Conclusie
Nummer23/00205 C
Inleiding
Het eerste middel
Een terugblik op het onderzoek, de tenlastelegging, de bewijslevering en de ontnemingsprocedure
Het tweede middel
“De verklaringen van getuigen die niet adversair zijn verhoord
Althans: daarvan blijkt niet uit de stukken.
De bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaringen van 10 vrouwen die niet als getuigen zijn gehoord
allein de tenlastelegging genoemde en nog niet gehoorde (dus) 36 vrouwen op te roepen en te horen. Het onder 12 weergegeven onderdeel van het pleidooi waarin het bovenstaande citaat naar voren is gebracht, gaat over de vraag of het Hof de verklaringen van de getuigen die niet waren gehoord, voor het bewijs kon gebruiken. Gelet hierop en op de door de raadsman gebruikte bewoordingen vind ik het kennelijk oordeel van het Hof dat bovenstaande zinnen geen stellig en duidelijk verzoek tot het horen van getuigen (in de zin van art. 373, eerste lid, SvSM in verbinding met art. 371 SvSM Pro om toepassing te geven aan art. 358, eerste lid, SvSM) bevatten, niet onbegrijpelijk. De klacht mist in zoverre dus feitelijke grondslag.
NJ2021/173 m.nt. J.M. Reijntjes, heeft de Hoge Raad, voor zover voor de beoordeling in deze zaak van belang, het volgende overwogen:
Beoordeling van de ‘overall fairness’ van de procedure
anderevrouwen zijn begaan, vind ik daarom evenmin onbegrijpelijk.
fairness of the procedure as a whole’in het vonnis, heeft het Hof weergegeven wat zijn overwegingen waren bij de afwijzing op 20 oktober 2022 van het op 17 oktober 2022 gedane verzoek tot het horen van de tien vrouwen. Hieruit blijkt dat het Hof heeft geoordeeld dat er geen aanknopingspunten waren op grond waarvan kon worden aangenomen dat met een redelijke waarschijnlijkheid viel te verwachten dat de (kennelijk onvindbare) getuigen zouden verschijnen bij een volgende verhoorgelegenheid, omdat zij niet (eenvoudig) op te roepen waren. Dit oordeel van het Hof is niet onbegrijpelijk, gelet op het verloop van zaken (waaronder begrepen de inspanningen van de relevante autoriteiten om een ondervragingsgelegenheid te realiseren) zoals het Hof in de bedoelde overwegingen uiteen heeft gezet. [4] Daarmee ligt in de overwegingen van het Hof besloten dat sprake was van een ‘goede reden’ (als bedoeld in de rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad) voor het niet horen van de bedoelde getuigen. [5]
Het derde middel
Overwegingen omtrent het bewijs van feit 1
gedraging(werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen) onder uitoefening van een
dwangmiddel, met het
oogmerk van uitbuitingvan de ander. Voor de vervulling van de delictsomschrijving is het niet nodig dat de verhandelende persoon daadwerkelijk wordt uitgebuit. Strafbaar kan ook al zijn het verrichten van bepaalde handelingen, zoals het werven van mensen, met het oogmerk om deze uit te buiten, zonder dat het in concreto tot uitbuiting is gekomen.
feit 1, sub a, c, f en iten laste gelegde feit tezamen en in vereniging met de andere verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft begaan.”
NJ2002, 546 met betrekking tot art. 250ter (oud) Sr, waarin ook de hiervoor weergegeven onderdelen van de totstandkomingsgeschiedenis grotendeels zijn geciteerd. In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
misbruik heeft gemaaktvan de uit deze omstandigheden volgende kwetsbare positie en daarmee op ontoereikende gronden heeft bewezenverklaard dat sprake zou zijn geweest van (oogmerk van) uitbuiting.
Het vierde middel
Overwegingen omtrent het bewijs van de feiten 3 en 4
Het vijfde middel
Overwegingen omtrent het bewijs van feit 2 primair