ECLI:NL:PHR:2024:1025

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2024
Publicatiedatum
3 oktober 2024
Zaaknummer
22/03824
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273 lid 3 SvArt. 415 lid 1 SvArt. 124 lid 4 SvArt. 6 EVRMArt. 311 lid 4 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens nalaten onderzoek terugkeer verdachte na verwijdering uit zittingszaal

De verdachte werd door het hof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor bedreiging en opruiing, maar tijdens het requisitoir werd hij wegens ordeverstoring uit de zittingszaal verwijderd. Hij kon daardoor niet reageren op het requisitoir, de vordering van de benadeelde partij, noch het laatste woord voeren. De verdachte werd bovendien niet bijgestaan door een raadsman die namens hem kon spreken.

De Hoge Raad stelt dat het hof verplicht was te onderzoeken of de verdachte in staat en bereid was om zonder verdere ordeverstoring terug te keren in de zittingszaal om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen. Dit volgt uit art. 6 EVRM Pro en de jurisprudentie van het EHRM, evenals eerdere arresten van de Hoge Raad. Het hof heeft dit onderzoek niet verricht, waardoor het onderzoek ter terechtzitting nietig is.

De conclusie van de advocaat-generaal bepleit een ruime onderzoeksplicht, ongeacht de strafmaat of aanwezigheid van een raadsman, vanwege het fundamentele belang van het aanwezigheidsrecht en het recht op het laatste woord van de verdachte. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het hof voor een nieuwe behandeling waarbij dit onderzoek wordt verricht.

De conclusie bespreekt uitgebreid de relevante wetgeving, jurisprudentie van de Hoge Raad en het EHRM, en benadrukt het belang van een goede afweging tussen ordehandhaving en het recht op een eerlijk proces. De verwijdering uit de zittingszaal is een zware inbreuk die slechts kan worden gerechtvaardigd indien de verdachte voldoende is gewaarschuwd en de mogelijkheid tot terugkeer is onderzocht.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen wegens het nalaten van onderzoek naar terugkeer van de verdachte na verwijdering uit de zittingszaal.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03824
Zitting8 oktober 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 10 oktober 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” en “in het openbaar, mondeling tot enig strafbaar feit opruien”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren en aftrek van de tijd zoals bedoeld in art. 27 Sr Pro. Het hof heeft verder beslist op de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. A.A. Franken, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel klaagt dat de verdachte de gelegenheid is ontnomen om het woord tot verdediging te voeren nu het hof, nadat de verdachte vanwege een ordeverstoring uit de zittingszaal was verwijderd, heeft nagelaten te onderzoeken of de verdachte in staat en bereid zou zijn bij de verdere behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn. Het middel stelt dat het hof de verdachte hierdoor ten onrechte heeft onthouden van de mogelijkheid zich uit te spreken over de zaak, het requisitoir en de vordering van de benadeelde partij, zodat het onderzoek ter terechtzitting nietig is.
2.2
Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 26 september 2022 houdt onder meer het volgende in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte],
(…)
is ter terechtzitting aanwezig.
De raadsvrouw van de verdachte mr. V.C. Serrarens, advocaat te Middelburg, is niet ter terechtzitting verschenen.
(…)
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
(…)
De verdachte, namens wie hoger beroep is ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven.
De verdachte verklaart als volgt:
“Ik ben het er niet mee eens omdat kinderen met mijn kind hebben gevochten op school. Eén van de jongens riep daarbij ‘je moeder is een hoer’. Mijn zoon heeft thuis verteld dat hij ruzie had gehad met een jongen. Twee dagen later zijn er vijf kinderen op mijn zoon af gekomen. Mijn zoon kwam toen huilend thuis omdat hij straf had gekregen. Ik zei dat het afgelopen was en ben naar school toe gegaan. Daar werd mij verteld dat ik niet binnen mocht gekomen. Toen ben ik boos geworden. Ik heb toen gezegd ‘moeten we het net als Amerika doen, moet ik hier op school komen, ik schiet jullie allemaal dood’. Dat heb ik gezegd. Ik weet niet eens met welk kind mijn zoon ruzie had. Toen ik op school kwam werd ik in een zaal gezet. Mijn zoon heeft verteld om welke jongens het ging, maar dat is nooit uitgezocht door de school. Mijn zoon moest naar de dokter, hij had wel dood kunnen gaan. Wij hebben nooit een verklaring af kunnen leggen.
Er stonden wel 1000 kinderen in de gang en dat Syrische meisje is de enige die heeft gehoord dat ik iemand zou gaan slaan na school. Er worden veel buitenlanders hier gehaald met problemen in hun hoofd. Ik zei dat ik na school mijn dochter op moest komen halen. Mijn advocaat heeft gevraagd om camerabeelden maar die zijn er niet. U vraagt mij naar de situatie op school. Mijn zoon is bang van de situatie. Eén van mijn kinderen gaat nog naar die school. Dat meisje zegt dat zij een trauma heeft opgelopen maar ik betaal niets. Dat is de reden dat ik het er niet mee eens ben. Zij heeft wel een verklaring af mogen leggen maar mijn zoon niet. Jullie moeten dat gaan onderzoeken. Er is geen hek, het is gewoon een speelplaats. Er is geen zicht op de kinderen. Kijk in mijn telefoon wat de politie met mensen doet en jullie zien die dingen en vinden het normaal. Ik ben boos. De politie slaat iemand in een rolstoel.
Noot griffier: De verdachte legt zijn verklaring met luide stem en zichtbaar boos af en begint te schelden. De voorzitter maant de verdachte tot kalmte.
De voorzitter deelt het volgende mede:
Er zijn diverse verklaringen afgelegd over die dag.
De verdachte reageert daarop als volgt:
Zij kunnen alles verklaren want zij zijn van de politie. Waarom mogen wij niets verklaren.
Noot griffier: De verdachte spreekt nog steeds met luide stem is nog steeds zichtbaar boos. De oudste raadsheer zegt hem dat hij niet moet schreeuwen.De verdachte verklaart:
Wat zou er gebeurd zijn als mij zoon dood was gegaan. Een van mijn andere zoons is
dood geboren. Hoe kan het dat een kind huilend thuis komt? Vijf tegen één. Je moet een
man zijn. Ik heb gezegd ‘aan de kant, ik sloop hem’. Iemand uit groep 8 tegen een jongen
uit groep 6. Vijf kankerlijers tegen één.
U, voorzitter, vraagt mij hoe het verder moet met de situatie. Ik vraag mij af wanneer ze
mijn zoon gaan vragen wat er is gebeurd. Kankerprobleem. Uw probleem is met deze
mensen. Jullie flippen mijn hoofd.
Noot griffier: De parketpolitie grijpt in en vraagt de verdachte zijn rust te bewaren.
De voorzitter merkt op dat het geen zin heeft om nog verder met de verdachte in discussie te gaan.
De benadeelde partij persisteert bij de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.414,12.
Noot griffier: de verdachte kijkt op zijn telefoon naar een filmpje.
De verdachte verklaart als volgt:
Kijk hier, die man in die rolstoel. Wat gebeurt er met die man? De politie slaat een man in
een rolstoel. Dat is net als in deze zaak. Ik wil zeggen dat ze mij op school beschuldigden.
De voorzitter vraagt aan de parketpolitie of de telefoon van de verdachte met het filmpje aan het hof getoond kan worden.
De voorzitter deelt mede:
U laat een filmpje zien van een incident waarbij een rolstoel of een scootmobiel op zijn
kant ligt en waarbij politie aanwezig is. De politie heeft meneer in de rolstoel of scootmobiel
kennelijk vast.
De verdachte reageert daarop als volgt:
Ze schoppen tegen zijn hoofd terwijl hij op de grond ligt. Bam op zijn hoofd. Ik word blij
wanneer ik een bom gooi en iedereen dood gaat. Ik ook. Afgelopen.
De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir als volgt.
Ik snap dat de verdachte boos is. Deze zaak begint met een ruzie tussen zijn zoon en
anderen en daarbij is de zoon van de verdachte kennelijk geslagen. De verdachte staat
echter terecht wegens het feit dat hij de school binnen is gegaan omdat hij gefrustreerd was
hoe het is gegaan op school.
De verdachte onderbreekt de advocaat-generaal en verklaart als volgt:
Hebben jullie de camerabeelden gezien? Weet je wat ik iedere dag denk? Jullie weten het
niet.
Noot griffier: De voorzitter maant de verdachte tot kalmte en zegt hem dat hij de advocaat-generaal het woord moet laten doen en dat hij de zaal moet verlaten als hij niet rustig kan blijven.
De verdachte vervolgt:
Zo is mijn stem als ik boos ben. Mijn vader is hoog opgeleid. Ik haat mijn lijf voor mijn kleur.
Noot griffier: De voorzitter deelt mede dat de verdachte de zaal moet verlaten. De parketpolitie begeleidt de verdachte naar buiten.
De advocaat-generaal gaat verder met het requisitoir:
Ik verzoek het hof het vonnis van de politierechter te bevestigen. Dat de verdachte boos
was is nu nog steeds een understatement, ook hier op zitting gaat hij verbaal tekeer. [betrokkene 1] heeft aangifte gedaan, zij heeft gehoord dat de verdachte zei dat hij haar dood ging maken. Ook [verbalisant 1] heeft een verklaring afgelegd. De verklaring van [verbalisant 2] ondersteunt het gedeelte van de tenlastelegging dat betrekking heeft op Amerika. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit is een bekennende verklaring afgelegd. De straf zoals door de politierechter is opgelegd is mijns inziens passend.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De advocaat-generaal legt de schriftelijke vordering over aan het gerechtshof, welke vordering aan dit proces-verbaal wordt gehecht.
Desgevraagd antwoordt mr. Soetens dat hij niets aan wil vullen en dat ter terechtzitting een goed gemotiveerde schriftelijke vordering is ingediend.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 10 oktober 2022 te 09.00 uur.
2.3
De voorzitter heeft blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om de verdachte uit de zittingszaal te verwijderen. Deze bevoegdheid komt hem toe op grond van art. 273 lid 3 jo Pro. 415 lid 1 Sv. [1]
2.4
Art. 273 lid 3 Sv Pro luidt:
“Indien de verdachte de orde op de terechtzitting verstoort en vruchteloos door de voorzitter is gewaarschuwd, kan de voorzitter zijn verwijdering uit de zittingzaal bevelen en, zo nodig, bepalen dat hij gedurende het geheel of een gedeelte van de zitting in verzekering wordt gesteld. De behandeling van de zaak wordt op tegenspraak voortgezet. Artikel 124, vierde lid, is van toepassing.”
2.5
Uit het proces-verbaal blijkt niet dat het hof op enig moment na verwijdering van de verdachte uit de zittingszaal heeft onderzocht of de verdachte kon terugkeren om het vervolg van de zitting bij te wonen en het woord tot verdediging te voeren.
2.6
De vraag die in cassatie voorligt is of het hof in deze zaak tot een dergelijk onderzoek gehouden was.
2.7
Een gelijksoortige vraag is eveneens aan de orde geweest in een zaak die in 2007 bij de Hoge Raad diende en waarnaar ook de steller van het middel verwijst. [2] Ook in die zaak had de verdachte de orde verstoord en was hij uit de zittingszaal verwijderd. In cassatie werd geklaagd dat de verdachte vervolgens niet meer in de gelegenheid was gesteld om kennis te nemen van het gehele requisitoir, om zich te verdedigen en het laatste woord te voeren. De Hoge Raad oordeelde hierover als volgt:
“4.3. De Voorzitter heeft met gebruikmaking van de hem in art. 273, derde lid, Sv toegekende bevoegdheid de verdachte wegens herhaalde ordeverstoring uit de zittingszaal laten verwijderen. De Advocaat-Generaal heeft gerequireerd buiten aanwezigheid van de verdachte en direct daarna heeft de Voorzitter het onderzoek ter terechtzitting gesloten verklaard.
4.4.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 maart 2006 houdt niet in dat het Hof, nadat de Voorzitter de verdachte tijdens het requisitoir van de Advocaat-Generaal bij wijze van ordemaatregel uit de zittingszaal had doen verwijderen, de verdachte, die niet door een raadsman werd bijgestaan, vervolgens op enig moment in de gelegenheid heeft gesteld om zonder ordeverstoringen bij de verdere behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn en het woord te voeren. Daarom moet er in cassatie van worden uitgegaan dat hem die gelegenheid niet is geboden.
4.5.
De onderhavige zaak kenmerkt zich door het volgende. De Advocaat-Generaal heeft tegen de verdachte de oplegging van een gevangenisstraf van twaalf jaren gevorderd. De verdachte werd op het moment dat hij uit de zittingszaal werd verwijderd niet door een raadsman bijgestaan. Gelet op art. 6 EVRM Pro had het Hof onder die omstandigheden na afloop van het requisitoir van de Advocaat-Generaal dienen na te gaan of de verdachte, binnen door de Voorzitter te bepalen grenzen van de orde op de terechtzitting, in staat en bereid zou zijn de verdediging te voeren. Niet blijkt dat het Hof een dergelijk onderzoek heeft verricht.
4.6.
Het middel slaagt derhalve.” [3]
2.8
Uit rechtsoverweging 4.5 van het hiervoor geciteerde arrest kan worden afgeleid dat de hoogte van de geëiste gevangenisstraf en het feit dat de verdachte niet werd bijgestaan door een raadsman omstandigheden zijn die het hof volgens de Hoge Raad hadden moeten nopen na te gaan of de verdachte alsnog in staat en bereid zou zijn de verdediging te voeren. De Hoge Raad verwijst hierbij naar art. 6 EVRM Pro.
2.9
A-G Machielse kwam in zijn conclusie voorafgaande aan het voornoemde arrest tot een andere uitkomst: hij meende dat de verdachte zichzelf buitenspel had geplaatst door ondanks herhaalde waarschuwingen zijn gedrag niet aan te passen en dat de rechter zodoende – mede gelet op de concrete omstandigheden in deze zaak – niet (meer) gehouden was tot enige actie om de uitoefening van het aanwezigheidsrecht te faciliteren. [4] Machielse vond dat van een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro geen sprake was.
Dat standpunt was overigens conform de gangbare opvatting toen Machielse zijn conclusie schreef. Ook Silvis spreekt in zijn commentaar op art. 273 lid 3 Sv Pro (bijgewerkt tot 1 februari 2003) over het ‘verspelen’ van het aanwezigheidsrecht. [5] Hij wijst erop dat de passage in art. 273 lid 3 Sv Pro, waarin is bepaald dat de behandeling van de zaak “op tegenspraak wordt voortgezet”, het mogelijk maakt dat het onderzoek wordt gesloten zonder dat de verdachte het laatste woord heeft gekregen. Bovendien heeft dit tot gevolg dat de raadsman zonder expliciet te hoeven verklaren dat hij tot de verdediging gemachtigd is ex art. 279 Sv Pro de verdediging kan voortzetten, zodat de verdachte niet zozeer zijn recht op verdediging heeft verspeeld, maar het recht daarbij aanwezig te zijn.
Kennelijk acht de Hoge Raad, zo volgt uit het arrest van 2007, dit standpunt te rigide. De omstandigheden van de zaak kunnen maken dat de rechter gehouden is een onderzoek te verrichten naar de mogelijkheid voor de verdachte om terug te keren in de zittingszaal. Dat betekent dat de discussie zich verplaatst naar de vraag welke omstandigheden een dergelijk onderzoek noodzakelijk maken.
2.1
Mevis bepleit in zijn noot bij het arrest om de onderzoekplicht ruim op te vatten, zodat de rechter die een verdachte uit de zittingszaal heeft verwijderd altijd – dus ook wanneer de verdachte een relatief lage straf boven het hoofd hangt – na enige tijd moet onderzoeken of de verdachte in staat is om terug te keren in de zittingszaal en zijn verdedigingsrechten uit te oefenen. Hij schrijft:
“De beslissing van de Hoge Raad is beperkt tot gevallen die worden gekenmerkt door hetgeen de Hoge Raad in O.4.5. beschrijft: er is een gevangenisstraf van twaalf jaar geëist en de verdachte werd, op het moment van zijn verwijdering, niet door een raadsman bijgestaan. (…) Zijn de door de Hoge Raad genoemde omstandigheden bepalend in die zin dat de opvatting van de Hoge Raad geen opgeld zou doen in gevallen waarin er voor de verdachte minder op het spel staat c.q. hij wel wordt bijgestaan door een raadsman? In elk geval in zoverre dat van de raadsman het initiatief mag worden verwacht aan te geven dat de verdachte naar zijn mening, al dan niet na een onderhoud met hem, raadsman, verdere ordeverstoringen achterwege zal laten. Maar in het strafprocesrecht ligt het accent toch eerst en vooral op hetgeen de verdachte persoonlijk naar voren wil brengen. Ook het laatste woord van art. 311 Sv Pro is een recht dat aan de verdachte persoonlijk toekomt. Tegen die achtergrond zal een gerecht ook in zaken waarin de verdachte door een raadsman wordt bijgestaan, in elk geval voor de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting het onderzoek moeten instellen dat de Hoge Raad in O.4.5. voorschrijft. Het belang dat het laatste woord van de verdachte dient, is voorts groot genoeg om niet onmiddellijk in te zien dat het onderzoek dat de Hoge Raad aanduidt achterwege kan blijven als er minder dan twaalf jaar gevangenisstraf op het spel staat.” [6]
En:
“De regel dat het gerecht in elk geval voor de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting onderzoekt of een verwijderde verdachte wellicht toch – onder voorwaarde van het achterwege laten van verdere ordeverstoringen – in staat is om het laatste woord te voeren en daar ook behoefte aan heeft, kan, als algemene regel, zelfs wel in het Wetboek van Strafvordering worden opgenomen.” [7]
2.11
Mij spreekt het standpunt van Mevis aan: met de plicht om in ieder geval te
onderzoekenof de uit de zittingszaal verwijderde verdachte kan terugkeren in de zittingszaal, wordt onderkend dat de verwijdering van de verdachte uit de zittingszaal een grote inbreuk maakt op zowel het aanwezigheidsrecht als de verdedigingsrechten van de verdachte, en wordt aan de verdachte de kans geboden deze inbreuk te herstellen. [8] Dat onderzoek hoeft overigens niet te resulteren in de terugkeer van de verdachte in de zittingszaal. Wanneer de rechter van oordeel is dat de verdachte onvoldoende tot bedaren is gekomen en zijn inschatting is dat het proces in aanwezigheid van de verdachte niet ordelijk kan verlopen, staat het de rechter vrij te beslissen dat de verdachte niet mag terugkeren. Maar het op zijn minst
instellenvan een onderzoek zie ik als een belangrijke waarborg in het licht van het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn en daar desgewenst het (laatste) woord te voeren. Dat geldt te meer wanneer de verdachte niet wordt bijgestaan door een raadsman. De verwijdering uit de zaal heeft dan tot gevolg dat het perspectief van de verdachte in het geheel niet meer naar voren kan worden gebracht. [9]
2.12
Voor het aannemen van een onderzoekplicht kan ook steun worden gevonden in de Straatsburgse jurisprudentie over het aanwezigheidsrecht. Ik wijs hier met name op twee arresten van de Grote Kamer waarin geoordeeld wordt over een klacht dat art. 6 EVRM Pro is geschonden, omdat de verdachte wegens ordeverstoringen uit de zittingzaal is verwijderd.
2.13
In de eerste zaak, Idalov t. Rusland [10] werd de verdachte niet bijgestaan door een raadsman en had de rechter de verdachte – na zijn verwijdering – aan het einde van de zitting weer toegelaten om het laatste woord te voeren. De verdachte had echter de inhoudelijke behandeling van zijn zaak, waaronder de bespreking van het bewijs inclusief de bespreking van de getuigenverklaringen waarop zijn veroordeling werd gebaseerd, niet kunnen bijwonen. Het EHRM oordeelde dat art. 6 lid Pro 3 c en d EVRM was geschonden en overwoog als volgt:
“177. The Court can accept that the applicant’s behaviour might have been of such a nature as to justify his removal and the continuation of his trial in his absence. However, it remained incumbent on the presiding judge to establish that the applicant could have reasonably foreseen what the consequences of his ongoing conduct would be prior to her decision to order his removal from the courtroom (see Jones, cited above).
178. The Court discerns nothing in the material in its possession to suggest that the judge had either issued a warning or considered a short adjournment in order to make the applicant aware of the potential consequences of his ongoing behaviour in order to allow him to compose himself. In such circumstances, the Court is unable to conclude that, notwithstanding his disruptive behaviour, the applicant had unequivocally waived his right to be present at his trial. His removal from the courtroom meant that he was not in a position to exercise that right. The judge proceeded to examine the evidence in his absence and it does not appear that she made any inquiries as to whether the applicant would agree to conduct himself in an orderly manner so as to permit his return to the trial.”
2.14
De tweede zaak, Marguš t. Kroatië, dateert uit 2014. [11] In deze zaak had de verdachte de orde verstoord door de
closing argumentsvan de officier van justitie te onderbreken. De verdachte werd twee keer gewaarschuwd door de rechter en bij een derde verstoring uit de zittingszaal verwijderd. De verdachte werd bijgestaan door een advocaat, die namens de verdachte het woord kon voeren ten behoeve van
de closing arguments. De rechter heeft de verdachte niet meer teruggeroepen om het laatste woord te voeren. Het EHRM achtte de verwijdering van de verdachte uit de zaal in deze zaak niet in strijd met art. 6 EVRM Pro, mede omdat de verdachte werd bijgestaan door een raadsman die de verdediging kon voortzetten. De Grote Kamer stelde zich achter het oordeel van de Kamer van het EHRM in deze zaak en overwoog als volgt:

2. Removal of the applicant from the courtroom
90. The Chamber made the following assessment of the applicant’s complaint:
“50. The Court firstly observes that its task is not to resolve the dispute between the parties as to whether the Osijek County Court acted in accordance with the relevant provisions of the Croatian Code of Criminal Procedure when it removed the applicant from the courtroom during the concluding hearing. The Court’s task is rather to make an assessment as to whether, from the Convention point of view, the applicant’s defence rights were respected to a degree which satisfies the guarantees of a fair trial under Article 6 of the Convention. In this connection the Court reiterates at the outset that the requirements of paragraph 3 of Article 6 are to be seen as particular aspects of the right to a fair trial guaranteed by paragraph 1 (see, among other authorities,
Balliu v. Albania, no. 74727/01, § 25, 16 June 2005). On the whole, the Court is called upon to examine whether the criminal proceedings against the applicant, in their entirety, were fair (see, among other authorities,
Imbrioscia v. Switzerland, 24 November 1993, Series A no. 275, § 38;
S.N. v. Sweden, no. 34209/96, § 43, ECHR 2002-V; and
Vanyan v. Russia, no. 53203/99, § 63-68, 15 December 2005).
51. The Court accepts that the closing arguments are an important stage of the trial, where the parties have their only opportunity to orally present their view of the entire case and all the evidence presented at trial and to give their assessment of the result of the trial. However, where the accused disturbs order in the courtroom the trial court cannot be expected to remain passive and to allow such behaviour. It is a normal duty of the trial panel to maintain order in the courtroom and the rules envisaged for that purpose apply equally to all present, including the accused.
52. In the present case the applicant was twice warned not to interrupt the closing arguments presented by the Osijek County Deputy State Attorney. Only afterwards, since he failed to comply, he was removed from the courtroom. However, his defence lawyer remained in the courtroom and presented his closing arguments. Therefore, the applicant was not prevented from making use of the opportunity to have the final view of the case given by his defence. In that connection the Court also notes that the applicant, who was legally represented throughout the proceedings, had ample opportunity to develop his defence strategy and to discuss with his defence lawyer the points for the closing arguments in advance of the concluding hearing.
53. Against this background, and viewing the proceedings as a whole, the Court considers that the removal of the applicant from the courtroom during the final hearing did not prejudice the applicant’s defence rights to a degree incompatible with the requirements of a fair trial.
54. Therefore, the Court considers that there has been no violation of Article 6 §§ 1 and 3 (c) of the Convention in this regard.”
91. The Grand Chamber endorses the Chamber’s reasons and finds that there has been no violation of Article 6 §§ 1 and 3 (c) of the Convention as regards the applicant’s removal from the courtroom.”
2.15
Ik leid uit deze uitspraken af dat een verwijdering uit de zittingszaal na een ordeverstoring onder omstandigheden kan worden beschouwd als het doen van afstand van het aanwezigheidsrecht of het ‘verspelen’ ervan. De rechter moet zich er wel voorafgaande aan die verwijdering van vergewissen dat de verdachte voldoende doordrongen is van de mogelijke consequenties van de voortzetting van zijn verstorende gedrag, met name dat verwijdering uit de zittingzaal hiervan het gevolg kan zijn. In zoverre voldoet de Nederlandse regeling aan dit vereiste, omdat in art. 273 lid 3 Sv Pro is vastgelegd dat de verdachte gewaarschuwd moet worden en pas daarna verwijderd kan worden. Daarbij ga ik ervan uit dat de verdachte niet alleen gewaarschuwd wordt zijn gedrag aan te passen, maar dat hem daarbij verteld wordt dat als hij dat niet doet, hij de zitting bij een volgende ordeverstoring niet verder mag bijwonen.
Uit de overweging van het EHRM in de zaak Idalov t. Rusland, dat er geen onderzoek is verricht of de verdachte kon terugkeren in de zittingszaal, leid ik af dat dit voor het EVRM een relevante factor is geweest bij de beoordeling van de klacht.
Is er wel een raadsman aanwezig die in staat wordt gesteld de belangen van de verdachte in diens afwezigheid te behartigen, dan kan dit naar Straatsburgse maatstaven kennelijk, zoals in de zaak Marguš t. Kroatië het geval was, een voldoende waarborg vormen om niet tot een schending van het recht op een eerlijk proces te komen.
2.16
Gelet op het al het voorgaande (randnummers 2.10-2.15) zou ik, samenvattend, de navolgende algemene uitgangspunten willen vooropstellen. Indien de verdachte wegens ordeverstoringen na herhaaldelijke waarschuwingen uit de zittingzaal wordt verwijderd, dient er een juiste balans te worden gevonden tussen het belang van ordehandhaving enerzijds en het recht van de verdachte ex art. 6 EVRM Pro om bij de behandeling van zijn eigen zaak aanwezig te zijn en daar het woord te voeren anderzijds. In dat verband mag in ieder geval van de rechter gevergd worden te onderzoeken of de verdachte bereid en in staat is om na zijn verwijdering zonder verdere ordeverstoringen opnieuw deel te nemen aan het onderzoek ter terechtzitting. Wordt de verdachte bijgestaan door een raadsman dan kan ik me voorstellen dat de raadsman daar op verzoek van de rechter een bemiddelende rol bij speelt.
2.17
Uitgangspunt zou dus moeten zijn dat op enig moment, voor de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting wordt nagegaan of de verdachte daaraan weer kan deelnemen, of hij nu wordt bijgestaan door een raadsman of niet. Ik realiseer mij dat ik een wat ruimere waarborg wil vooropstellen dan uit de zaak zaak Marguš t. Kroatië zou kunnen worden afgeleid, waarin de bijstand door een raadsman als afdoende waarborg werd gezien voor het recht op een eerlijk proces van de verwijderde verdachte. Die ruimere opvatting is naar mijn mening gerechtvaardigd gelet op het belang dat in de Nederlandse strafrechtspleging aan het laatste woord van de verdachte wordt toegekend. Het laatste woord van de verdachte is immers een recht dat de verdachte persoonlijk toekomt en waartoe de rechter hem op grond van art. 311 lid 4 Sv Pro de gelegenheid moet geven. [12] Het laatste woord biedt de verdachte de mogelijkheid om een persoonlijke noot toe te voegen aan hetgeen op het onderzoek ter terechtzitting aan de orde is geweest. Dat blijft van belang, ook indien de verdediging door een raadsman wordt gevoerd. De zelfstandige betekenis van het recht op het laatste woord werd recentelijk nog eens benadrukt in een arrest van de Hoge Raad van 3 september 2024. [13] Daarin overwoog de Hoge Raad dat het hof de verdachte, die werd bijgestaan door een raadsvrouw en ervoor had gekozen de zittingszaal te verlaten na door de voorzitter te zijn aangemaand om stil te zijn of buiten de zittingszaal te wachten, desondanks het recht had moeten laten het laatst te spreken. [14]
Daarbij merk ik op dat indien de rechter na het verrichte onderzoek tot de conclusie komt dat de verdachte welkom is om terug te keren naar de zittingszaal, het in de rede ligt dat de rechter overeenkomstige toepassing geeft aan art. 300 lid 2 Sv Pro, zodat de verdachte op de hoogte is van hetgeen zich in zijn afwezigheid heeft afgespeeld en hij zijn verdediging (inclusief het laatste woord) daarop kan afstemmen.
2.18
In de onderhavige zaak werd de verdachte uit de zittingszaal verwijderd tijdens het requisitoir van de advocaat-generaal, waardoor de verdachte niet de gelegenheid heeft gehad om in reactie op het requisitoir het woord tot verdediging te voeren of om te reageren op de in deze zaak ingediende vordering van de benadeelde partij. Hij kon ook het laatste woord niet voeren. Evenmin had hij een raadsman die zijn belangen gedurende zijn afwezigheid kon vertegenwoordigen, schorsing zou kunnen vragen om met hem te overleggen etc. Ik meen dat het hof in deze omstandigheden gehouden was de mogelijkheid voor de verdachte om terug te keren in de zittingszaal te onderzoeken.
2.19
Nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat het hof het onderzoek zoals hiervoor omschreven heeft verricht, is het middel terecht voorgesteld.

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Tegen het bevel tot verwijdering in de zin van art. 273 lid 3 Sv Pro staat geen cassatie open, omdat het een ordemaatregel betreft. Zie A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 15-16. Vgl. HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9897, NJ 2010/303 m. nt. Y. Buruma. In het nieuwe Wetboek van Strafvordering kan de rechter de bevoegdheid om de verdachte uit de zittingszaal te verwijderen baseren op art. 4.2.5 lid 1 Sv, dat luidt: “(d)e voorzitter heeft de leiding over het onderzoek op de terechtzitting en bewaakt de orde. Hij geeft daartoe de nodige bevelen”. De taakstelling tot ordebewaking komt in de huidige wet nog tot uitdrukking in verschillende bepalingen (o.a. art. 273 lid Pro 3, 286 lid 3, 288a lid 1 Sv), maar is in het nieuwe Wetboek van Strafvordering ondergebracht in één bepaling. Zie Kamerstukken II 2022/23, 36327, nr. 2, p. 150 en Kamerstukken II 2022/23, 36327, nr. 3, p. 922.
2.HR 9 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5025, NJ 2008/43 m. nt. Mevis.
3.HR 9 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5025, NJ 2008/43, m. nt. P. Mevis, r.o 4.3-4.5.
4.Zie zijn conclusie (onder 3.6) bij HR 9 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5025, NJ 2008/43 m. nt. P. Mevis.
5.J. Silvis, commentaar op art. 273 Sv Pro, in: A.L. Melai, M.S. Groenhuijsen e.a., WvSv, aant. 5.6 (bijgewerkt tot 1 februari 2003).
6.P.A.M. Mevis, annotatie bij: HR 9 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5025, NJ 2008/43, onderdeel 4.
7.Idem, onderdeel 5. Overigens wordt in art. 4.2.5 van het wetsvoorstel Nieuw Wetboek van Strafvordering niet voorzien in een regeling zoals door Mevis voorgesteld, zie Kamerstukken II 2022/23, 36327, nr. 3, p. 922.
8.Vgl. randnummer 2.11 in de conclusie van A-G Frielink bij HR 3 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1109, waarin hij schrijft dat het gelet op art. 6 EVRM Pro
9.Zie ook C.M. Pelser in T&C Sv, 2023, aant. 6 bij art. 273.
10.EHRM Grote Kamer, 22 mei 2012, no. 5826/03 (Idalov t. Rusland).
11.EHRM Grote Kamer, 27 mei 2014, no. 4455/10 (Marguš t. Kroatië).
12.M.J. Borgers, T. Kooijmans,
13.HR 3 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1109.
14.HR 3 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1109, rov. 2.3.