2.2Voor zover voor de bespreking van het middel van belang zijn in het arrest de volgende bewijsoverwegingen opgenomen:
“
Standpunten van partijen
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 subsidiair tenlastegelegde.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde - kort gezegd - diefstal met braak heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte geen enkele rol heeft gespeeld bij de diefstal. Op basis van de stukken in het dossier kan die rol ook niet aan de verdachte worden toegeschreven. Weliswaar bevinden zich in het dossier tapgesprekken, maar de weergave van de tapgesprekken is niet betrouwbaar omdat de tolk de gesprekken heeft samengevat. Ook indien het hof oordeelt dat de verdachte wel de persoon is geweest die de Fiat 500 heeft bestuurd, kan geen sprake zijn van medeplichtigheid, omdat niet wordt voldaan aan het vereiste van dubbel opzet. De verdachte is pas geïnformeerd nadat de inbraak heeft plaatsgevonden, waardoor het opzet ontbreekt op de samenwerking en op het gronddelict. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat geen bewezenverklaring kan volgen voor het medeplegen.
Feiten en omstandigheden
Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 7 juli 2018 is ingebroken in de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te [plaats], waarbij goederen, waaronder een kluis, juwelen en geldbedragen zijn weggenomen. Een raam van de woning bleek geforceerd. Op de camerabeelden van camera's rondom de woning is te zien dat de dader om 20:16 uur de zijdeur van de tuin opent en even later in de tuin staat te roken. Om 20:37 uur is deze persoon zichtbaar in de woning van de aangevers. Deze houdt meerdere keren een telefoon bij zijn oor. Om 21:02 uur verlaat de dader de woning via de tuin. Om 21:07 uur komt de dader met een tweede persoon terug. Beiden gaan de tuin binnen en lopen na ongeveer 30 seconden terug in de richting van het [park].
Op camerabeelden is te zien dat om 21:08 uur een zwarte Fiat 500 in de [a-straat] heen en weer rijdt richting het [park], aanvankelijk met daarin slechts één persoon. Om 21.13 uur parkeert deze Fiat voor de woning van de aangevers. Kort daarna stappen twee personen uit het voertuig en zij lopen richting de woning van de aangevers in het appartementencomplex. Ongeveer 30 seconden later lopen deze twee personen het complex weer uit. Zij tillen samen een voorwerp. Dit voorwerp wordt in de Fiat geladen en beide personen stappen aan de passagierszijde in, waarna de Fiat wegrijdt. Op de camerabeelden is een deel van het nummerbord van de zwarte Fiat 500 zichtbaar, te weten: ’[kenteken]’. In de politiesystemen wordt op 9 juli 2018 gezocht op de combinatie "Fiat 500", "[kenteken]" en "zwart". Uit deze zoekopdracht komt slechts één voertuig naar voren. Dit is een zwarte Fiat 500 met nummerbord [kenteken]. Uit RDW-gegevens blijkt dat dit kenteken van 27 februari 2018 tot en met 11 juli 2018 op naam van de verdachte stond geregistreerd.
Op 10 juli 2018 is een tap gestart op het telefoonnummer eindigend op *[telefoonnummer 1]. De verdachte heeft in eerste aanleg verklaard dat het telefoonnummer eindigend op *[telefoonnummer 1] aan hem toebehoort. In één van de tapgesprekken zegt de verdachte dat hij een mazzeltje heeft gehad van 2.500 (
het hof begrijpt euro). In dat telefoongesprek vraagt de andere persoon (NN) waarom de verdachte zo weinig heeft gekregen. De verdachte antwoordt dat hij geen kans had omdat hij in de auto zat. Vervolgens vraagt NN waarom “[betrokkene 1]" niet wat van de [a-straat] aan “[medeverdachte]” geeft. Later in het telefoongesprek vraagt NN of “[betrokkene 1]" een acrobaat is, dat hij zo snel de woning is ingegaan. De verdachte bevestigt dat en zegt dat [betrokkene 1] door het raam naar binnen is gegaan.
Op de camerabeelden van camera’s in en rondom de woning wordt [betrokkene 1] herkend als zijnde de dader die in de woning is geweest. Verder is in de tuin van aangevers een sigarettenpeuk aangetroffen waarop biologisch materiaal is aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [betrokkene 1]. Tijdens de arrestatie van [betrokkene 1] is een telefoon in beslag genomen, waarop een foto staat die is genomen op 10 juli 2018 in Antwerpen. Op die foto staan afgebeeld: [betrokkene 1], [medeverdachte], de verdachte en een vierde persoon. Op basis van camerabeelden is [medeverdachte] herkend door verbalisanten als zijnde de persoon die aan komt lopen vanuit de [a-straat], zich voegt bij [betrokkene 1], vanuit de richting van de woning samen met [betrokkene 1] een voorwerp naar de auto tilt, dat voorwerp in de Fiat zet instapt in de Fiat samen met [betrokkene 1] - beiden aan passagierszijde - waarna de Fiat wegrijdt.
Het hof overweegt als volgt
Heeft de verdachte de Fiat 500 bestuurd ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde feit?
Het hof stelt op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien en mede gelet op de ononderbroken tijdlijn zoals voornoemd, vast dat de Fiat werd gebruikt bij de woninginbraak om daarin de buit en de mededaders te vervoeren van de plaats van de woninginbraak vandaan. Tevens stelt het hof vast dat de Fiat aan de verdachte toebehoorde op de dag dat de inbraak werd gepleegd. Uit het voornoemde tapgesprek blijkt dat de verdachte een mazzeltje heeft gehad van 2.500 euro, waarover hij zelf zegt dat dit niet meer was, omdat hij in de auto zat. Ook wordt in de tapgesprekken gesproken over het inklimmen in de woning in de [a-straat] door één van de daders. Op basis van de stukken in het dossier gaat het hof ervan uit dat ‘[betrokkene 1]’ de medeverdachte [betrokkene 1] betreft en [medeverdachte] de medeverdachte [medeverdachte] en dat zij als medeplegers de woninginbraak hebben gepleegd.
In tegenstelling tot de verdediging is het hof van oordeel dat de tapgesprekken in het dossier bruikbaar en betrouwbaar zijn. De vertaalde passages zijn concreet en niet voor een andere uitleg vatbaar.
Op basis van het voorgaande gaat het hof ervan uit dat het de verdachte is geweest die op 7 juli 2018 de zwarte Fiat 500 bestuurde die op de genoemde tijdstippen door de [a-straat] reed, voor de woning van [slachtoffer 1] parkeerde, waarin de buit werd geladen, en waarmee [betrokkene 1] en [medeverdachte] de plaats van de woninginbraak verlieten.
Resumerend gaat het hof van het volgende uit:
- de verdachte bestuurde de Fiat, reed daarin heen en weer door de [a-straat], en parkeerde voor de woning van de aangevers. Uit de Fiat zijn twee personen gestapt, te weten [medeverdachte] en [betrokkene 1];
- [medeverdachte] en [betrokkene 1] zijn in de richting van de woning gelopen en zeer kort daarop teruggekomen. Zij tilden samen ‘iets’ zwaars en zetten dit in de Fiat. Het kan niet anders dan dat de verdachte als bestuurder van de Fiat heeft gemerkt dat een voorwerp achter in zijn auto werd geplaatst;
- het staat buiten kijf dat voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat de woning niet toebehoorde aan [medeverdachte] (zijn broer) of aan [betrokkene 1];
- [medeverdachte] en [betrokkene 1] zijn vervolgens in de auto gestapt en de verdachte is direct weggereden.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe de gedragingen van de verdachte geduid moeten worden.
Medeplegen
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van de verdachte, te weten het besturen van de vluchtauto, het vervoeren van de buit en het nadien ontvangen van een deel van de buit, is naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht om medeplegen bewezen te kunnen verklaren. Daarom zal de verdachte worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde medeplegen.
Medeplichtigheid
Het hof stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2° Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader(s) gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader(s) verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.
Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kan het niet anders dan dat de verdachte wist - toen hij de mededaders vervoerde naar de woning, vervolgens parkeerde bij de woning van de aangevers, de mededaders uitstapten en in de richting van de woning van de aangevers liepen en kort daarna terugkwamen en een zwaar voorwerp in de auto laadden - dat hij behulpzaam was bij het plegen van een vermogensdelict. Het hof acht om die reden bewezen dat sprake is van dubbel opzet. De tot vrijspraak strekkende onderdelen van het verweer van de verdediging ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde worden verworpen. Het hof merkt in dit verband nog op dat de verdachte geen enkele verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid in de Fiat voor de woning van de aangevers op voornoemde momenten.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht - indien het hof tot een bewezenverklaring komt - nader onderzoek te verrichten naar het telefoonnummer *[telefoonnummer 2], zijnde het nummer dat de rechtbank aan de verdachte heeft toegedicht, teneinde vast te stellen dat de verdachte niet in de omgeving van de [a-straat] was op het moment van de inbraak.
Het hof overweegt daarover als volgt. De verdachte beschikte blijkens het dossier over meerdere telefoons (en telefoonnummers), zodat een onderzoek naar dit nummer reeds om die reden geen gewicht in de schaal legt voor de beantwoording van de vraag of de verdachte zich op het moment van de inbraak in de [a-straat] bevond. Het voorwaardelijk verzoek wordt afgewezen, nu het hof daartoe geen noodzaak ziet.”