Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
lijktjuist (1) dat de kamer voor andere zaken dan kantonzaken binnen de rechtbank, afdeling civiel, bevoegd is om te oordelen over art. 4:29 BW Pro en 4:30 BW-aanspraken en (2) dat een procedure over dergelijke aanspraken moet worden ingeleid met een dagvaarding. Letten we daarentegen op de wijze waarop het erfprocesrecht door de wetgever voor het overige is ingericht en de inhoudelijke samenhang met andere gevallen, waarin de wetgever uitdrukkelijk heeft gekozen voor een tot de kantonrechter te richten verzoek – waaronder andere geschillen met betrekking tot een verzorgingsvruchtgebruik – dan verdient mijns inziens de tegenovergestelde opvatting alsnog de voorkeur. In de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling zijn geen goede redenen te vinden voor een afwijkend procesrechtelijk regime voor aanspraken op grond van art. 4:29 lid 1 en Pro 4:30 lid 1 BW. De wetgever lijkt integendeel te hebben verondersteld dat de kantonrechter op grond van de voorgestelde regeling bevoegd zou zijn om te oordelen over álle geschillen inzake een verzorgingsvruchtgebruik. Voor zover de literatuur zich over de kwestie uitlaat, beschouwt die de route van een verzoek bij de kantonrechter wenselijk. Dat lijkt ook overwegend de opvatting van de praktijk, in de zin dat tot nu toe de meeste zaken over art. 4:29 en Pro 4:30 BW-aanspraken met een verzoekschrift bij de kantonrechter aanhangig zijn gemaakt. Mogelijk ook valt die opvatting te lezen in een beschikking van uw Raad. [2]
2.Feiten en procesverloop
3.Middel van cassatie in het belang der wet
Rechtsoverwegingen 5 tot en met 8 van het in het belang der wet bestreden vonnis geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De kantonrechter van de rechtbank Amsterdam heeft miskend dat de kantonrechter bevoegd is om te oordelen over een aanspraak die is ingesteld op grond van art. 4:29 en Pro 4:30 BW tot veroordeling van erfgenamen (of overige rechthebbenden) tot het verlenen van medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op de woning en de inboedel respectievelijk op de andere goederen van de nalatenschap ten behoeve van de echtgenoot van de erflater. Bovendien heeft de kantonrechter miskend dat de procedure over deze aanspraak had moeten worden ingeleid met een verzoekschrift.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
binnende rechtbank is verdeeld, namelijk tussen de kamer voor kantonzaken (hierna kortheidshalve: de kantonrechter) en de kamer voor andere zaken dan kantonzaken binnen de rechtbank, afdeling civiel. [4]
Art. 4:30 lid 6 BW Pro:‘Voor zover de echtgenoot en degenen die hun medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik moeten verlenen, niet tot overeenstemming kunnen komen over de goederen waarop dit zal komen te rusten, gelast op
verzoekvan een hunner de
kantonrechterde aanwijzing van die goederen of wijst hij deze zelf aan, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van ieder van hen.’
Art. 4:31 lid 1 BW Proverklaart art. 4:23 leden Pro 1, 2, 4 en 5 BW van overeenkomstige toepassing op het verzorgingsvruchtgebruik. Zowel in lid 2 als in lid 4 van art. 4:23 BW Pro staat dat de kantonrechter bevoegd is om op de daarin genoemde verzoeken te beslissen: ‘De
kantonrechterkan op de in lid 1 onder b bedoelde grond, op
verzoekvan de echtgenoot aan deze de bevoegdheid tot gehele of gedeeltelijke vervreemding en vertering als bedoeld in artikel 215 van Pro Boek 3 toekennen. De hoofdgerechtigde wordt in het geding geroepen. Bij de beschikking kan de
kantonrechternadere regelingen treffen.’ Respectievelijk ‘Bij de vestiging van het vruchtgebruik of daarna kunnen nadere regelingen worden getroffen door de echtgenoot en de hoofdgerechtigde, dan wel door de
kantonrechterop
verzoekvan een van hen.’
Art. 4:33 lid 1 BW Pro:‘De
kantonrechterkan op
verzoekvan een hoofdgerechtigde, mits daardoor een zwaarwegend belang van deze wordt gediend en in vergelijking hiermede het belang van de echtgenoot niet ernstig wordt geschaad:
Art. 4:33 lid 2 BW Pro: ‘De
kantonrechterkan, onverminderd lid 1, voor zover de echtgenoot aan het vruchtgebruik, de omstandigheden in aanmerking genomen, voor zijn verzorging, daaronder begrepen de nakoming van de overeenkomstig artikel 35 lid 2 op Pro hem rustende verplichtingen, geen behoefte heeft:
verzoekvan een rechthebbende de verplichting tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik opheffen, of
Art. 4:29 lid Pro 1, tweede volzin, BWverwijst naar het hiervoor genoemde art. 4:33 lid Pro 2, onder a, BW: ‘De eerste zin geldt niet voor zover de
kantonrechterop een daartoe strekkend
verzoekartikel 33 lid Pro 2, onder a, heeft toegepast.’ [14]
Art. 4:34 lid 4 BW Proverklaart de kantonrechter bevoegd te beslissen op verzoeken in geschillen over de toepassing van art. 4:34 BW Pro, op grond waarvan de echtgenoot kan overgaan tot inkorting van daarvoor vatbare giften ‘voor zover de nalatenschap niet toereikend is tot voldoening van hetgeen de echtgenoot ingevolge de artikelen 29 en 30 toekomt’ (art. 4:34 lid 1 BW Pro): ‘Geschillen over de toepassing van het onderhavige artikel en de artikelen 35 tot en met 37 worden op
verzoekvan de meest gerede partij beslist door de
kantonrechter.’
Wel is het mogelijk om, in aansluiting op de bevoegdheidstoedeling in het kader van figuren als bewind, gemeenschap en vruchtgebruik, de kantonrechter in de sfeer van het erfrecht bevoegd te maken voor daarmee vergelijkbare geschillen en verzoeken.Vanuit die gedachte is de bevoegdheid van de kantonrechter te begrijpen met betrekking tot maatregelen in verband met het beheer van, het bewind over of de vereffening van een nalatenschap.
in afdeling 4.2A.2[thans: afdeling 2 van titel 3 van boek 4 BW, van welke afdeling art. 4:29 en Pro 4:30 BW deel uitmaken, AG]
,is de kantonrechter bevoegd verklaard. Van de wenselijkheid van een algemene afwijking van de uit de Wet R.O. voortvloeiende bevoegdheidsverdeling tussen kantonrechter en rechtbanken is mij niet gebleken. Verder zou het scheppen van een algemene bevoegdheid van de kantonrechter in zaken van erfrecht een ingrijpende stap betekenen die het kader van de onderhavige nota van wijziging verre te buiten zou gaan.’
daarover het oordeel van de kantonrechterin te roepen. Ook als het legaat wel de woning of een inboedelgoed betreft, zal het legaat moeten worden uitgevoerd, zij het onder bezwaring met een vruchtgebruik ten behoeve van de echtgenoot. De legataris zal vervolgens ingevolge artikel 4.2A.2.5 [het huidige art. 4:33 lid 2 onder Pro b BW, AG] aan de kantonrechter kunnen verzoeken om het vruchtgebruik te beëindigen.’
ambtshalvete beoordelen of de juiste rechtsingang is gekozen en zo nodig overeenkomstig art. 69 Rv Pro een spoorwissel toe te passen. [33] De wisselbepaling is ook van toepassing in hoger beroep en cassatie. [34] Uw Raad heeft deze wisselbepaling verschillende malen toegepast, al was steeds sprake van een verkeerde rechtsingang in cassatie en niet van een verkeerde rechtsingang in eerste aanleg. [35] Maar dit laat onverlet dat volgens de rechtspraak van uw Raad art. 69 Rv Pro ook kan worden toegepast in de laatstgenoemde categorie van gevallen. [36] De omstandigheid dat uw Raad de wisselbepaling niet heeft toegepast in de zaak die leidde tot de beschikking van 8 juni 2007, kan er dus op duiden dat procedures over art. 4:29 en Pro 4:30 BW-aanspraken naar het oordeel van uw Raad moeten worden ingeleid met een verzoekschrift, zoals in die betreffende zaak was gebeurd. Ik zeg opzettelijk ‘kan erop duiden’, omdat in de zaak niet ter discussie stond met welk processtuk de zaak had moeten worden ingeleid en evenmin welke kamer van de rechtbank in eerste aanleg bevoegd was om over de zaak te oordelen. [37]
verzoekmoet indienen. [41]
kantonrechterbevoegd is te beslissen over
verzoekenvan de echtgenoot op grond van art. 4:29 BW Pro tot medewerking aan de vestiging van vruchtgebruik op de woning en de inboedel uit de nalatenschap, maar dat de kamer voor andere zaken dan kantonzaken binnen de rechtbank bevoegd is om te oordelen over aanspraken op vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap die zijn gebaseerd op art. 4:30 BW Pro. [46] Het gelukt mij niet om de logica van deze taakverdeling in te zien. De handleiding beschouw ik daarom niet als een bruikbaar aanknopingspunt voor de beantwoording van de vraag welke rechter bevoegd is.
lijktjuist (1) dat de kamer voor andere zaken dan kantonzaken binnen de rechtbank, afdeling civiel, bevoegd is om te oordelen over art. 4:29 BW Pro en 4:30 BW-aanspraken en (2) dat een procedure over dergelijke aanspraken moet worden ingeleid met een dagvaarding (hiervoor 4.2-4.9). Letten we daarentegen op de wijze waarop het erfprocesrecht door de wetgever voor het overige is ingericht en de inhoudelijke samenhang met andere gevallen waarin de wetgever uitdrukkelijk heeft gekozen voor een tot de kantonrechter te richten verzoek – waaronder andere geschillen met betrekking tot een verzorgingsvruchtgebruik –, dan verdient mijns inziens de tegenovergestelde opvatting alsnog de voorkeur. In de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling zijn geen goede redenen te vinden voor een afwijkend procesrechtelijk regime voor aanspraken op grond van art. 4:29 lid 1 en Pro 4:30 lid 1 BW. De wetgever lijkt integendeel te hebben verondersteld dat de kantonrechter op grond van de voorgestelde regeling bevoegd zou zijn om te oordelen over álle geschillen inzake een verzorgingsvruchtgebruik (hiervoor 4.11-4.21). Voor zover de literatuur zich over de kwestie uitlaat, beschouwt die de route van een verzoek bij de kantonrechter wenselijk (hiervoor 4.25). Dat lijkt ook overwegend de opvatting van de praktijk, in de zin dat tot nu toe de meeste zaken over art. 4:29 en Pro 4:30 BW-aanspraken met een verzoekschrift bij de kantonrechter aanhangig zijn gemaakt. Mogelijk ook valt die opvatting te lezen in de beschikking van uw Raad van 8 juni 2007 (hiervoor 4.22-4.24).