurde de Fiat, reed daarin heen en weer door de [a-straat], en parkeerde voor de woning van de aangevers. Uit de Fiat zijn twee personen gestapt, te weten [medeverdachte] en [betrokkene 1];
- [medeverdachte] en [betrokkene 1] zijn in de richting van de woning gelopen en zeer kort daarop teruggekomen. Zij tilden samen ‘iets’ zwaars en zetten dit in de Fiat. Het kan niet anders dan dat de verdachte als bestuurder van de Fiat heeft gemerkt dat een voorwerp achter in zijn auto werd geplaatst;
- het staat buiten kijf dat voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat de woning niet toebehoorde aan [medeverdachte] (zijn broer) of aan [betrokkene 1];
- [medeverdachte] en [betrokkene 1] zijn vervolgens in de auto gestapt en de verdachte is direct weggereden.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe de gedragingen van de verdachte geduid moeten worden.
Medeplegen
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van de verdachte, te weten het besturen van de vluchtauto, het vervoeren van de buit en het nadien ontvangen van een deel van de buit, is naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht om medeplegen bewezen te kunnen verklaren. Daarom zal de verdachte worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde medeplegen.
Medeplichtigheid
Het hof stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2° Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader(s) gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader(s) verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.
Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kan het niet anders dan dat de verdachte wist - toen hij de mededaders vervoerde naar de woning, vervolgens parkeerde bij de woning van de aangevers, de mededaders uitstapten en in de richting van de woning van de aangevers liepen en kort daarna terugkwamen en een zwaar voorwerp in de auto laadden - dat hij behulpzaam was bij het plegen van een vermogensdelict. Het hof acht om die reden bewezen dat sprake is van dubbel opzet. De tot vrijspraak strekkende onderdelen van het verweer van de verdediging ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde worden verworpen. Het hof merkt in dit verband nog op dat de verdachte geen enkele verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid in de Fiat voor de woning van de aangevers op voornoemde momenten.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht - indien het hof tot een bewezenverklaring komt - nader onderzoek te verrichten naar het telefoonnummer *[telefoonnummer 2], zijnde het nummer dat de rechtbank aan de verdachte heeft toegedicht, teneinde vast te stellen dat de verdachte niet in de omgeving van de [a-straat] was op het moment van de inbraak.
Het hof overweegt daarover als volgt. De verdachte beschikte blijkens het dossier over meerdere telefoons (en telefoonnummers), zodat een onderzoek naar dit nummer reeds om die reden geen gewicht in de schaal legt voor de beantwoording van de vraag of de verdachte zich op het moment van de inbraak in de [a-straat] bevond. Het voorwaardelijk verzoek wordt afgewezen, nu het hof daartoe geen noodzaak ziet.”

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof van het door de verdediging gevoerde verweer dat de vertaalde tapgesprekken in strijd is met de ‘richtlijn voor beëdigde vertalingen’ niet woordelijk zijn uitgewerkt, waardoor deze niet of in veel mindere mate voor het bewijs kunnen dienen, op te summiere wijze heeft weerlegd.
3.2
In de toelichting op het middel wordt hiertoe aangevoerd dat de verdediging in hoger beroep heeft betoogd dat de vertaler meerdere malen eigen interpretaties in de plaats heeft gesteld van een woordelijke vertaling en dit – in strijd met de voornoemde richtlijn – niet heeft vermeld in de voetnoten. Hierdoor zijn deze eigen interpretaties niet meer te onderscheiden van hetgeen werkelijk is gezegd, zodat de juiste context niet meer voor de verdediging is te ontwaren. In dit licht bezien, schiet de overweging van het hof dat de vertaalde passages concreet en niet voor andere uitleg vatbaar zijn en dus bruikbaar en betrouwbaar zijn tekort.
3.3
Het door de verdediging ter terechtzitting aangevoerde betrouwbaarheidsverweer ten aanzien van de tapgesprekken is gestoeld op de volgende argumenten: 1) de vertalers hebben eigenhandig interpretaties in de tekst verwerkt zonder hierin – conform ‘richtlijnen voor beëdigde vertalingen’ – in de voetnoten melding van te maken, 2) de context van de tapgesprekken is verdraaid; bij dit laatste wordt er vooral gewezen op het feit dat het hof het doet voorkomen alsof de opmerking van de verdachte dat hij 2500 euro heeft ontvangen en zijn opmerking (naar aanleiding van de vraag van zijn NN-gesprekspartner waarom hij zo weinig heeft gekregen) “dat hij geen kans had” omdat hij in de auto zat, verband met elkaar houden, terwijl er anderhalve minuut tussen deze twee opmerkingen zit waarin voornamelijk Arabisch wordt gesproken.
3.4
De passage uit de tapgesprekken waarop het middel betrekking heeft is weergegeven in bewijsmiddel 24 en luidt als volgt:
“24. Een geschrift, zijnde een samengevatte vertaling van het telefoongesprek van 11 juli 2018, afkomstig van het nummer *[telefoonnummer 3] naar *[telefoonnummer 1] (…).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Herkomst tap: [telefoonnummer 1]
Gesprek NN *[telefoonnummer 3] en vermoedelijk [verdachte] ([telefoonnummer 1])
[verdachte] zegt dat “hij” de brommer wil hebben om te vluchten
“wil hij vluchten? Hoeveel heeft hij daar? 5 ?“ - vraagt NN
“Nee, 10“ antwoordt [verdachte]
“en jij niets?” - vraagt NN
[verdachte] heeft ook een mazzeltje gekregen, 2,500 namelijk “en 2,000 geef ik aan mijn broertje (kennelijk aan [medeverdachte]) “- zegt [verdachte].
NN snapt niet dat [verdachte] zo weinig heeft gekregen. [verdachte] zegt dat hij geen kans had, want hij zat in de auto.
NN vraagt ook of [betrokkene 1] een acrobaat is, dat hij zo snel de woning is ingegaan. [verdachte] bevestigt dat, zo goed is [betrokkene 1] en... er was niemand thuis. [verdachte] zegt dat [betrokkene 1] door het raam naar binnen was gekomen. Hij heeft de mensen afgelegd en toen hij zag dat ze uit de woning waren gegaan - is hij naar binnen gegaan, als een circusacrobaat.
NN vraagt of “hij” [betrokkene 1] in Nederland is.
Nee, die is ergens in België - aldus [verdachte]
NN scheldt hem uit en vraagt: “waarom geeft hij [medeverdachte] niet wat van de [a-straat]?”
[verdachte] zegt dat ze steeds ruzie maken en hij moet als scheidsrechter spelen.
Toen ze ruzie hadden - dacht die […] “dit is mijn moment”.
[betrokkene 1] had er nog een horloge en men wilde het van hem pakken.
Toen is hij naar het hotel gegaan.”
3.5
De klacht dat in strijd met ‘de richtlijnen voor beëdigde vertalingen’ het commentaar van de tolken niet in de voetnoten, maar in de hoofdtekst is geplaatst treft op zichzelf geen doel. Kennelijk refereert de steller van het middel aan de ‘Richtlijnen voor beëdigde vertalingen’ van het Nederlands Genootschap van Tolken en Vertalers. Deze richtlijnen zijn geen recht in de zin van art. 79 RO Pro, zodat het enkele feit dat hiermee in strijd is gehandeld geen grond voor cassatie oplevert. Bovendien bestaat in de voor het bewijs gebezigde vertaalde passages geen onduidelijkheid over het onderscheid tussen hetgeen verdachten in de gesprekken woordelijk hebben gezegd en het ‘commentaar’ wat hieraan door de vertaler is toegevoegd.
3.6
Wat hier verder ook van zij, het hof heeft het betrouwbaarheidsverweer onder ogen gezien en is hiervan gemotiveerd afgeweken. Het hof heeft overwogen dat “de tapgesprekken in het dossier bruikbaar en betrouwbaar zijn”, nu de vertaalde passages “concreet en niet voor een andere uitleg vatbaar zijn”. Hoewel summier, heeft het hof hiermee aan zijn motiveringsverplichting voldaan. Bovendien is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de passages concreet en niet voor andere uitleg vatbaar zijn.
3.7
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel klaagt dat het hof niet of onvoldoende gereageerd heeft op het verweer dat bij de verdachte geen sprake is van ‘dubbel opzet’ en dat medeplichtigheid aan diefstal met braak derhalve niet kan worden bewezen.
4.2
In de toelichting op het middel is daartoe aangevoerd dat zelfs als de verdachte zou hebben gezien dat de daders een zwaar voorwerp in de auto hebben geladen, daaruit nog niet direct kan worden afgeleid dat sprake is van opzet op het gronddelict diefstal met braak nu het bieden van een vluchtmogelijkheid ook dienstig kan zijn aan andere delicten zoals afpersing, oplichting, verduistering en heling.
4.3
Het hof is bij de beoordeling of er sprake is van medeplichtigheid uitgegaan van het juiste toetsingskader”. [1] Het hof heeft vervolgens overwogen dat het gelet op de omstandigheden van het geval – zoals deze door het hof zijn vastgesteld – in onderling verband en samenhang bezien niet anders kan “dan dat de verdachte wist – toen hij de mededaders vervoerde naar de woning [
AG TS: ten aanzien van deze woning heeft het hof ook overwogen dat het buiten kijf staat dat voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat de woning niet toebehoorde aan zijn medeverdachten], vervolgens parkeerde bij de woning van de aangevers, de mededaders uitstapten en in de richting van de woning van de aangevers liepen en kort daarna terugkwamen en een zwaar voorwerp in de auto laadden – dat hij behulpzaam was bij het plegen van een vermogensdelict” en dat daarom sprake is van dubbel opzet. Dit oordeel is toereikend gemotiveerd nu het overduidelijk is dat het hof met het vermogensdelict het oog had op diefstal.
4.4
Het middel faalt.

5.Slotsom

5.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van het cassatieberoep tot aan de datum van deze conclusie reeds twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn is overschreden. [2] Dit dient te leiden tot strafvermindering.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4471, NJ 2011/342, m.nt. Schalken, rov. 2.5.3. Zie ook recent nog HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:78, rov. 2.3.
2.HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:464, rov. 4.