Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
clinical trialsin het kader van wetenschappelijk onderzoek. In augustus 2018 werd op Europees niveau voor axi-cel een handelsvergunning verleend.
2.Feiten
UMHS). Aldaar is bij hem ‘non-Hodgkin diffuus grootcellig B-lymfoom’ (hierna ook:
DLBCL) gediagnostiseerd.
axi-cel, merknaam Yescarta®). Het betreft een, in principe eenmalige, gentherapeutische behandeling.
His survival expectation in this setting was expected to be approximately 3 months. Therefore, once pain was controlled he received cellular therapy with chimeric antigen receptor t-cell therapy, the only treatment option expected to provide response in this setting – double-hit large b-cell lymphoma refractory to multiple lines of therapy including stem cell transplant.
Polisvoorwaarden) bevatten, voor zover in deze procedure relevant, de volgende bepalingen: [6]
1.2 Ook gebaseerd op stand wetenschap en praktijk
tot maximaal:
het in Nederland geldende marktconforme bedrag. Dit geldt als er geen (maximum) tarief bestaat dat op basis van de Wmg is vastgesteld.”
Deze behandeling voldoet niet aan de stand van de wetenschap en praktijk. De effectiviteit van deze behandeling is nog onvoldoende aangetoond. U leest het in artikel 1 van Pro onze polisvoorwaarden.”
Een erkende behandeling is een behandeling of onderzoek dat wetenschappelijk en in de praktijk is bewezen. Uw specialist kan vinden dat een bepaalde behandeling voor u het meest geschikt is. Maar het gaat erom dat
die behandeling ook als meest geschikte behandeling binnen de hele beroepsgroep is aanvaard. Daar is hier helaas geen sprake van.”
EMA). Er werd voor axi-cel (Yescarta®) een handelsvergunning verleend voor de gehele Europese Unie. [9]
de minister) had op dat moment al bij ministeriële regeling van 12 juli 2018 axi-cel voorlopig uitgesloten van vergoeding vanuit het basispakket door plaatsing van dit middel in de zogenoemde ‘geneesmiddelensluis’. [10]
het Zorginstituut) een advies aan de minister afgegeven omtrent axi-cel en de opname daarvan in het basispakket. In de begeleidende tekst bij de publicatie van dit advies staat onder meer:
Advies aan de minister
Het middel voldoet aan de 'stand van wetenschap en praktijk'. Het middel kan dus worden beschouwd als effectief. (…)
benadrukt dat axi-cel al tijdens de periode van onderhandeling beschikbaar zou moeten komen. Het gaat immers om een effectieve therapie, die voor een deel van de patiënten mogelijk curatief is.”
3.Procesverloop
de rechtbank). [erflater] heeft gevorderd Avéro Achmea bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 573.744,86, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten, met veroordeling van Avéro Achmea in de proceskosten.
Geneeskundige zorg: drie voorwaarden
De inhoud en omvang van deze prestaties zijnop grond van artikel 11 leden Pro 3 en 4 Zvw
nader geregeld in het Besluit zorgverzekering (hierna: Bzv) en de Regeling zorgverzekering. De daarin omschreven prestaties vormen tezamen het verzekerde basispakket waarop een verzekerde op grond van de zorgverzekering recht heeft.
Geneeskundige zorg omvat zorg zoalshuisartsen,medisch-specialisten, klinisch-psychologen en verloskundigendie plegen te bieden(…).”
indien geneeskundige zorg (zoals de CAR-T behandeling die [erflater] heeft ondergaan) aan de hiervoor genoemde voorwaarden onder 1) en 2) voldoet, deze – in beginsel – automatisch deel uit maakt van het verzekerde basispakket.De betreffende behandeling stroomt dan automatisch het basispakket in.
Indien de behandeling in een individueel geval ook aan de voorwaarde onder 3) voldoet, dient de behandeling in beginsel te worden vergoed.Deze derde voorwaarde geldt als het ‘indicatievereiste’.
Het tweede lid, samen met de woorden «die plegen te bieden» in de artikelen 2.4 en verder, is een geactualiseerde vertaling van het gebruikelijkheidscriterium zoals dat op grond van de Ziekenfondswet voor de huisartsen- en de medisch-specialistische zorg was geregeld. Het gebruikelijkheidscriterium had daar twee functies. In de eerste plaats grensde het huisartsenzorg van medisch-specialistische zorg af. (…)
Met de formulering «plegen te bieden» met daaraan gekoppeld de aanduiding van een beroepsbeoefenaar» worden de inhoud en omvang van de zorg bepaald. Door in de omschrijving de maat te nemen van voor iedereen kenbare hulpverleners, is het duidelijk welke zorg het betreft. De term «plegen te bieden» wordt ingevuld met toepassing van artikel 2.1, tweede lid. De artikelen 2.1, tweede lid, en 2.4 vullen dus samen in wat de verzekerde geneeskundige zorg inhoudt.” [16]
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft zich in het arrest van 12 juli 2001 in de zaak C-151/99 (Smits en Peerbooms) uitgesproken over het Nederlandse gebruikelijkheidscriterium.Het Hof stelde dat de voorwaarde van gebruikelijkheid alleen aanvaardbaar is indien deze verwijst naar hetgeen door de internationale medische wetenschap voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden. Met het hanteren van het begrip «stand der wetenschap» wordt voldaan aan deze voorwaarde van het Hof. Het begrip «stand der wetenschap» kan immers slechts internationaal worden uitgelegd. Het criterium is verder ruimer dan het door het Hof gehanteerde criterium. In de eerste plaats is er aan toegevoegd «en praktijk». Deze toevoeging is noodzakelijk omdat het pakket anders versmald zou zijn tot enkel evidence based medicine. Slechts een klein deel van het medisch arsenaal voldoet daaraan.”
Hoge Raad heeft het voorgaandein zijn arrest van 30 maart 2018 (Hoge Raad 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, r.o. 4.2.4), waar zowel [erflater] als Avéro Achmea naar hebben verwezen,
bevestigd: [18]
Het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’ van art. 2.1 lid 2 Bzv is in de plaats gekomen van het voorheen geldende ‘gebruikelijkheidscriterium’ van de Ziekenfondswet (‘de gebruikelijke zorg’) (…). Met het nieuwe criterium is blijkens de daarop bij het Besluit zorgverzekering gegeven toelichting bedoeld een “geactualiseerde vertaling” van het gebruikelijkheidscriterium te geven. Beoogd is om met het nieuwe criterium die zorg tot onderdeel van het verzekerde pakket te maken, die de betrokken beroepsgroep rekent tothet aanvaarde arsenaal van medische onderzoeks- en behandelingsmogelijkheden. Daarbij zijn volgens de toelichting zowel de stand van de medische wetenschap als de mate van acceptatie in de medische praktijk belangrijke graadmeters. Met het nieuwe criterium is tevens bedoeld te voldoen aan het (in verband met de vrijheid van diensten gegeven) oordeel van het HvJEU in zijn uitspraak van 12 juli 2001, ECLI:EU:C:2001:404, NJ 2002/3 (Smits en Peerbooms) dat ‘gebruikelijkheid’ alleen aanvaardbaar is als maatstaf indien daarmee wordt verwezen naar hetgeen door de internationale medische wetenschap voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden. Volgens de toelichting bij het Besluit zorgverzekering kan het begrip ‘stand der wetenschap’ “slechts internationaal worden uitgelegd”.”
ook dit criterium internationaal moet worden uitgelegd. Dat ligt ook in de rede. Immers, de beroepsgroep betreft niet enkel de Nederlandse medisch-specialisten.
dat de standpunten van het Zorginstituut niet bindend zijn, maar dat zorgverzekeraars – en ook de rechter – in beginsel wel moeten uitgaan van deze standpunten van het Zorginstituut(voorheen CVZ): [20]
dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vraag of een behandeling tot de stand van de wetenschap en praktijk behoort in beginsel rusten op de verzekerde die aanspraak maakt op vergoeding van een geneeskundige behandeling en dat de zorgverzekeraar in dezen geen verzwaarde stelplicht heeft. [22]
indicatievereistezoals neergelegd in artikel 2.1 lid 3 Bzv.
Dit vereiste houdt kort gezegd in dat een behandeling, in een individueel geval, naar inhoud en omvang redelijkerwijs moet zijn aangewezen. Dit wordt individueel, per verzekerde, bepaald. Voor de betreffende verzekerde moet er een medische indicatie bestaan voor de (gewenste) behandeling. Pas dan bestaat er recht op vergoeding op grond van de basisverzekering.
Axi-cel betreft een zogenoemd intramuraal geneesmiddel. Dit zijn specialistische geneesmiddelen die gebruikt worden bij een behandeling in het ziekenhuis.
Deze geneesmiddelen maken deel uit van de prestatie geneeskundige zorg in de zin van de Zvw. Intramurale geneesmiddelen vallen daarom evenals geneeskundige zorg onder het open deel van het basispakket en stromen dus in beginsel automatisch het basispakket in als voldaan is aan de in r.o. 4.2.4 genoemde drie voorwaarden. [23]
heeft de minister de bevoegdheid om bepaalde dure geneesmiddelen (tijdelijk) uit te sluiten van het basispakket en heeft hij daar ten aanzien van axi-cel per 12 juli 2018 gebruik van gemaakt. Het betreft hier een uitzondering op het stelsel van de open instroom in het basispakket. Uitsluiting geschiedt door plaatsing van een bepaald geneesmiddel in de zogenoemde ‘sluis’. Gedurende de plaatsing in de sluis valt het betreffende geneesmiddel niet onder het verzekerde basispakket en wordt het niet vergoed uit hoofde van de zorgverzekering.
De sluis heeft als doel om nieuwe, relatief dure intramurale geneesmiddelen op betaalbare wijze toegankelijk te maken en te houden binnen het basispakket. De sluis creëert de tijd om onder meer te toetsen op doelmatigheid en om (financiële) afspraken te maken over de kosten en het gebruik van het betreffende middel. [24]
per 1 juli 2018 wettelijk verankerd in artikel 2.4a Bzv. Plaatsing in de sluis geschiedt door een wijziging van de Regeling zorgverzekering (Rzv), in die zin dat het
betreffende geneesmiddel wordt opgenomen in de bijlage als bedoeld in artikel 2.1 onder k Rzv. Geneesmiddelen op deze lijst zijn uitgesloten van het basispakket.
Axi-cel staat sinds 12 juli 2018 op deze lijst.”
de CAR-T behandeling destijds in Nederland nog in de kinderschoenen stond. De behandeling werd al wel uitgevoerd, maar slechts in verband met wetenschappelijk onderzoek. Zoals door [erflater] is gesteld en door Avéro Achmea niet is bestreden, werd de
CAR-T behandeling in maart 2018 in onder meer de Verenigde Staten al wel op meer reguliere basis aangeboden en toegepast (al 100 keer). De eerste vraag die voor ligt is of de behandeling, bij die stand van zaken, in maart 2018 voldeed aan de criteria ‘stand van de wetenschap en praktijk’ en ‘zorg zoals de beroepsgroep die pleegt te bieden’.
(…)”
De rechtbank komt ook ten aanzien van het criterium ‘zorg zoals de beroepsgroep die pleegt te bieden’ tot het oordeel dat de CAR-T behandeling hieraan voldeed. Hoewel de behandeling in Nederland nog niet regulier werd aangeboden, gebeurde dat in maart 2018 in (onder meer) de Verenigde Staten al wel en met goede resultaten. Bovendien werd de behandeling in die tijd in verschillende ziekenhuizen via (experimentele) trials toegepast en waren de resultaten daarvan, zo blijkt uit door [erflater] overgelegde artikelen en het advies van het Zorginstituut, ook positief.
Bij deze stand komt de rechtbank tot het oordeel dat de CAR-T behandeling in maart 2018 weliswaar nog niet overal (regulier) werd toegepast, maar al wel tot het – internationale – aanvaarde arsenaal van medische behandelingsmogelijkheden werd gerekend en, anders dan Avéro Achmea heeft betoogd, als professioneel juist werd beschouwd.
niet mocht vergoeden. Het eerste argument betreft de al genoemde plaatsing in de geneesmiddelensluis:
In beginsel is juist dat plaatsing in de sluis met zich mee brengt dat een geneesmiddel wordt uitgesloten van vergoeding vanuit het basispakket. Het is een instrument van de minister dat wettelijk is verankerd en waarmee een uitzonderingsmogelijkheid is gecreëerd op de automatische instroom in het basispakket. Echter, die uitzondering gaat pas gelden vanaf het moment van plaatsing in de sluis, in dit geval dus vanaf 12 juli 2018. Nu de behandeling van [erflater] in maart 2018 heeft plaatsgevonden en deze op dat moment aan de voorwaarden voor automatische instroom in het basispakket voldeed, gaat het betoog van Avéro Achmea ten aanzien van de sluis dus niet op. In maart 2018 voldeed de behandeling aan de vereisten voor instroom, zodat dit automatisch is gebeurd. De behandeling was op dat moment niet uitgesloten van vergoeding vanuit het basispakket, want zij was daarvan immers (nog) niet uitgezonderd door middel van plaatsing in de sluis.(…).
Er is geen wettelijke grondslag om aan het besluit tot plaatsing in de sluis terugwerkende kracht te verlenen. Het verbod aan een zorgverzekeraar om een in de sluis geplaatste behandeling te vergoeden, kan zich dus niet uitstrekken over een behandeling die vóór die plaatsing in de sluis is ondergaan en op dat moment in het basispakket was ingestroomd.”
Uit hetgeen Avéro Achmea heeft aangevoerd en uit het wettelijk stelsel en de wetgeschiedenis blijkt echter niet van een koppeling tussen de Zorgverzekeringswet en de Geneesmiddelenwet, in die zin dat vereisten neergelegd in de Geneesmiddelenwet – zoals het vergunningvereiste van artikel 40 Gnw Pro – doorwerken in het stelsel van de zorgverzekering en ook gelden bij de beoordeling van de aanspraken die een verzekerde heeft onder het verzekerde basispakket. Avéro Achmea heeft betoogd dat die koppeling er wel is, maar heeft ook in de nadere aktewisseling die op initiatief van de rechtbank heeft plaatsgevonden en waarbij zij in de gelegenheid is gesteld om dit toe te lichten, niet de wettelijke grondslag daarvoor kunnen aanwijzen of toelichten.
Uit artikel 4 lid 3 van Pro deze Richtlijn volgt dat daarin neergelegde vereisten omtrent geneesmiddelen los staan van de nationale bevoegdheid om de inhoud van het verzekeringspakket vast te stellen:
De bepalingen van deze richtlijn laten de bevoegdheden van de autoriteiten van de lidstaten onverlet, zowel ten aanzien van de vaststelling van de prijzen van de geneesmiddelen als ten aanzien van de opneming van de geneesmiddelen in het toepassingsgebied van de nationale ziekteverzekeringsstelsels op basis van gezondheids-, economische en sociale overwegingen.”.
Dat sprake is van een rangorde tussen de Geneesmiddelenwet en de Zorgverzekeringswet volgt niet uit hetgeen Avéro Achmea heeft aangevoerd en is de rechtbank evenmin anderszins gebleken. Het betoog van Avéro Achmea vindt geen steun in het recht.”
Wmg) niet kan en zelfs niet mag vergoeden, kort gezegd, omdat de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna:
NZa) ten tijde van de behandeling van [erflater] nog geen prestatiebeschrijving en daarbij horend (maximum)tarief had vastgesteld:
Een zorgaanbieder en een ziektekostenverzekeraar kunnen aan het aanbieden, overeenkomen of leveren van een prestatie als bedoeld in het eerste lid, onder c of d, dan wel aan het in rekening brengen, betalen of aan een derde vergoeden van een tarief als bedoeld in het eerste lid, geen rechten ontlenen.”
dat een zorgaanbieder en een ziektekostenverzekeraar aan verboden afspraken geen rechten kunnen ontlenen, terwijl deze wel in stand blijven en moeten worden nagekomen jegens de betrokken patiënt of verzekerde”. [28]
dat de aanspraak van [erflater] op vergoeding niet wordt aangetast door artikel 35 Wmg Pro. Dat de zorgaanbieder aan [erflater] (in de Verenigde Staten) een ‘verboden tarief’ in rekening zou hebben gebracht zoals Avéro Achmea stelt, kan [erflater] dan ook niet worden tegengeworpen.
Het beroep van Avéro Achmea op artikel 35 Wmg Pro slaagt dus niet.
maximaal) het in Nederland geldende marktconforme bedrag wordt vergoed. Hieruit volgt dat er juist voor de situatie van [erflater] een vergoedingsregeling is opgenomen in de Polisvoorwaarden. Dit strookt niet met de stelling van Avéro Achmea dat het haarverboden is de behandeling van [erflater] te vergoeden.”
het hof). Avéro Achmea heeft, voor zover hier van belang, vernietiging van dat vonnis en afwijzing van de vordering van [erflater] gevorderd.
hoogtevan het door Avéro Achmea te vergoeden bedrag en in verband daarmee, wat voor de uitgevoerde behandeling in Nederland een marktconform tarief zou zijn als bedoeld in art. 15.2, onder c, Polisvoorwaarden, zoals uit te leggen in het licht van art. 2.2 lid 2, onder b, Besluit zorgverzekeringen [30] (hierna:
Bzv). Die bepaling voorziet in begrenzing van de vergoeding voor uit het basispakket behorende zorg op grond van een restitutiepolis. Bij het bepalen van de vergoeding worden in mindering gebracht “
de kosten die hoger zijn dan in de Nederlandse marktomstandigheden in redelijkheid passend is te achten”. Het hof heeft overwogen dat het voornemen bestaat één of meer deskundigen te benoemen met het oog op, kort gezegd, beantwoording van de vraag op welke dekking aanspraak bestaat. Het hof heeft de zaak naar de rol verwezen voor aktewisseling, onder aanhouding van iedere verdere beslissing.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1betreft de toetsing aan het ‘plegen te bieden’-criterium (rov. 6.3.13 - 6.3.14).
Onderdeel 2richt zich tegen de rov. 6.4.9 - 6.4.10, waar het hof mede beoordeelt, kort gezegd, of het ontbreken van een door de NZa vastgesteld tarief aan vergoeding in de weg staat.
Onderdeel 3is gericht tegen rov. 6.4.11 - 6.4.14 die zien op de handelsvergunning en de geneesmiddelensluis.
plegen te bieden’-criterium)
Zvw) bestaat er tussen de zorgverzekeraar en de verzekerde een privaatrechtelijke rechtsverhouding. Ingezetenen zijn wettelijk verplicht een zorgverzekeringsovereenkomst af te sluiten met een zorgverzekeraar. [32] De aanspraken van de verzekerde vloeien voort uit die overeenkomst. Wat de verzekeringsovereenkomst moet inhouden, wordt echter in hoge mate wettelijk voorgeschreven. De dekking van de zorgverzekering (het ‘pakket’) is dwingendrechtelijk geregeld in de Zvw en de daarop gebaseerde regelgeving. [33] Met het voorgeschreven verzekerde pakket is beoogd om uitsluitend zorg te vergoeden die aantoonbaar werkt, kosteneffectief is en waarvan de noodzaak tot collectieve financiering blijkt. [34]
geneeskundige zorg.
naturaverzekering, genoemd onder a) of op vergoeding van de kosten van de zorg (
restitutieverzekering, genoemd onder b). Hier gaat het om de tweede variant.
Rzv). De daarin omschreven prestaties vormen tezamen het verzekerde pakket waarop op grond van de zorgverzekering recht (op vergoeding) bestaat. [36] Voor hetgeen bepaald is in art. 2.1 en art. 2.4 Bzv verwijs ik naar rov. 4.2.2 van rechtbankvonnis (geciteerd in 3.6).
functiegerichteof
functioneleomschrijving van prestaties gehanteerd. Daarmee wordt bedoeld dat de wettelijke regeling zich beperkt tot omschrijving van de te verzekeren zorg, zonder dat daarbij tevens wordt geregeld
door wiede zorg ten laste van de verzekering kan worden verleend en over welke kwalificatie een zorgverlener dient te beschikken. De vrijheid die de wettelijke regeling laat om dit nader te bepalen, komt tot uiting in de woorden ‘
zorg zoals … die plegen te bieden’. [37]
CVZ) is ingegaan op de betekenis van het criterium ‘plegen te bieden’.
rapport uit 2008heeft het CVZ over dit criterium en de verhouding daarvan tot het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’ onder meer opgemerkt (onderstreping weer toegevoegd): [39]
Inhouds- en omvangsaspect van ‘plegen te bieden’:
rapport uit 2013heeft het CVZ met betrekking tot het begrip ‘plegen te bieden’ voor zover hier relevant het volgende opgemerkt (onderstreping conform het origineel): [40]
plegen: niet de specifieke interventie maar het soort zorg
soortenzorg.
Daarbij gaat het om het soort zorg en wat
globaalhet behandelaanbod inhoudt. Het plegen te bieden-criterium is niet bedoeld om te beoordelen of specifieke behandelingen (interventies) aangeboden worden en als effectief beschouwd worden. Op dat moment betreden we het terrein van de sw&p. [stand van de wetenschap en praktijk; A-G].
Stand Wetenschap en Praktijk
overlap
nationaal/internationaal
Ciran/DSWde duiding die het CVZ aldus heeft gegeven aan het criterium ‘plegen te bieden’, als volgt samengevat (mijn onderstreping): [41]
Zorg die ‘pleegt te worden geboden’ betreft zorg die de beroepsgroep rekent tot het aanvaarde arsenaal van zorg en die geleverd wordt op een wijze die de desbetreffende beroepsgroep als professioneel juist beschouwt. (…)
Het criterium ‘plegen te bieden’ is vooral bedoeld om te beoordelen of zorg behoort tot het domein van een bepaalde beroepsgroep en wordt gerekend tot het deskundigheidsgebied van de beroepsgroep. Het criterium is niet bedoeld om te beoordelen of specifieke behandelingen (interventies) aangeboden worden en als effectief worden beschouwd; daarvoor is het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’. Inhoudelijk kunnen beide criteria elkaar overlappen. De richtlijnen van de beroepsgroep aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of sprake is van zorg die de beroepsgroep ‘pleegt te bieden’, spelen ook een rol bij de invulling van het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’.”
inhoudelijketoetsing van een
specifiekebehandeling of interventie naar effectiviteit valt onder de toetsing aan ‘het stand van de wetenschap en praktijk’-criterium. Dit laatste criterium is een moeilijker te nemen hobbel omdat dit het doen van onderzoek vergt naar de werking en de effectiviteit van een specifieke behandeling.
rov. 6.3.13 en 6.3.14van het bestreden arrest (ook hierna steeds mijn onderstreping tenzij anders staat aangegeven):
achtste griefbestrijdt Avéro Achmea het oordeel van de rechtbank dat niet alleen het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’ maar ook het criterium ‘zorg zoals de beroepsgroep die pleegt te bieden’ internationaal moet worden uitgelegd.
Het hof onderschrijft evenwel het (…) oordeel van de rechtbank op dit punt en maakt het tot het zijne. Met name is hierbij van belang dat de wetgever er blijkens zijn Nota van Toelichting op het Bzv voor heeft gekozen om de door het HvJEU voor intracommunautaire zorgverlening voorgeschreven
internationale uitleg van het gebruikelijkheidscriterium, in het Bzv ongeclausuleerd toepasselijk te achten,dat wil zeggen niet beperkt tot die intracommunautaire zorgverlening. De Nota van Toelichting noemt in dit specifieke verband slechts het aan dat gebruikelijkheidscriterium ontleende criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’, maar omdat de nota wél benoemt dat ook het criterium ‘zorg zoals de beroepsgroep die pleegt te bieden’ aan datzelfde gebruikelijkheidscriterium is ontleend, ligt logischerwijs in de rede dat ook dat criterium internationaal wordt uitgelegd. Die logica volgt ook uit de overlap die in zichzelf niet valt te ontkennen van dat criterium met (het element ‘praktijk’ uit) het andere.
negende griefkeert Avéro Achmea zich tegen het oordeel van de rechtbank dat ten tijde van de behandeling van [erflater] , de CAR-T-behandeling behoorde tot de zorg zoals de beroepsgroep die toen pleegde te bieden. Avéro Achmea voert hiertoe aan dat experimentele en reguliere behandelingen voor het ‘plegen te bieden’-criterium niet op één lijn kunnen worden gesteld, en dat ten tijde van de behandeling van [erflater] in de Verenigde Staten, de CAR-T-behandeling in Nederland (voor DLBCL) slechts experimenteel, en dan nog zeer beperkt, werd aangeboden. Met dit argument gaat Avéro Achmea eraan voorbij
dat het ‘plegen te bieden’-criterium internationaal moet worden uitgelegd(hiervoor, 6.3.13) en dat de situatie in Nederland dus niet maatgevend is.
Ook wereldwijd werd de CAR-T-behandeling volgens Avéro Achmea destijds nog weinig toegepast, maar zoals de rechtbank terecht heeft overwogen volgt uit de Nota van Toelichting op het Bzv dat voor het ‘plegen te bieden’-criterium niet bepalend is hoe vaak bepaalde zorg toepassing vindt, doch in welke mate beroepsbeoefenaren dergelijke hulp als een professioneel juiste handelwijze beschouwen. Dat een relatief nieuw, kostbaar en door bijwerkingen risicovol geneesmiddel in voorkomend geval langdurig voorwerp is van experimenteel onderzoek staat er niet aan in de weg dat het al gedurende zodanig onderzoek klinisch mag worden toegepast (zoals met axi-cel destijds het geval was in de Verenigde Staten (… [43] )) en dat de (internationale) beroepsgroep deze toepassing professioneel juist acht.De stelling van [erflater] dat hiervan ten tijde van zijn behandeling sprake was, heeft Avéro Achmea niet voldoende gemotiveerd weersproken.”
nade vaststelling dat de behandeling aan de stand van de wetenschap en praktijk voldeed, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Volgens het subonderdeel miskent het hof dat op grond van de systematiek van de Zvw pas aan het criterium stand van de wetenschap en praktijk kan worden getoetst
nadatis vastgesteld dat aan het ‘plegen te bieden’-criterium is voldaan.
cumulatievevoorwaarden waaraan moet worden voldaan wil aanspraak kunnen bestaan op vergoeding van geneeskundige zorg onder de basisverzekering, is in die zin van belang dat als reeds niet aan het ‘plegen te bieden’-criterium is voldaan, aan toetsing aan het ‘stand van de wetenschap en praktijk’-criterium niet hoeft te worden toegekomen. [44] Nu het hof echter, mijn inziens op goede gronden, oordeelt dat aan deze beide criteria (alsook aan het indicatievereiste) is voldaan, maakt de aangehouden volgorde geen verschil voor de uitkomst van de toetsing. [45] Het aanhouden van een andere volgorde van de twee criteria zou immers niet tot een andere uitkomst hebben geleid. Avéro Achmea heeft daarom geen belang bij deze klacht.
nationaalmoet worden uitgelegd, omdat de definitie van aanspraken is geregeld in nationale wetgeving en het dus gaat om Nederlandse beroepsgroepen en wat die feitelijk aan zorg plegen te bieden. Dit betekent dat alleen indien binnen Nederland overeenstemming bestaat over de aanvaardbaarheid van een behandeling, eventueel aan vergoeding kan worden toegekomen. Het subonderdeel klaagt verder dat voor zover het hof meende de opvattingen van het Zorginstituut over de uitleg van het ‘plegen te bieden’-criterium – waaruit onomwonden volgt dat het criterium nationaal moet worden uitgelegd – niet te hoeven volgen, ook dit van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans is volgens het subonderdeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk gemotiveerd waarom het hof op dit punt afwijkt van de opvattingen van het Zorginstituut.
kanworden. Als een bepaalde behandeling in andere landen al door, bijvoorbeeld oncologen, wordt toegepast, kan dat reden zijn om aan te nemen dat die behandeling in de ogen van de Nederlandse beroepsgroep voldoet aan het ‘plegen te bieden’-criterium. De door Avéro Achmea verdedigde visie komt erop neer dat de beroepsgroep alleen mag kijken naar wat zij zelf in Nederland aan behandelingen verricht. Deze naar binnen gekeerde blik kan moeilijk in het belang worden geacht van de instandhouding en ontwikkeling van een hoogwaardig stelsel van gezondheidszorg. Mede daarom kan de ‘nationale uitleg’, zoals Avéro Achmea die in wil vullen, niet als juist worden aanvaard.
overeenstemmingbestaat over de aanvaardbaarheid van een behandeling. [48] Daargelaten de complicaties die kunnen rijzen om vast te kunnen stellen of er binnen een beroepsgroep ‘overeenstemming’ (in de zin van: consensus) bestaat, is mij niet duidelijk waar die overeenstemming volgens Avéro Achmea dan precies op moet zien. Niet maatgevend is in elk geval of een behandeling in Nederland
feitelijk wordt aangeboden. Dat is ook niet wat het CVZ kan hebben bedoeld, toen het in zijn rapport uit 2013 opmerkte dat “
de plegen toets daarmee ook nationaal is” (zie 4.11). Wat tot de praktijk behoort, wordt getoetst aan het ‘stand van de wetenschap en praktijk’-criterium, en daarom juist wel aan de hand van
internationalemaatstaven. Dat kan ertoe leiden dat nieuwe, in Nederland (nog) niet toegepaste behandelmethoden moeten worden vergoed. De andersluidende klacht in subonderdeel 1.2 faalt daarom. Overigens lijkt het moeilijk voorstelbaar dat een geneesmiddel dat in Nederland wél voldoet aan het ‘stand van de wetenschap en praktijk’-criterium, niet zou voldoen aan het ‘plegen te bieden’-criterium omdat delen van de Nederlandse beroepsgroep niet overtuigd zouden zijn van de aanvaardbaarheid van het middel.
soort zorgdat in Nederland door medisch specialisten wordt geboden, zijn partijen het niet eens. Mij lijkt eerlijk gezegd dat daar, ook op de peildatum, nauwelijks discussie over kan bestaan. Van der Mersch merkt in haar annotatie onder het vonnis van de rechtbank op: [49]
een bepaalde medische behandelingpleegt te bieden. Blijkens het vervolg spitst zij het – volgens haar nationaal uit te leggen – criterium toe op de vraag of de CAR-T-behandeling in Nederland feitelijk
wordt toegepast. [50] Het betoog van Avéro Achmea houdt immers in dat slechts reguliere behandelingen onder het ‘plegen te bieden’-criterium vallen, waardoor de CAR-T-behandeling, die in Nederland alleen nog maar experimenteel werd toegepast, buiten de boot viel. Responderend op dit betoog heeft het hof het beslispunt van nationale of internationale uitleg van het ‘plegen te bieden’-criterium mede geprojecteerd op de vraag of in Nederland de CAR-T-behandeling wordt toegepast (zie rov. 6.3.14, derde volzin). Maar het hof heeft ook, op juiste gronden, geoordeeld dat voor het voldaan zijn aan dat criterium niet bepalend is hoe vaak bepaalde zorg toepassing vindt. Het heeft bovendien overwogen dat het feit dat een relatief nieuw, kostbaar en door bijwerkingen mogelijk risicovol geneesmiddel in voorkomend geval langdurig voorwerp is van experimenteel onderzoek, er niet aan in de weg staat dat het al klinisch mag worden toegepast en dat de (internationale) beroepsgroep – waar, zo voeg ik toe, de Nederlandse beroepsgroep deel van uitmaakt – deze toepassing professioneel juist acht. Avéro Achmea had daarom de stelling van [erflater] dat hiervan ten tijde van zijn behandeling sprake was volgens het hof niet voldoende gemotiveerd weersproken.
soortzorg, en niet op specifieke behandelmethoden zoals de toepassing van axi-cel. Het subonderdeel wijst er verder op dat om te beoordelen of zorg behoort tot de zorg die een bepaalde beroepsgroep pleegt te bieden, onder meer kan worden gekeken naar de richtlijnen van de beroepsgroep, kwaliteitsnormen en – indien sprake is van een behandeling die in Nederland feitelijk (nog) niet voorhanden is – doorverwijzingen naar zorgaanbieders in het buitenland. Het subonderdeel klaagt dat het hof die toets ten onrechte niet heeft verricht.
soortzorg, betekent niet dat geheel van een specifieke behandeling zou moeten worden geabstraheerd. Beoordeeld moet immers worden of
die behandelingbehoort tot het
soortzorg dat de betreffende beroepsgroep in het algemeen aanbiedt. Ter beantwoording van die vraag
kanworden gekeken naar onder meer richtlijnen van de beroepsgroep, maar dat is niet in alle gevallen noodzakelijk. Zoals het CVZ in zijn rapport van 2013 heeft verduidelijkt, moet de beoordeling van in Nederland (nog) niet toegepaste behandelmethoden worden verricht op basis van het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’, en niet op basis van het ‘plegen te bieden’-criterium. Subonderdeel 1.4 faalt.
rov. 6.4.9 en 6.4.10van het arrest, gaat in op de betekenis van de publiekrechtelijke tariefregulering voor aanspraken van de verzekerde.
medisch-specialistische zorgin onder andere ziekenhuizen is in 2005 prestatiebekostiging in de vorm van diagnose-behandelcombinaties (hierna:
dbc) ingevoerd. Een dbc wordt door de NZa gedefinieerd als “
een declarabele prestatie die het resultaat is van (een deel van) het totale zorgtraject van de diagnose die de zorgaanbieder stelt tot en met de (eventuele) behandeling die hieruit volgt” [52] . Met de inwerkingtreding van de Wet aanvulling instrumenten bekostiging WMG per 1 januari 2012 zijn in deze declaratiesystematiek voor zorgaanbieders wijzigingen aangebracht, wat gepaard is gegaan met de invoering van de DOT. [53]
add-on’ genoemd. Welke geneesmiddelen een
add-onprestatie krijgen, wordt bij beschikking vastgesteld.
Add-ongeneesmiddelen maken onderdeel uit van de ‘overige zorgproducten’. Alle dbc-zorgproducten en overige zorgproducten en de daarbij behorende voorschriften, voorwaarden en beperkingen worden door de NZa vastgelegd in de Prestatie- en tariefbeschikking medisch-specialistische zorg. [54]
terwijl deze wel in stand blijven en moeten worden nagekomen jegens de betrokken patiënt of verzekerde.”
De WMG schept, voor zover het om tariefregulering gaat, slechts publiekrechtelijke verplichtingen voor de betrokken partijen met betrekking tot met name de hoogte en declaratiewijze van het tarief voor een prestatie, die in acht genomen moeten worden telkens wanneer een zorgaanbieder jegens een ander aanspraak maakt op betaling als tegenprestatie voor verrichte of te verrichten diensten.”
Famed/Kreikamp q.q.. De context wijkt wel sterk af van de onderhavige zaak. [57] Die zaak ging om het faillissement van een zorgaanbieder die haar vorderingen op zorgverzekeraars had verpand aan Famed. Aan de orde was of onder het pandrecht van Famed ook viel de waarde van de geneeskundige behandelingen die waren aangevangen vóór het faillissement maar bij aanvang van het faillissement nog niet in rekening waren gebracht bij de zorgverzekeraars (het ‘onderhanden werk’). De vraag was wanneer de vordering van de zorgaanbieder op de zorgverzekeraar
is ontstaanen wat de invloed van de DBC-systematiek (in het bijzonder de regel dat de kosten van de verleende zorg pas konden worden gedeclareerd nadat het DBC-traject volledig was doorlopen en afgesloten) daarop was. Verwijzend naar onder meer de in het vorige randnummer geciteerde passage in de wetsgeschiedenis kwam de Hoge Raad tot de volgende slotsom:
hoogtevan de vergoeding van de kosten van een dergelijke behandeling vaak gerelateerd zal zijn aan het Wmg-(maximum)tarief. De zorgverzekeraar is bij een restitutiepolis gehouden de kosten van zorg die de verzekerde maakt te vergoeden (art. 11 lid Pro 1, onder b, Zvw), met dien verstande dat alleen de kosten die
in de Nederlandse marktomstandighedenin redelijkheid passend zijn te achten, hoeven te worden vergoed (art. 2.2 lid 2, aanhef en onder b, Bzv). [58] Deze vergoedingsmaatstaf is – in de context van een behandeling in Nederland – onder meer van belang als er geen Wmg-maximumtarief is vastgesteld, bijvoorbeeld omdat de tarieven vrij zijn gelaten. In deze zaak komt deze vergoedingsmaatstaf in art. 15.2 van de Polisvoorwaarden terug als ‘het in Nederland geldende marktconforme bedrag’.
grieven 3 en 12komt Avéro Achmea op tegen het oordeel van de rechtbank dat het ten tijde van de behandeling van [erflater] niet van kracht zijn van een handelsvergunning voor axi-cel in Nederland, geen belemmering vormt voor dekking (…). Volgens Avéro Achmea volgt uit het systeem van de wet dat alleen geneesmiddelen waarvoor een handelsvergunning in Nederland van kracht is, voor vergoeding in aanmerking komen. Avéro Achmea voert hiervoor de volgende argumenten aan:
Ad i. en iii-v.Volgens Avéro Achmea geldt als hoofdregel, en gold destijds, dat de kosten van een geneesmiddel integraal onderdeel zijn van een DOT voor de behandeling met dat geneesmiddel, dat als de bekostiging van een geneesmiddel niet als integraal onderdeel van een DOT kan verlopen, de NZa een zogenoemde add-onprestatie vaststelt, en dat geneesmiddelen die op de add-onlijst staan additioneel, dus naast een DOT, gedeclareerd kunnen worden (memorie van grieven, 75, vlg. ook het door Avéro Achmea als productie E overgelegde rapport ‘Toegankelijkheid van dure geneesmiddelen’ van de NZa van juli 2017, p. 10-11). Voor zover Avéro Achmea met haar stelling i dat de NZa zonder handelsvergunning geen DOT zal vaststellen, bedoelt dat de NZa op individueel geneesmiddel-niveau DOT’S vaststelt (die zijn te onderscheiden van het geven van een add-onstatus aan diezelfde geneesmiddelen (stellingen iii-v)), geeft Avéro Achmea daarvoor geen onderbouwing. In de Tarieventabel dbc-zorgproducten en overige producten 2018, waarnaar Avéro Achmea in voetnoot 78 van haar memorie van grieven verwijst, ziet het hof op het eerste gezicht ook geen dbc-zorg- of overige producten op individueel geneesmiddelniveau. Hoe dan ook, dat voor dergelijke DOT’s, indien bestaand, het vereiste van een voorafgaande handelsvergunning in Nederland zou gelden legt Avéro Achmea niet uit. Dat voor het geven van een add-onstatus aan een geneesmiddel dat vereiste wél geldt (stelling iv) klopt (artikel 10 lid 2 van Pro de Beleidsregel prestaties en tarieven medisch-specialistische zorg voor het jaar 2018), net zoals stellingen iii en v (artikelen 11 lid 5 en 10 lid 3 van genoemde beleidsregel). Maar daaruit vloeit voor het hof echter niet logisch voort dat de gehele behandeling met een geneesmiddel waarvoor nog geen handelsvergunning geldt in Nederland (en daarmee noodzakelijk ook geen add-onstatus), van vergoeding is uitgesloten.
Praktisch, gedacht in puur Nederlandse situaties, zal dat natuurlijk wel steeds het geval zijn: niet omdat er geen dbc-zorg- of overig product voorhanden is waaronder de desbetreffende behandeling kan worden geschaard, maar omdat het geneesmiddel zelf, in Nederland, niet mag worden gebruikt. In het onderhavige geval gaat het echter juist niet om een puur Nederlandse situatie, en moet de vraag worden beantwoord of er een titel is voor vergoeding van de behandeling van [erflater] die buiten Nederland, in de Verenigde Staten heeft plaatsgevonden.”
indirecteen rol: zonder handelsvergunning is er geen DOT of
add-onvan toepassing, en zonder DOT of
add-onkan geen vergoeding worden betaald. Er bestaat in de terminologie van Avéro Achmea dan geen ‘betaaltitel’ (waarmee Avéro Achmea kennelijk een DOT en een
add-onbedoelt) voor het geneesmiddel, waardoor de behandeling niet voor vergoeding in aanmerking komt.
add-on-prestaties’ zien elk op de declaratiesystematiek in de relatie tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar. Avéro Achmea doet daarop beroep in haar rechtsverhouding met de restitutieverzekerde. Uit hetgeen hiervoor is opgemerkt, blijkt dat aan de vordering van [erflater] tot vergoeding van de door hem in de Verenigde Staten gemaakte kosten voor de CAR-T-behandeling niet in de weg staat dat in Nederland voor die behandeling nog geen ‘betaaltitel’ bestond op grond van art. 35 Wmg Pro. Daarmee is in de context van rov. 6.4.10 van het bestreden arrest irrelevant of voor een DOT of
add-on-prestatie is vereist dat een handelsvergunning is verleend voor een geneesmiddel dat bij een behandeling wordt toegediend.
dat het ontbreken van een handelsvergunning niet aan vergoeding in de weg staat”, miskent dat op grond van art. 35 Wmg Pro het zorgverzekeraars verboden is behandelingen te vergoeden aan zorgaanbieders, indien de NZa geen tarief- of prestatiebeschrijving heeft vastgesteld voor de betreffende behandeling.
- een DOT heeft geen betrekking op een individueel geneesmiddel en, los daarvan, is voor een op een individueel geneesmiddel toegesneden DOT (als die zou bestaan) niet een handelsvergunning in Nederland vereist;
- voor het geven van een
add-on-status aan een geneesmiddel is wel vereist dat voor dat middel een handelsvergunning in Nederland is verleend;
- maar daaruit vloeit niet voort dat de gehele behandeling met een middel waarvoor nog geen handelsvergunning geldt van vergoeding is uitgesloten. In ‘Nederlandse situaties’ is dat weliswaar het geval, maar het gaat hier niet om een puur Nederlandse situatie.
nietmeebrengt dat de gehele behandeling met dat geneesmiddel van vergoeding is uitgesloten, en daarom niet in de weg staat aan vergoeding van de behandeling die [erflater] buiten Nederland heeft ondergaan in een land waar voor het betrokken geneesmiddel al een handelsvergunning was afgegeven. Dat oordeel is juist. Subonderdeel 2.1 stuit daar op af.
in Nederlandvanuit de basisverzekering zou worden vergoed.
add-on-status voor een geneesmiddel (omdat voor dat middel nog geen handelsvergunning is verleend in Nederland) nog niet voortvloeit dat de gehele behandeling met dat geneesmiddel van vergoeding is uitgesloten. Het hof heeft dus wel degelijk onderzocht of het ontbreken van een betaaltitel op grond van de Wmg (in het bijzonder een
add-on) in de weg staat aan vergoeding van de behandeling van [erflater] , maar als gezegd geoordeeld dat dit niet het geval is. Aldus faalt de eerste motiveringsklacht.
in Nederlandvanuit de basisverzekering zou worden vergoed. Het oordeel van het hof is dan ook niet onbegrijpelijk in het licht van de andersluidende stellingen van Avéro Achmea. Daarmee faalt ook de tweede motiveringsklacht.
rov. 6.4.11 - 6.4.14van het bestreden arrest. Het onderdeel voert aan dat een intramuraal geneesmiddel (d.w.z.: een geneesmiddel dat wordt toegediend in ziekenhuizen en andere zorginstellingen) pas voor vergoeding in aanmerking kan komen als de kosteneffectiviteit ervan is vastgesteld én een handelsvergunning is verleend. Aan geen van beide voorwaarden was hier voldaan.
de verstrekking van een geregistreerd geneesmiddel met een in bijlage 0 bij deze regeling genoemde werkzame stof in het kader van een daarbij vermelde geneeskundige behandeling.”
axicabtagene ciloleucel, voor zover verstrekt in het kader van de behandeling van kanker.” [61] Dat is dus het geneesmiddel axi-cel, dat aan [erflater] enkele maanden daarvoor in de Verenigde Staten was toegediend.
onevenredig hoge kostenkunnen leiden. Als dat het geval is, dan kan een dergelijk geneesmiddel tijdig in de sluis worden geplaatst.
onevenredig hoge kostenper jaar per behandeling ontstaan (art. 2.4a lid 3 Bzv). Plaatsing in de sluis is mogelijk vóórdat een handelsvergunning is afgegeven. Dat zal doorgaans (maar niet noodzakelijkerwijs) het geval zijn. [63] Zoals we zagen werd het middel axi-cel ruim een maand voordat de Europese handelsvergunning afkwam in de geneesmiddelensluis geplaatst.
uitzonderingis die door een besluit van de minister moet worden geactiveerd, moet ervan worden uitgegaan dat voor de automatische instroom niet van belang is of de kosten van een nieuw geneesmiddel in verhouding staan tot de (verwachte) effectiviteit ervan.
Ad ii. De stelling van Avéro Achmea dat (de verstrekking van) een geneesmiddel pas in de geneesmiddelensluis kan worden geplaatst als in Nederland een handelsvergunning van kracht is, vindt geen steun in het recht. Een dergelijke voorwaarde was ten tijde van de behandeling van [erflater] in elk geval niet opgenomen in artikel 2.4 lid 2 Bzv, en ook het huidige artikel 2.4a Bzv vermeldt dit vereiste niet, met name niet het tweede lid van die bepaling (dat slechts een uiterste datum voor plaatsing in de sluis noemt, niet een eerst mogelijke). Dat het Zorginstituut op haar website (op de in voetnoot 60 van de memorie van grieven genoemde vindplaats) vermeldt dat pas als een geneesmiddel of behandeling is toegelaten tot de Nederlandse markt, de minister besluit of het middel definitief in de sluis wordt geplaatst, maakt dit niet anders. In de eerste plaats niet omdat uit deze beschrijving niet blijkt of hier wordt beoogd een wettelijk voorschrift te beschrijven dan wel (slechts) een praktijk, en in de tweede plaats niet omdat de rechter aan deze uiting van het Zorginstituut niet gebonden is.
grief 13bestrijdt Avéro Achmea het oordeel van de rechtbank dat de plaatsing van axi-cel in de geneesmiddelensluis per 12 juli 2018, niet aan dekking in de weg staat (…), maar vergeefs. De sluisplaatsing heeft geen terugwerkende kracht. Dat dat eventueel hoge financiële impact zou kunnen hebben, en dat de minister de hoge financiële impact blijkens zijn aankondiging van de insluisplaatsing op 27 maart 2018 (volgens Avéro Achmea vóór de behandeling van [erflater] ) al inzag, maakt dit niet anders.”
voordateen geneesmiddel het basispakket kan instromen. Het hof zou dat hebben miskend.
gaanbehoren als de kosteneffectiviteit ervan
isgetoetst (al zal dat in de praktijk vaak wel zo zijn). De aangehaalde uiting van de NZa waar rov. 6.4.12 van het arrest op ziet, gaat over de situatie die hier aan de orde is, namelijk het geval waarin een intramuraal geneesmiddel in het kader van een in het buitenland verleende behandeling is verstrekt.
geregistreerdemiddelen in de sluis kunnen worden geplaatst. Dat is feitelijk echter onjuist, zoals hiervoor is toegelicht. Ook axi-cel was al in de sluis geplaatst (met ingang van 21 juli 2018) voordat de handelsvergunning werd verleend (op 23 augustus 2018). In het licht van het betoog van Avéro Achmea kan ik dit standpunt ook niet goed plaatsen. Immers, door plaatsing in de sluis (kort) vóór het verlenen van een handelsvergunning kan nu juist worden voorkomen dat het middel automatisch instroomt en in de tussentijd bij verstrekking in Nederland zou moeten worden vergoed. Mogelijk bedoelt Avéro Achmea dat na verlening van de handelsvergunning een middel ofwel het pakket in stroomt ofwel de sluis ingaat. Daarmee wordt dan opnieuw betoogd dat een middel pas voor vergoeding in aanmerking kan komen als voor de verstrekking daarvan een handelsvergunning is gegeven. Dat klopt voor verstrekkingen in Nederland maar niet – zoals hiervoor opgemerkt – voor verstrekkingen in een ander land waar al een handelsvergunning is verleend.
.