ECLI:NL:PHR:2023:966

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 oktober 2023
Publicatiedatum
28 oktober 2023
Zaaknummer
22/00810
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 511d lid 1 SvArt. 81 lid 1 ROlijst II Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn en afwijzing aanhoudingsverzoek wegens ziekte

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €109.483,- en de betrokkene verplicht tot betaling van €104.483,- aan de staat, rekening houdend met overschrijding van de redelijke termijn.

De betrokkene stelde drie cassatiemiddelen voor: het eerste middel betrof de afwijzing van het aanhoudingsverzoek wegens ziekte (nasleep COVID-19), het tweede middel klaagde over een vermeende tegenstrijdigheid in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerij, en het derde middel betrof overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.

De Hoge Raad oordeelde dat het eerste en tweede middel faalden. De afwijzing van het aanhoudingsverzoek was begrijpelijk en berustte op een zorgvuldige belangenafweging waarbij het belang van een behoorlijke strafvordering zwaarder woog dan het aanwezigheidsrecht van de betrokkene. Het tweede middel faalde vanwege een evidente verschrijving die niet tot vernietiging leidde.

Het derde middel slaagde echter, omdat de inzendtermijn in cassatie met ongeveer zes weken was overschreden. Dit leidde tot vermindering van het aan de staat te betalen bedrag wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor het overige werd het beroep verworpen.

Uitkomst: Het ontnemingsbedrag wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, het beroep wordt voor het overige verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00810 P

Zitting31 oktober 2023
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de betrokkene

Inleiding

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij uitspraak van 28 februari 2022 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 109.483,- en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van € 104.483,-, waarbij het hof rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 22/00785, 22/00747, 22/00871 en 22/00788. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. J. Zevenboom, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

4. Het eerste middel klaagt over de afwijzing van het aanhoudingsverzoek op de grond dat de betrokkene wegens ziekte is verhinderd om op de terechtzitting te verschijnen.
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2022 houdt omtrent dit verzoek het volgende in:
“De raadsman deelt mee:
Vorige week besprak ik de zaak telefonisch met cliënt. Op 6 januari 2022 is hij positief getest op corona. Vervolgens moest hij tien dagen in isolatie. Ik heb hem gezegd dat het de voorkeur heeft dat hij ter zitting aanwezig is, maar hij heeft nog steeds klachten. Vandaag is de laatste dag dat hij thuis moet blijven. Ik heb de testuitslag per e-mail ontvangen en aan uw hof en de advocaat-generaal doorgestuurd (opmerking griffier: de testuitslag is vandaag om 09:46 uur per e-mail binnengekomen bij het hof). Ten aanzien van de inhoud van de zaak heb ik een andere berekening toegestuurd. Daarover heeft cliënt nog wel iets te zeggen. Ik verzoek u daarom de behandeling van de zaak aan te houden.
De advocaat-generaal deelt mee:
Er is geen doktersverklaring waaruit blijkt dat de klachten zodanig zijn dat betrokkene niet naar de zitting kan komen. De zaak speelt al jaren en iedereen is erbij gebaat als die vandaag inhoudelijk wordt behandeld. Ook als de conclusie is dat betrokkene niet mag verschijnen, kan de zaak vandaag worden afgedaan, bijvoorbeeld via videobellen. Bovendien is de raadsvrouw gemachtigd. Het strafvorderlijk belang weegt daarom zwaarder dan het aanwezigheidsrecht van betrokkene. Ik verzet mij dan ook tegen aanhouding van de zaak.
De raadsman deelt mee:
Het is onzin om een doktersverklaring te verlangen. Als je met coronaklachten bij de dokter komt, word je naar huis gestuurd. Cliënt wil aanwezig zijn en verklaren over de verdeling van de opbrengst, zeker in relatie tot de vandaag te horen getuige Van Meegdenburg. Overigens ben ik wel voorbereid op dat verhoor.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek om de raadsman gelegenheid te geven contact met zijn cliënt op te nemen.
De voorzitter hervat het onderzoek.
De raadsman deelt mee:
Ik heb contact gehad met cliënt. Hij beschikt niet over de mogelijkheden om te videobellen. Eventueel kan hij telefonisch iets zeggen. Ook heb ik summier via whatsapp zijn standpunt vernomen.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.
De voorzitter hervat het onderzoek.
De raadsman deelt mee:
Ik persisteer bij het aanhoudingsverzoek. Subsidiair kan cliënt zijn standpunt telefonisch of via whatsapp toelichten. De zaken van medebetrokkene [betrokkene 1] (1984) en cliënt zijn zodanig verknocht dat deze samen moeten worden behandeld. Als de zaak van de medebetrokkene wordt aangehouden, moet die van cliënt ook worden aangehouden.
De voorzitter stelt vast en beslist op:
Deze zaak betreft een ontnemingszaak en geen strafzaak. De strafzaken zijn inmiddels afgedaan en er zijn in dat proces veel momenten van bespreking tussen de raadslieden en de betrokkenen geweest. Er zijn bovendien schriftelijke conclusies uitgewisseld. Daarnaast is het hof van oordeel dat de zes voorliggende zaken in dit onderzoek zodanig verweven zijn dat ze bij elkaar moeten blijven. Verder speelt het tijdsverloop een rol. Tot slot is de raadsvrouw gemachtigd. Op grond van het voorgaande wijst het hof het verzoek tot aanhouding van de zaak af.”
Het beoordelingskader voor verzoeken om schorsing wegens verhindering door ziekte van de betrokkene (in ontnemingszaken)
6. In deze zaak heeft de gemachtigde raadsman verzocht om schorsing van het onderzoek ter terechtzitting op de grond dat de betrokkene wegens ziekte (de nasleep van COVID-19) is verhinderd om ter terechtzitting te verschijnen. Het hof heeft de aannemelijkheid van de reden voor de verhindering in het midden gelaten en is ter beoordeling van het verzoek overgegaan tot een belangenafweging die het in de motivering van de afwijzende beslissing tot uitdrukking heeft gebracht. De rechter kan het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die ten grondslag is gelegd aan een aanhoudingsverzoek achterwege laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd – ware het juist – in de afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt. [1]
7. In het specifieke geval dat de betrokkene wegens ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of heeft doen verzoeken, voldoet de rechter aan dit verzoek zodat de betrokkene alsnog de gelegenheid krijgt aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering – dat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat – ernstig in het gedrang zou komen, wanneer het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de betrokkene om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. Buiten deze situatie van verhindering wegens ziekte van de betrokkene geldt in het algemeen dat niet op voorhand kan worden aangegeven hoe vorenstaande belangenafweging zal moeten uitvallen. De rechter dient deze afweging te maken in de concrete omstandigheden van het geval en, bij afwijzing van het verzoek tot aanhouding, de daarop gebaseerde beslissing te motiveren. In cassatie kan die motivering alleen op haar begrijpelijkheid worden getoetst. [2]
8. Het hiervoor beschreven beoordelingskader, dat betrekking heeft op verzoeken tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting die verband houden met het in artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde aanwezigheidsrecht, is niet alleen in strafzaken, maar ook in ontnemingszaken van toepassing. Bij de toepassing hiervan in ontnemingszaken komt – in het bijzonder waar het gaat om de afweging van alle bij de aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen – mede betekenis toe aan de mogelijkheid van een schriftelijke voorbereiding als bedoeld in artikel 511d lid 1, tweede volzin, Sv, in die zin dat zo’n voorbereiding eraan kan hebben bijgedragen dat de betrokkene al voorafgaand aan de behandeling van de ontnemingsvordering op de terechtzitting zijn zienswijze heeft kunnen uiteenzetten. [3]

De bespreking van het middel

9. In de door het hof uitgevoerde belangenafweging heeft het hof in aanmerking genomen dat het hier een ontnemingszaak betreft, dat in de aanloop naar de zitting(en) schriftelijke standpunten zijn uitgewisseld en er op de zitting een gemachtigde raadsman aanwezig was, die naar zijn mededelingen ook in staat was inhoudelijk de verdediging te voeren, voorbereid was op het verhoor van een getuige en telefonisch en via WhatsApp in contact stond met zijn cliënt. De vragen die de betrokkene aan de getuige had, konden dus ook via de raadsman worden gesteld. Daarbij komt dat de ontnemingszaak samenhing met andere ontnemingszaken, die in verband met een efficiënte rechtspleging naar het oordeel van het hof bij elkaar moesten worden gehouden. Tot slot, zo blijkt ook uit de motivering van het hof, had de afdoening van de profijtontneming nadat op de zitting van 18 december 2018 was besloten tot aanhouding voor het verhoor van getuigen, reeds geruime tijd in beslag genomen.
10. In deze overwegingen van het hof ligt besloten dat het belang van een behoorlijke strafvordering – dat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat – ernstig in het gedrang komt indien het onderzoek ter terechtzitting opnieuw zou worden geschorst en dat dit belang zwaarder moet wegen dan het belang van de betrokkene bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting. Ik acht de belangenafweging die door het hof is gemaakt, onder deze omstandigheden niet onbegrijpelijk. [4] , [5] Daardoor faalt het middel.

Het tweede middel

11. Het tweede middel klaagt dat het hof bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij aan de [a-straat] (zaakdossier 8) “
in weerwil van het genomen uitgangspunt” van één oogst, is uitgaan van drie oogsten.
12. Het bestreden arrest houdt in (p. 13-16):
“Zaaksdossier 8: hennepkwekerij [a-straat 1] in Amerongen
(…)
Bewijsmiddelen
Op 11 februari 2013 is in een bedrijfsruimte gelegen aan de [a-straat 1] in Amerongen een in werking zijnde kwekerij aangetroffen met twee kweekruimten en (in totaal) 629 planten. In ruimte 1 waren de planten ongeveer 9 weken oud, in ruimte 2 ongeveer 7 weken oud. Monsters van de planten gaven bij het testen een positieve reactie: het gaat om hennepplanten van het geslacht Cannabis, zoals vermeld op lijst II van de Opiumwet. De eigenaar van het pand was [betrokkene 2].
In ruimte I van de hennepkwekerij is een boodschappentas veiliggesteld. Op deze tas worden dactyloscopische sporen aangetroffen, waaronder SIN AAEU9462NL. Het spoor AAEU9462NL is geïdentificeerd als een afdruk, voorkomend op het vingerafdrukkenblad van [betrokkene].
[betrokkene 2] heeft verklaard dat hij het achterste deel van het pand aan de [a-straat 1] te Amerongen heeft verhuurd. [betrokkene 3] huurde dat deel voor € 2.500,- vanaf 1 juni 2011.
(…)
[betrokkene 4] heeft namens Stedin aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit betreffende het adres [a-straat 1] te Amerongen. Er zijn aanwijzingen voor drie eerdere oogsten. Als pleegperiode is uitgegaan van 14 mei 2012 tot en met 11 februari 2013.
Berekening voordeel zaaksdossier 8
Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt het hof als uitgangspunten:
- één (eerdere) oogst,
- een kweekperiode van tien weken per oogst,
- een totaal aantal van 629 hennepplanten,
- een verkoopprijs van € 3.280,- per kilogram hennep,
- een inkoopprijs van € 2,85 per hennepstek,
- variabele kosten van € 3,33 per hennepplant, en
- knipkosten van € 2,- per hennepplant.
(…)
Dat levert de volgende totalen aan netto opbrengst, kosten voor katvangers/loopjongens enwederrechtelijk voordeel op.
Totale netto opbrengst € 45.186,76 * 3 = € 135.560,28
Kosten katvangers (10 %) € 135.560,29 * 0.1 = € 13.556,03 -
Wederrechtelijk voordeel = € 122.004,25
(…)
Telefoonkaart € 20,00 * 3 = € 60,00
Alarmsysteem € 11,65 * 3 = € 34,95
Reiskosten kwekerij € 82,80 * 3 = € 264,60
Reiskosten The Flower Tower € 50,00 * 3 = € 150,00
Aanleg elektra = € 500.00 +
Totaal = € 1.009,55”
13. Het hof heeft de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op inkomsten die zijn gegenereerd door de bewezen verklaarde strafbare feiten. De bewezenverklaring behelst een langere periode (“
van 18 november 2011 tot en met 27 februari 2013”). [6] Dat betreft een periode waarin, gelet op de duur van de kweekcyclus van “
tien weken per oogst”, [7] meer oogsten passen.
14. Het hof heeft daarnaast gewezen op de verklaring van de (over deskundigheid beschikkende) getuige [betrokkene 4], die naar zijn zeggen aanwijzingen heeft gevonden voor drie eerdere oogsten. [8] In de aangifte van [betrokkene 4] (namens Stedin) is voor wat betreft deze kwekerij uitgegaan van een pleegperiode van 14 mei 2012 tot en met 11 februari 2013. Op zichzelf wordt tegen de begrijpelijkheid van de hiervoor weergegeven becijfering van het voordeel géén klacht geformuleerd.
15. Het gaat de steller van het middel daarentegen om de volgende tegenstrijdigheid in het arrest. Zoals hierboven aangehaald, heeft het hof op p. 14 van het bestreden arrest voor wat betreft de onderwerpelijke kwekerij meegedeeld dat het uitgaat van “
één (eerdere) oogst”, en dus niet van drie. Naar mijn inzicht betreft dit echter een evidente verschrijving. Het hof heeft ook de kosten die zijn gemoeid met de kwekerij vermenigvuldigd met drie, zodat ook daarin een aanwijzing kan gevonden dat het hier om een verschrijving gaat.
16. Ten overvloede merk ik op dat ten aanzien van deze kwekerij alleen verweer is gevoerd over het aandeel van anderen in de winst van deze kwekerij, niet over het aantal oogsten. Daarnaast gaat de verdediging in de pleitnota zoals deze bij de rechtbank is voorgehouden en overgelegd, zelf ook uit van drie oogsten.
17. Het tweede middel faalt.

Het derde middel

18. Het derde middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
19. Op 9 maart 2022 is namens de betrokkene beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 19 december 2022 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ongeveer zes weken overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. De overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot vermindering van het aan de staat te betalen bedrag.

Slotsom

20. Het eerste en het tweede middel falen en kunnen met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan. Het derde middel slaagt.
21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het aan de staat te betalen bedrag. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:477, rov. 2.3; HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:5,
2.HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:477, rov. 2.3, onder verwijzing naar: HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1896, rov. 2.3. Zie voorts:
3.Zie bijvoorbeeld HR 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:353,
4.Ik verwijs voor gevalsvergelijking naar de vier volgende uitspraken. De afwijzing van het aanhoudingsverzoek (na een specifiek op verhindering wegens ziekte toegesneden belangenafweging van het hof) hield in cassatie stand in:
5.Voor de volledigheid maak ik melding van vijf ziektegevallen waarin de Hoge Raad casseerde. Het gaat hier om gevallen waarin het hof
6.Arrest p. 3.
7.Arrest p. 14, hierboven aangehaald.
8.Arrest p. 14, hierboven aangehaald. In de door mij niet overgenomen voetnoot heeft het hof een verwijzing opgenomen naar: “