Conclusie
NJ2019/454, m.nt. Vellinga heeft overwogen:
denktte weten (in de veronderstelling verkeert) dat zijn rijbewijs ongeldig is, terwijl in werkelijkheid de (bestuursrechtelijke) procedure, in het bijzonder de vereiste bekendmaking van het besluit tot ongeldigverklaring, niet aan de wettelijke voorwaarden voldoet, waardoor de ongeldigverklaring om die reden krachteloos is. Ook dan zal vrijspraak moeten volgen, zo begrijp ik de Hoge Raad in het voormelde arrest van 9 juli 2019, nu hij daarin de bewijsbaarheid van de ongeldigverklaring, de bekendmaking daarvan en het in kracht zijn van het desbetreffende besluit als een afzonderlijk vereiste onderscheidt náást (onder meer) de bij de verdachte bestaande wetenschap van de ongeldigverklaring. Uit de enkele omstandigheid dat een verdachte verklaart dat hij weet dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, kan dus nog niet zonder meer volgen dat zulks
daadwerkelijkhet geval is. [2]