ECLI:NL:PHR:2023:906

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 oktober 2023
Publicatiedatum
12 oktober 2023
Zaaknummer
23/02182
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 188 SrArt. 36f SrArt. 38v SrArt. 126n Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening ten voordele wegens valsheid aangiften en misbruik persoonsgegevens in belagingzaak

De aanvrager werd in 2019 veroordeeld voor belaging, bedreiging en eenvoudige belediging via sms- en Facebookberichten aan de aangeefster. De rechtbank achtte bewezen dat de berichten van de aanvrager afkomstig waren, ondanks diens ontkenning dat anderen zijn gegevens en telefoonnummers misbruikten. Na het onherroepelijk vonnis deed de aangeefster meerdere keren aangifte wegens nieuwe belagingen, waarna politieonderzoek ernstige verdenkingen opleverde dat zij valse aangiften deed en berichten zelf produceerde met behulp van een sms-dienst die het mogelijk maakte berichten te versturen met een ander telefoonnummer als afzender.

Nieuw onderzoek naar historische verkeersgegevens toonde aan dat sms-berichten die als bewijs dienden niet in de verkeersgegevens van de telefoonnummers van de aanvrager terug te vinden waren, en dat voorafgaand aan deze berichten steeds werd gebeld naar een nummer van een sms-dienst. De aangeefster bekende meerdere valse aangiften en het aanmaken van valse social media-accounts op naam van de aanvrager. Dit nieuwe bewijs ondermijnt de bewijsvoering die ten grondslag lag aan de veroordeling.

De Procureur-Generaal concludeert dat de nieuwe gegevens, die bij de eerdere rechtspraak niet bekend waren, het ernstige vermoeden wekken dat het onderzoek bij bekendheid tot vrijspraak had geleid. De Hoge Raad verklaart daarom de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/02182 H

Zitting17 oktober 2023
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[aanvrager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de aanvrager
De aanvrager is bij onherroepelijk geworden vonnis van 5 maart 2019 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, veroordeeld wegens (i) “belaging”, (ii) “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling, verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid” (meermalen gepleegd) en (iii) “eenvoudige belediging” (meermalen gepleegd) tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank heeft bijzondere voorwaarden gesteld, zoals nader omschreven in het vonnis. Ook heeft de rechtbank de maatregel als bedoeld in artikel 38v e.v. Sr opgelegd voor de duur van drie jaren, met een contactverbod en een locatieverbod, zoals nader omschreven in het vonnis. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 5.736,31, vermeerderd met de wettelijke rente, met toepassing van de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr. Namens de aanvrager is hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de rechtbank. Bij arrest van 29 oktober 2020 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, is de aanvrager in het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het vonnis van de rechtbank onherroepelijk is geworden.
Namens de aanvrager heeft J.J.A.P. van Breukelen, advocaat te Arnhem, bij verzoekschrift van 1 juni 2023 een aanvraag tot herziening van het genoemde vonnis ingediend. [1] Bij de aanvraag is een aantal bijlagen gevoegd, op de inhoud waarvan zo nodig in het vervolg zal worden ingegaan.

De zaak

3. In deze zaak is de aanvrager veroordeeld wegens (samengevat) belaging, bedreiging en belediging in verband met sms- en Facebookberichten aan het adres van de aangeefster. De rechtbank heeft vastgesteld dat de berichten die de aangeefster via Facebook (-Messenger) had ontvangen, waren verstuurd met accounts met de profielnaam van de verdachte. Uit onderzoek naar de telefoonnummers waarvan de sms-berichten afkomstig zouden zijn, kwam naar voren dat twee van de nummers op naam stonden van de verdachte, terwijl de rechtbank ook de andere twee nummers in verband met de verdachte bracht. De aanvrager heeft ter terechtzitting ontkend de in de tenlastelegging opgenomen berichten te hebben verstuurd en de Facebookprofielen te hebben aangemaakt. Hij stelde dat anderen gebruik hebben gemaakt van zijn telefoon en simkaarten en dat er sprake is van een wraakactie waarbij zijn gegevens en zijn telefoonnummers zijn misbruikt en valse Facebook-accounts zijn aangemaakt. De rechtbank oordeelde dat deze lezing “op geen enkele wijze aannemelijk is geworden” en heeft het verweer verworpen. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de in de tenlastelegging opgenomen berichten van de aanvrager afkomstig waren. De herzieningsaanvraag heeft betrekking op dit – onherroepelijk geworden – vonnis (hierna: het vonnis).
4. Ook nadat het vonnis onherroepelijk is geworden, heeft de aangeefster zich tot de politie gewend omdat de aanvrager haar zou blijven lastigvallen. In de periode van 13 januari 2020 tot en met 15 juni 2021 heeft de aangeefster in totaal zeven keer aangifte gedaan tegen de aanvrager ter zake van belaging en bedreiging. Nadat de aangeefster op 14 mei 2021 aangifte had gedaan, met als strekking dat de aanvrager op de desbetreffende dag haar mogelijk zou opwachten met een vuurwapen voor het ziekenhuis waar aangeefster werkzaam was, heeft de politie uitgebreid opsporingsonderzoek verricht. Enkele weken later heeft de aangeefster tevens het programma
‘Zeeman Confronteert: Stalkers’benaderd. Het politieonderzoek heeft feiten en omstandigheden opgeleverd die een verdenking van de aangeefster ter zake van onder meer het doen van valse aangiften als bedoeld in art. 188 Sr Pro opleverden. Op 29 oktober 2021 heeft de aangeefster tijdens een politieverhoor [2] bekend dat nagenoeg al haar meldingen en aangiften na de melding van 13 januari 2020 vals waren. Ook de programmamakers kwamen op basis van onderzoek van een ingeschakelde privédetective tot de conclusie dat de aangeefster de aanvrager valselijk had beschuldigd en confronteerden haar met deze resultaten. Bij deze confrontatie erkende zij zelf berichten te hebben verstuurd waarvan zij eerder had doen voorkomen alsof deze van de aanvrager afkomstig waren.
5. De hiervoor genoemde bekentenissen strekten zich niet uit tot de berichten die aan het veroordelend vonnis ten grondslag zijn gelegd. De onderzoeksresultaten vormden wel aanleiding voor nader onderzoek dat de politie in opdracht van de officier van justitie heeft verricht naar de onderzoeksgegevens die voortvloeiden uit de processtukken in de strafzaak. Dit onderzoek leverde resultaten op die mede ten grondslag zijn gelegd aan de voorliggende herzieningsaanvraag.
6. In mei 2023 heeft het Openbaar Ministerie aangekondigd de aangeefster te vervolgen voor (samengevat) het doen van valse aangiften, het misbruiken van identificerende persoonsgegevens, valsheid in geschrift, laster en bedreiging in 2020 en 2021. Ten aanzien van de feiten waarvoor de aanvrager in 2019 is veroordeeld, geldt dat het Openbaar Ministerie de aangeefster ervan verdenkt valse aangiften te hebben gedaan en identificerende persoonsgegevens van de aanvrager te hebben misbruikt. Ook deze feiten zijn in de tenlastelegging in de strafzaak tegen de aangeefster opgenomen. Uit navraag bij het Openbaar Ministerie bleek dat in deze strafzaak nog geen zittingsdatum is bepaald.

De aanvraag

7. De aanvraag is gestoeld op de stelling dat uit de resultaten van het nader opsporingsonderzoek blijkt dat het zeer waarschijnlijk is dat de aangeefster de feiten waarvoor de aanvrager is veroordeeld in scène heeft gezet door (vals) bewijs te produceren, onder meer met behulp van een internetservice. Met deze internetservice kon de aangeefster sms-berichten aan zichzelf sturen en het daarbij doen voorkomen alsof de berichten afkomstig waren van telefoonnummers van de aanvrager. Daarnaast wordt gesteld dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat ook de Facebook (Messenger)-berichten door de aangeefster zelf zijn verstuurd met behulp van op naam van de aanvrager gemaakte Facebook-accounts.
8. Ter onderbouwing van de aanvraag is daarbij een aantal stukken gevoegd, aan de authenticiteit waarvan niet hoeft te worden getwijfeld. Het gaat, afgezien van de documenten die behoren tot de processtukken in de strafzaak die heeft geleid tot het vonnis, om de volgende documenten:
- een proces-verbaal van bevindingen, inclusief bijlage, van 15 januari 2022, waarin onder meer de aan de politie vrijwillig overgedragen onderzoeksresultaten van de door het televisieprogramma ingeschakelde senior rechercheur zijn weergegeven (bijlage 2);
- een (stam)proces-verbaal van 3 december 2022, waarin het verloop en de resultaten van het opsporingsonderzoek zijn samengevat (bijlage 3);
- een proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2021, waarin verslag wordt gedaan van de resultaten van het onderzoek naar de afzender en ontvanger van de sms-berichten van juni 2021, (samengevat) inhoudende dat niet blijkt dat – op basis van gevorderde gegevens – sms-berichten die zijn ontvangen op het mobiele nummer van de aangeefster afkomstig zijn van het telefoonnummer van de aanvrager (bijlage 4);
- een proces-verbaal van bevindingen van 17 juli 2021, waarin onder meer verslag wordt gedaan van de resultaten van het onderzoek naar inkomende oproepen van juni 2021 op het telefoonnummer van de aangeefster, inhoudende dat niet blijkt dat de inkomende oproepen afkomstig zijn van telefoonnummers die in verband kunnen worden gebracht met de aanvrager (bijlage 5);
- een proces-verbaal van bevindingen, inclusief bijlage, van 26 november 2021 inhoudende de schriftelijke weergave van de vrijwillig aan de politie (per e-mail) overgedragen beeldopnamen van het genoemde televisieprogramma, waarin de presentator van het programma de aangeefster confronteert met de resultaten van het onderzoek dat is verricht door en/of voor het televisieprogramma (bijlage 6);
- (een deel van) een proces-verbaal van 29 oktober 2021 van het verhoor van de aangeefster als verdachte (bijlage 7);
- een proces-verbaal van 13 december 2021 van aangifte van de aanvrager jegens de aangeefster over de aangiften en/of meldingen die vanaf januari 2020 zijn gedaan (bijlage 8);
- een proces-verbaal van 2 december 2022 van aangifte van de aanvrager jegens de aangeefster over de aangiften en/of meldingen die in 2017 zijn gedaan (bijlage 9);
- een (stam)proces-verbaal van 25 januari 2023, waarin een samenvatting van de resultaten van het opsporingsonderzoek naar de aangeefster met betrekking tot de aangiften en/of meldingen in de jaren 2017 t/m 2019 zijn weergegeven (bijlage 10);
- een proces-verbaal van bevindingen van 11 januari 2023, waarin de resultaten van de nadere analyse van de onderzoeksresultaten van het opsporingsonderzoek dat heeft geleid tot de veroordeling van aanvrager zijn weergegeven (bijlage 11);
- een uitdraai van mailcorrespondentie van oktober 2022 tussen een opsporingsambtenaar van de politie en de – later tevens bij de politie als getuige gehoorde - vertegenwoordiger van een besloten vennootschap over de diensten die via
www.anoniemesms.nlworden aangeboden, naar aanleiding van nadere analyses van de destijds gevorderde historische verkeersgegevens van de aangeefster (bijlage 15);
- een proces-verbaal van 4 november 2022 van het verhoor van de bedoelde getuige (bijlage 16);
- een proces-verbaal van bevindingen van 17 december 2022, waarin verslag is gedaan van de resultaten van nader onderzoek naar historische verkeersgegevens die onderdeel uitmaakten van het dossier dat heeft geleid tot de veroordeling van de aanvrager in 2019 (bijlage 17);
- een proces-verbaal van bevindingen van 23 november 2022 over de wijze waarop
www.anoniemesms.nlwerkt (bijlage 18);
- een brief van de officier van justitie van 4 mei 202[3] [3] aan de raadsman van de aanvrager, met als bijlage de (concept-)tenlastelegging in de strafzaak tegen de aangeefster (bijlage 22).

Het wettelijk criterium

9. Ingevolge het bepaalde in art. 457, eerste lid, aanhef en onder c, Sv kan als grondslag voor een herziening dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt en wel zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling. [4]

De bewezenverklaring en de overwegingen ten aanzien van het bewijs

10. De rechtbank heeft ten laste van de aanvrager het volgende bewezen verklaard:
“Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het
onder de feiten 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij in de periode van 29 september 2017 tot en met 1 november 2017 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een persoon genaamd [benadeelde] , met het oogmerk die [benadeelde] , te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte toen daar meermalen
- die [benadeelde] sms berichten gestuurd en
- die [benadeelde] via sociale media benaderd en
- beledigende en bedreigende teksten en foto's naar die [benadeelde] via digitale
kanalen gestuurd.
2.
hij op verschillende tijdstippen in de periode van 29 september 2017 tot en met 1 november 2017 in Nederland [benadeelde] telkens heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling en/of met verkrachting en/of met feitelijke aanranding van de
eerbaarheid door telkens die [benadeelde] dreigend schriftelijk via digitale kanalen
onder andere de woorden toe te voegen (…) [5]
4.
hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks 29 september 2017 tot en met
1 november 2017 in Nederland telkens opzettelijk [benadeelde] , in het openbaar schriftelijk, heeft beledigd, door haar telkens (via social media) de woorden/teksten toe te voegen: (…) [6]
11. De rechtbank heeft in de bewijsoverwegingen vastgesteld dat de aangeefster in de periode van 29 september 2017 tot en met 27 oktober 2017 de in de bewezenverklaring genoemde berichten met een beledigende en/of bedreigende strekking heeft ontvangen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat zulks niet ter discussie staat. Ten aanzien van de betrokkenheid van de aanvrager heeft de rechtbank, voor zover relevant en met weglating van voetnoten, het volgende overwogen:
“De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte de persoon is geweest
die de betreffende berichten naar aangeefster heeft gestuurd. De rechtbank overweegt als volgt.
De berichten die aangeefster via Facebook Messenger heeft ontvangen zijn allemaal verstuurd
met een account met de profielnaam ‘ [aanvrager] ’.
De sms-berichten die aangeefster heeft ontvangen zijn, met uitzondering van enkele anonieme
berichten, afkomstig van de volgende telefoonnummers:
- [telefoonnummer 1] ;
- [telefoonnummer 2] ;
- [telefoonnummer 3] ;
- [telefoonnummer 4] .
Er is onderzoek verricht naar deze telefoonnummers en hieruit is het volgende naar voren gekomen.
Uit een bevraging bij het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT) bleek dat de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] op naam staan van verdachte. Uit onderzoek naar het telefoonnummer [telefoonnummer 2] kwamen daarnaast vier IMEI-nummers naar voren. Bij de bevragingen van de IMEI-nummers kwam onder meer naar voren dat met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] in de periode van 29 september 2017 tot en met 30 oktober 2017 116 keer contact was geweest met het telefoonnummer van de vader van verdachte. Uit deze bevragingen kwamen tevens de telefoonnummers [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] naar voren. Met het telefoonnummer [telefoonnummer 3] bleek in voornoemde periode drie keer contact te zijn geweest met het telefoonnummer van de vader van verdachte.
Daarnaast zijn de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] te zien op een foto waarop verdachte staat afgebeeld en die wordt gebruikt als profielfoto van een Facebook-account met de profielnaam ‘ [aanvrager] ’. Het telefoonnummer [telefoonnummer 4] is zichtbaar op een foto waarop verdachte staat afgebeeld en die gebruikt wordt bij een social media-account met de profielnaam ‘ [aanvrager] .’
Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend de berichten te hebben gestuurd en de Facebook-profielen te hebben aangemaakt. Hij stelt dat anderen gebruik hebben gemaakt van zijn telefoon
en simkaarten en dat er sprake is van een wraakactie waarbij zijn gegevens worden misbruikt, valse Facebook-accounts worden aangemaakt en zijn telefoonnummer wordt misbruikt.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van een dergelijk verweer als maatstaf dient te worden aangelegd of – alle feiten en omstandigheden in ogenschouw nemende – dit verweer al dan niet in meer of mindere mate aannemelijk is geworden. Het is aan de verdachte om die feiten en omstandigheden aan te voeren. Volgens vaste jurisprudentie mag de rechter, naast de weerlegging in de bewijsmotivering, ook de onwaarschijnlijkheid, onaannemelijkheid en/of de ongeloofwaardigheid van alternatieve scenario’s in zijn oordeelsvorming betrekken. In het onderhavige geval heeft de verdediging geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die erop wijzen dat een ander dan verdachte gebruik heeft gemaakt van zijn telefoonnummers en social media-accounts die onder zijn naam zijn aangemaakt. Daarvoor bevinden zich ook geen aanwijzingen in het dossier. Integendeel, het feit dat met twee telefoonnummers van verdachte –in de periode dat de berichten werden verstuurd – meermaals contact is geweest met het telefoonnummer van de vader van verdachte vormt voor de rechtbank juist een aanwijzing dat verdachte deze nummers zelf gebruikte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verweer van de verdediging op geen enkele wijze aannemelijk is geworden en verwerpt dit verweer.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de persoon is geweest die de sms- en Facebook-berichten naar aangeefster heeft gestuurd. Dit vindt
ook nog bevestiging in de omstandigheid dat verdachte ter terechtzitting ten aanzien van het Facebook-bericht van 15 oktober 2017, beginnend met “Door jou is [aanvrager] zwerver.”, heeft verklaard dat dit wel van hem afkomstig is.
Ook ten aanzien van de berichten die anoniem naar aangeefster zijn gestuurd acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat ze van verdachte afkomstig zijn. Gelet op het feit dat deze berichten naar hun aard en inhoud naadloos passen in het patroon van de overige berichten ziet de rechtbank geen enkele aanleiding eraan te twijfelen dat ook deze berichten van verdachte afkomstig waren.”
12. De rechtbank heeft daarmee in de kern op basis van het volgende bewezen geacht dat de verdachte degene is geweest die de in de bewezenverklaring genoemde berichten heeft verstuurd. Allereerst heeft de rechtbank vastgesteld dat de berichten die via Facebook (Messenger) zijn verstuurd, afkomstig zijn van (een of meer) accounts met de profielnaam van de aanvrager met daarbij een profielfoto van de aanvrager. [7] De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de telefoonnummers waarmee berichten zijn verstuurd in verband zijn te brengen met de aanvrager. Het verweer van de verdediging – dat gegevens en telefoonnummers van de aanvrager zijn misbruikt en dat valse Facebook-accounts zijn aangemaakt – wordt verworpen. De rechtbank achtte deze lezing
‘op geen enkele wijze aannemelijk’geworden. Ten aanzien van de anoniem verstuurde berichten overweegt de rechtbank dat deze berichten
‘naar hun aard en inhoud’passen in het patroon van de overige berichten. Daardoor
‘ziet de rechtbank geen enkele aanleiding’eraan te twijfelen dat ook deze berichten van de aanvrager afkomstig waren.

De onderbouwing en de beoordeling van de aanvraag

13. Aan de aanvraag zijn de resultaten van het sinds 2021 uitgevoerde opsporingsonderzoek ten grondslag gelegd. [8] Ik begrijp de aanvraag aldus, dat de resultaten van het onderzoek naar de nieuwe aangiften van 2020 en 2021 en de resultaten van het nadere onderzoek naar de in 2017 gestuurde berichten worden aangemerkt als gegevens die bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend waren en die, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnen, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien deze gegevens bekend zouden zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van de aanvrager. Tegen deze achtergrond zal ik de aanvraag bespreken.
14. Daarbij stel ik voorop dat de uitkomsten van nieuw onderzoek in verband moeten worden gezien met de bewijsvoering in het vonnis (
‘in verband met de vroeger geleverde bewijzen’). Het gewicht van de nieuwe gegevens is afhankelijk van de draagkracht van de bewijsconstructie. [9] Hoe meer solide de bewijsconstructie is, des te meer is nodig om te tornen aan het fundament van de bewezenverklaring. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen de resultaten van onderzoek naar aanleiding van meldingen en aangiften uit 2020 en 2021 enerzijds en onderzoek dat betrekking heeft op de aangiften uit 2017 in de zaak die heeft geleid tot het vonnis anderzijds.
15. De eerstgenoemde onderzoeksresultaten hebben primair betrekking op andere feiten dan de bewezen verklaarde. Deze kunnen echter wel een nieuw licht werpen op een onderdeel van de bewijsmotivering, te weten de verwerping van het door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario, inhoudende dat gegevens en telefoonnummers van de aanvrager zijn misbruikt en dat valse Facebook-accounts zijn aangemaakt. De rechtbank achtte dit scenario ‘op geen enkele wijze aannemelijk geworden’, maar de bodem onder deze motivering verandert in glad ijs als ten aanzien van latere aangiften uit technisch onderzoek en uit verklaringen van de aangeefster naar voren komt dat sprake is van een werkwijze die naadloos past bij het in de eerdere strafzaak aangevoerde alternatieve scenario. In wezen doet zich daarbij een spiegelbeeldige situatie voor van het gebruik van schakelbewijs, dat door de Hoge Raad in beginsel toelaatbaar wordt geoordeeld. Daarbij gaat het om een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit een of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij een of meer andere strafbare feiten betrokken was. De vraag of de redengevendheid van dergelijk – in diverse varianten voorkomend – schakelbewijs begrijpelijk is, moet worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering. Daarbij kan van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen. [10] Het is in lijn met de aanvaarding van schakelbewijs te onderkennen dat het in een herzieningszaak van belang kan zijn als de wijze waarop en de omstandigheden waaronder zich volgens de verdediging een – door de rechter niet aannemelijk geacht - alternatief scenario heeft voltrokken op essentiële punten overeenkomen met de feitelijke vaststellingen in een andere zaak. Tegen die achtergrond zal ik de onderzoeksresultaten naar aanleiding van meldingen en aangiften uit 2020 en 2021 van de zijde van de aangeefster in deze conclusie betrekken. Daarbij past wel behoedzaamheid. Niet uitgesloten is immers dat de aangeefster eerst na het onherroepelijk geworden vonnis is overgegaan tot een
modus operandidie aansluit bij hetgeen de verdediging in de strafzaak als alternatief scenario naar voren heeft gebracht.
16. Mijn aandacht gaat daarom primair uit naar nader onderzoek dat heeft plaatsgevonden naar het berichtenverkeer dat de rechtbank ten grondslag heeft gelegd aan haar veroordelend vonnis uit 2019. Daarbij gaat het om onderzoek dat rechtstreeks betrekking heeft op de bewijsvoering in het veroordelend vonnis. In het onderstaande sta ik eerst bij dit onderzoek stil.

Nader onderzoek naar de berichten uit 2017

17. Het eerste, als novum gepresenteerde, gegeven heeft betrekking op het nader onderzoek dat door de politie is verricht naar de destijds gevorderde historische verkeersgegevens van de vier telefoonnummers en naar de vier IMEI-nummers die in verband zijn gebracht met de aanvrager. Voordat de betekenis van de recente onderzoeksresultaten naar het berichtenverkeer uit 2017 kan worden geduid, zal de bewijsvoering in het vonnis nader moeten worden belicht. Zoals opgemerkt, is het gewicht van de nieuwe gegevens immers afhankelijk van de draagkracht van de bewijsconstructie.
18. Het onderzoek in de strafzaak heeft zich geconcentreerd op de vragen of de door de aangeefster vermelde berichten door haar zijn ontvangen en of de telefoonnummers waarvan de berichten afkomstig zouden zijn aan de aanvrager waren te relateren. Noch uit het vonnis noch uit de overige door mij geraadpleegde processtukken uit de strafzaak blijkt dat onderzoek is gedaan dat licht zou kunnen werpen op het scenario waarin de aangeefster de berichten zelf opstelt en door middel van
‘spoofing’doet voorkomen alsof de berichten door de aanvrager zijn gestuurd. Weliswaar is handmatig onderzoek verricht naar vier simkaarten van de aanvrager, maar dit onderzoek strekte zich slechts uit tot de inkomende berichten met het oog op de verificatie van mededelingen van de verdachte dat hij zou worden bedreigd. [11] Ook zijn vorderingen als bedoeld in art. 126na Sv gedaan naar de vier telefoonnummers die bekend waren bij de politie en die volgens de processen-verbaal van aangiften waren gebruikt om sms-berichten te versturen aan de aangeefster. Vervolgens zijn van de uit het onderzoek gebleken IMEI-nummers verkeersgegevens als bedoeld art. 126n/126u Sv gevorderd door de officier van justitie. Deze gegevens zijn gebruikt om te onderzoeken in hoeverre de telefoonnummers waarmee volgens de aangiften sms-berichten werden verstuurd in verband met de aanvrager zijn te brengen. Niet blijkt echter van enig onderzoek dat zou kunnen uitwijzen of berichten die door de aangeefster waren ontvangen daadwerkelijk afkomstig waren van een telefoon die door de aanvrager in gebruik was.
19. Het door de politie vanaf 2021 verrichte onderzoek naar historische verkeersgegevens concentreerde zich daarentegen juist op de beantwoording van de vraag of berichten die de aangeefster had ontvangen
daadwerkelijkwaren verstuurd door de aanvrager. In die zin gaat het om nieuw onderzoek en niet om een andere waardering van onderzoeksresultaten die ten tijde van de behandeling van de strafzaak voor de rechtbank al beschikbaar waren.
20. Voor de volledigheid merk ik op dat evenmin is gebleken dat in de oorspronkelijke strafzaak nader onderzoek is verricht naar de vraag wie de Facebook-accounts, waarmee onder meer berichten zouden zijn verstuurd, heeft aangemaakt, terwijl het als een feit van algemene bekendheid kan gelden dat het technisch mogelijk is een Facebook-account op naam van een ander aan te maken en daarbij een profielfoto van die ander te plaatsen. Dat geldt ook als die ander daarmee niet instemt.
Het proces-verbaal van 11 januari 2023 [12]
21. Door de politie is nader onderzoek verricht naar de destijds gevorderde historische verkeersgegevens van het mobiele nummer dat werd gebruikt door de aangeefster ( [telefoonnummer 5] ). Daarbij heeft de politie een zoekslag gemaakt naar de telefoonnummers [telefoonnummer 4] , [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] (de vier telefoonnummers die in verband zijn gebracht met de aanvrager). De sms-berichten die relevant zijn voor de bewezenverklaring van de feiten 2 en 4 (aan de hand van de delen van de inhoud) en feit 1 (aan de hand van de hoeveelheid van deze berichten in combinatie met het tijdsbestek waarbinnen deze sms-berichten zijn verstuurd) en waarvan de politie heeft geverbaliseerd dat deze voorkomen in de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer dat werd gebruikt door de aangeefster, zijn gedateerd op:
 1 oktober 2017 te 13:47 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] );
 13 oktober 2017 te 12:23 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] );
 14 oktober 2017 te 16:30 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] );
 16 oktober 2017 te 16:05 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] );
 17 oktober 2017 te 17:50 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] );
 17 oktober 2017 te 20:32 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] );
 18 oktober 2017 te 19:34 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] );
 18 oktober 2017 te 19:56 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] );
 18 oktober 2017 te 20:02 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] );
 19 oktober 2017 te 20:24 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] );
 20 oktober 2017 te 13:33 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] ), en;
 2[2] [13] oktober 2017 te 14:19 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] ).
22. Uit nader onderzoek blijkt dat geen van deze sms-berichten zichtbaar is in de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers [telefoonnummer 4] , [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 3] . Van het mobiele nummer [telefoonnummer 3] zijn in dit verband geen gegevens bekend over de maand oktober 2017.
23. Eenzelfde onderzoek is verricht naar de IMEI-nummers die bekend waren. Opnieuw is gezocht naar (sporen van) uitgaande sms-berichten ten aanzien van (in dit geval) de IMEI-nummers, waaruit zou moeten blijken dat met (de telefoonnummers in) de toestellen contact is gemaakt of gezocht met het telefoonnummer [telefoonnummer 5] . Het nader onderzoek naar die vier IMEI-nummers bevestigt de bevindingen op basis van de historische verkeersgegevens van de mobiele nummers. De politie concludeerde op basis van dit onderzoek dat met de telefoons met de IMEI-nummers waarnaar onderzoek was gedaan geen contact was gemaakt of gezocht met het telefoonnummer dat werd gebruikt door de aangeefster.
24. Zoals opgemerkt, gaat het in dit verband om opsporingsonderzoek waarvan uit het strafdossier niet blijkt dat dit destijds is verricht. In ieder geval waren de uitkomsten van dit onderzoek de rechter niet bekend.
25. De resultaten van het opsporingsonderzoek hebben ertoe geleid dat nogmaals nader onderzoek is verricht naar het telefoonnummer dat werd gebruikt door de aangeefster. Er is in het bijzonder onderzoek verricht naar de momenten waarop op het telefoonnummer [telefoonnummer 5] sms-berichten zijn ontvangen. Uit de processen-verbaal die aan het verzoekschrift zijn gehecht, leid ik het volgende af.
Het proces-verbaal van 11 januari 2023 [14]
26. Uit het onderzoek naar de momenten waarop de sms-berichten zijn ontvangen, bleek dat op alle dagen waarop sms-berichten zijn ontvangen van onder meer de mobiele nummers [telefoonnummer 4] , [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] direct voorafgaand is uitgebeld naar een [telefoonnummer 6] -nummer. Dit nummer blijkt volgens de verbalisanten een zogenaamde
payment service provider(PSP) te zijn. Een PSP voorziet een (rechts)persoon van betaalmogelijkheden. Voorafgaand aan de volgende berichten die door de rechtbank zijn gebruikt voor de bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en/of 4, is telkens gebeld naar het [telefoonnummer 6] -nummer:
 het bericht van 30 september 2017 te 09:00 uur (van een ‘anoniem[e]’ afzender);
 het bericht van 1 oktober 2017 te 13:47 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] );
 het bericht van 13 oktober 2017 te 12:23 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] )
 het bericht van 14 oktober 2017 te 16:30 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] );
 het bericht van 16 oktober 2017 te 16:05 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] );
 het bericht van 17 oktober 2017 te 17:50 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] );
 het bericht van 17 oktober 2017 te 20:32 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] );
 het bericht van 18 oktober 2017 te 19:34 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] );
 het bericht van 18 oktober 2017 te 19:56 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] );
 het bericht van 18 oktober 2017 te 20:02 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] );
 het bericht van 19 oktober 2017 te 20:24 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] );
 het bericht van 20 oktober 2017 te 13:33 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] ), en;
 het bericht van 2[2] [15] oktober 2017 te 14:19 uur (van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] ).
27. De ontvangst van het sms-bericht van 2 oktober 2017, dat ook voor het bewijs is gebruikt, is niet teruggevonden in de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer dat werd gebruikt door de aangeefster. Bovendien blijkt niet dat voorafgaand aan het sms-bericht dat op 15 oktober 2017 uur is ontvangen van een ‘anoniem[e]’ afzender, is uitgebeld naar het [telefoonnummer 6] -nummer.
28. Het bedoelde [telefoonnummer 6] -nummer kon door de politie worden gekoppeld aan een besloten vennootschap die gebruikmaakte van de diensten die het [telefoonnummer 6] -nummer aanbood. De besloten vennootschap heeft (in ieder geval sinds 2017) de website
www.anoniemesms.nlin beheer. De website biedt een dienst aan waarmee een sms-bericht kan worden verstuurd. Uit de in het proces-verbaal van bevindingen opgenomen schermafbeelding is op te maken dat er vier velden zijn. Het eerste veld biedt de gelegenheid een ‘afzender’ te kiezen, welke functionaliteit is beperkt. Er kan als ‘afzender’ worden gekozen uit mogelijkheden zoals Anoniem, Belangrijk, X, etc. In het tweede veld dient de ontvanger te worden vermeld. In het derde veld kan het bericht worden opgesteld dat met behulp van de website kan worden verstuurd. In het vierde veld kan het moment van leveren worden gekozen. De verzender kan in het vierde veld kiezen uit ‘direct sms versturen’ of ‘versturen op’, waarna de verzender een tijdstip dient te bepalen.
29. De berichten worden na betaling, bijvoorbeeld met behulp van het [telefoonnummer 6] -nummer, in de regel binnen twee minuten ontvangen, met dien verstande dat het vierde veld de mogelijkheid biedt om op een zelf te bepalen tijdstip in de toekomst het sms-bericht te versturen. De politie heeft de proef op de som genomen. Daarbij is geconstateerd dat na het bellen naar het [telefoonnummer 6] -nummer door de communicatieaanbieder een bedrag in rekening wordt gebracht als gemaakte extra kosten. De kosten waren in 2017 €1,30 per keer dat een sms-bericht werd verstuurd via
www.anoniemesms.nlin het geval er werd betaald met behulp van het [telefoonnummer 6] -nummer.
Het proces-verbaal van 4 november 2022 [16]
30. Naar aanleiding van het voorgaande, is de vertegenwoordiger van de rechtspersoon die de genoemde website in beheer heeft als getuige gehoord. De getuige heeft verklaard dat in 2017 het (eerste) veld ‘afzender’ geen beperkingen kende, waardoor het ook mogelijk was om een 06-nummer in te voeren. In dat geval kon de schijn worden gewekt dat een sms-bericht afkomstig was van het ingevoerde 06-nummer.
Het proces-verbaal van 17 december 2022 [17]
31. Door de officier van justitie zijn aanvullend gegevens als bedoeld in art. 126nd Sv gevorderd van de communicatieaanbieder waarmee de aangeefster een telefoonabonnement had afgesloten. Op basis van de verstrekte gegevens is vastgesteld dat in de maand oktober 2017 een bedrag van €1,30 in rekening is gebracht onder het kopje ‘gebruikskosten (buiten tegoed) t/m 30 september’. In de maand november 2017 is er een bedrag van €39,30 in rekening gebracht onder het kopje ‘gebruikskosten (buiten tegoed) t/m 31 oktober’. Uit nadere specificaties is gebleken dat in de maand september eenmaal en in de maand oktober 26 maal is gebeld naar het [telefoonnummer 6] -nummer. Die kosten sluiten aan bij de onderzoeksresultaten ten aanzien van de kosten van het gebruik van het desbetreffende [telefoonnummer 6] -nummer. [18]
32. Ook hierbij gaat het om de resultaten van opsporingsonderzoek dat niet eerder is verricht. In ieder geval moet worden aangenomen dat het gegeven dat op nagenoeg alle momenten voorafgaand aan het ontvangen van een sms-bericht is uitgebeld naar een [telefoonnummer 6] -nummer, welk nummer onder meer werd gebruikt door
www.anoniemesms.nl, ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting de rechter niet bekend was.
De overeenkomsten in de modus operandi in de perioden 2017 enerzijds en 2020 t/m 2021 anderzijds
33. De tweede pijler van de herzieningsaanvraag is gelegen in de overeenkomsten in de
modus operandiin de perioden 2017 enerzijds en 2020 en 2021 anderzijds. Daarbij wordt gedoeld op de opsporingsonderzoeken die zijn verricht nadat de aangeefster van 13 januari 2020 tot en met 15 juni 2021 meldingen en aangiften heeft gedaan tegen de aanvrager ter zake van belaging en bedreiging. In het bijzonder wordt een beroep gedaan op het opsporingsonderzoek dat is verricht door de politie nadat de aangeefster op 14 mei 2021 een melding en een aangifte heeft gedaan. Uit de aan het verzoekschrift gehechte processen-verbaal leid ik het volgende af.
Het proces-verbaal van 8 juli 2021 [19]
34. Naar aanleiding van de aangiften en de daarbij door de aangeefster genoemde en getoonde sms-berichten die volgens de aangeefster zijn ontvangen op het mobiele nummer van de aangeefster, zijn bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet. Uit de verstrekte verkeersgegevens kan worden afgeleid dat (a) sms-berichten zijn ontvangen van het telefoonnummer [telefoonnummer 7] , dat werd toegeschreven aan de aanvrager, op het mobiele nummer dat toebehoorde aan de aangeefster, maar dat (b) de verzending van deze sms-berichten niet zichtbaar is op de printlijst van het telefoonnummer [telefoonnummer 7] . De verklaring die hiervoor werd gegeven door een medewerker van de aanbieder van de communicatiedienst was dat gebruik is gemaakt van de diensten van
Messagebird. In het proces-verbaal wordt geconstateerd dat de sms-berichten niet zijn verzonden met de mobiele telefoon van de aanvrager, maar dat de berichten via
Messagebirdzijn verzonden, waarbij het telefoonnummer van de aanvrager is ingevoerd.
Het proces-verbaal van 17 juli 2021 [20]
35. Een vergelijkbaar onderzoek is verricht naar inkomende anonieme oproepen op het telefoonnummer van de aangeefster, waarvan de aangeefster schermafbeeldingen heeft gemaild aan de politie. Ook de inkomende oproepen waren niet afkomstig van telefoonnummers die in gebruik waren bij dan wel in verband waren te brengen met de aanvrager. Zo blijkt uit de gevorderde gegevens dat een van de nummers waarmee anoniem is gebeld naar de aangeefster een ander mobiel nummer is dat toebehoort aan de aangeefster.
Het proces-verbaal van 29 oktober 2021 [21]
36. Op 29 oktober 2021 is de aangeefster verhoord als verdachte. Tijdens dit verhoor heeft de aangeefster onder meer bekend in de periode 2020/2021 meermalen valse aangiften te hebben gedaan en daarbij het bewijs zelf te hebben gefabriceerd. Zo heeft de aangeefster ten aanzien van de inkomende (anonieme) sms-berichten, waarvan op 14 mei 2021 aangifte is gedaan, onder meer het volgende verklaard:
“V: Hoe heb jij die berichten naar jezelf gestuurd?
A: Die heb ik ook via zo'n website naar mezelf gestuurd.
V: Is dat dat dan een website die je alleen via de computer kan doen of kan dat ook via je telefoon? A: Je kunt het via de computer doen maar ook via je telefoon.
V: Hoe heb jij dat gedaan?
A: Via de telefoon.
V: wat voor website is dat dan?
A: Je kunt anonieme smsjes sturen via diverse websites. Ik heb er daar eentje van gekozen.
V: Is dat een betaalde website?
A: Je kunt daarvoor bellen naar een nummer en dan doe je de transactie.
V: Hoeveel heb je daarvoor betaald?
A: Per berichtje moet je daar iets voor betalen. Dus reken maar uit.
O: Ik weet niet hoeveel zo'n berichtje kost.
A: Je belt gewoon naar dat nummer en dan wordt het afgeschreven van je telefoonrekening.”
37. Ook verklaart de aangeefster over de periode 2021/2021, voor zover relevant, als volgt:
“V: Hoeveel e-mailadressen heb jij uiteindelijk gebruikt voor de Spoofing of om vol te blijven houden dat [aanvrager] jou stalkt?
A: Ik kan geen aantal noemen. Ik kan bekennen dat ik e-mailadressen heb aangemaakt.
V: Hoeveel Facebook of Instagram accounts heb jij uiteindelijk aangemaakt en/of gebruikt voor de Spoofing of om vol te blijven houden dat [aanvrager] jou stalkt?
A: Ik kan geen aantal noemen. Ik kan bekennen dat ik accounts heb aangemaakt.”
Waardering
38. Uit het voorgaande volgt dat de herzieningsaanvraag is gegrond op gegevens die op het onderzoek ter terechtzitting aan de rechter niet bekend waren. Daarbij gaat het enerzijds om de uitkomsten van nader onderzoek naar historische verkeersgegevens, zowel ten aanzien van het telefoonnummer dat ten tijde van de bewezen verklaarde feiten in gebruik was bij de aangeefster als ten aanzien van de telefoonnummers en IMEI-nummers die de rechtbank in verband had gebracht met de aanvrager. Er zijn geen sporen aangetroffen waarmee de telefoonnummers/IMEI-nummers die zijn toegeschreven aan de verdachte zouden kunnen worden gekoppeld aan de sms-berichten die de aangeefster heeft ontvangen en die in de bewezenverklaring zijn opgenomen. De aangeefster heeft voorafgaand aan de ontvangst van (nagenoeg alle) berichten gebruikgemaakt van een website. Die website bood een dienst aan waarmee in 2017 een sms-bericht kon worden verstuurd en waarbij, door gebruik te maken van een 06-nummer, de schijn kon worden gewekt dat het bericht afkomstig was van een ander. De facturering sloot aan bij de onderzoeksresultaten ten aanzien van de kosten van het gebruik van het desbetreffende [telefoonnummer 6] -nummer. Daarbij komt dat de aangeefster heeft bekend dat zij valse aangiften heeft gedaan. Weliswaar gaat het daarbij om feiten die hebben plaatsgevonden na de bewezen verklaarde feiten, maar zowel de inhoud van de aangiften als de door de aangeefster erkende handelwijze ten aanzien daarvan vertonen op essentiële punten zulke belangrijke overeenkomsten met de feitelijke gang van zaken in de periode 2017 in het alternatieve scenario van de verdediging én hetgeen naar voren is gekomen uit het aanvullende opsporingsonderzoek, dat daaraan voor de beoordeling van het herzieningsverzoek relevantie toekomt.
39. De hiervoor genoemde gegevens doen in onderling verband het ernstig vermoeden rijzen dat, indien de rechter daarmee bekend zou zijn geweest, het onderzoek zou hebben geleid tot een vrijspraak. Hierbij heb ik de bewezenverklaringen en de bewijsconstructie betrokken, omdat de deugdelijkheid van de bewijsconstructie de kracht van de nova mede bepaalt. De rechtbank heeft het door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario, te weten dat gegevens en telefoonnummers van de aanvrager zijn misbruikt en dat valse Facebook-accounts zijn aangemaakt, ‘op geen enkele wijze aannemelijk’ bevonden. Het alternatieve scenario wordt door de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen echter niet uitgesloten, terwijl de hiervoor genoemde, nieuwe gegevens juist in hoge mate bijdragen aan de aannemelijkheid van het alternatieve scenario.
40. Die laatste conclusie geldt in de eerste plaats voor de sms-berichten die in de vaststellingen van de rechtbank zouden zijn verzonden met een telefoonnummer dat in verband kan worden gebracht met de aanvrager. De uitkomst van het nader onderzoek naar de historische verkeersgegevens heeft ten aanzien van deze berichten de bodem onder de bewijsvoering weggeslagen.
41. Over de voor de bewezenverklaring gebezigde anoniem verstuurde berichten merk ik het volgende op. De rechtbank overweegt over deze berichten slechts dat zij geen reden heeft te twijfelen dat de aanvrager de afzender van deze berichten is geweest, ‘[g]elet op het feit dat deze berichten naar hun aard en inhoud naadloos passen in het patroon van de overige berichten’. Gelet op de uitkomsten van het nadere onderzoek, valt ook de draagkracht van deze overweging voor het bewijs van betrokkenheid van de verdachte weg. Dat onderzoek heeft immers geleid tot de verdenking dat de aangeefster de desbetreffende berichten zelf heeft opgesteld en verstuurd. Daaraan doet niet af dat het sms-bericht van 15 oktober 2017 afkomstig is van een ‘anoniem[e]’ afzender terwijl daaraan voorafgaand niet met het mobiele telefoonnummer dat toebehoorde aan de aangeefster is uitgebeld naar het [telefoonnummer 6] -nummer. Aanwijzingen dat dit bericht daadwerkelijk afkomstig is van de aanvrager ontbreken immers eveneens. Daaraan voeg ik nog toe dat het voor het bewijs gebruikte sms-bericht van 2 oktober 2017, waarvan de afzender ‘anoniem’ is, evenmin is teruggevonden in de historische verkeersgegevens van het mobiele telefoonnummer dat destijds werd gebruikt door de aangeefster.
42. Gelet op het indringende karakter van de nieuwe gegevens, de op essentiële punten overeenkomende werkwijze waarbij de verdenking is ontstaan dat de aangeefster feiten waarvan zij aangifte heeft gedaan zelf heeft geënsceneerd en de weinig concrete bewijsvoering ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte in het vonnis, bestaat een ernstig vermoeden dat, indien de rechter met de nieuwe gegevens bekend zou zijn geweest, het onderzoek zou hebben geleid tot een vrijspraak. Dat geldt ook voor de berichten die via Facebook (Messenger) zouden zijn gestuurd. Daarover merk ik nog het volgende op.
43. De bewijsconstructie van de betrokkenheid van de verdachte was ten aanzien van de Facebook-berichten mager. De rechtbank heeft acht geslagen op de naam van het account, die ontleend is aan de naam van de verdachte. Overtuigend is dit niet, tegen de achtergrond van de mogelijkheid misbruik te maken van de naam van een ander bij het aanmaken van een account. De strekking van het door de verdediging gevoerde verweer was juist dat dergelijk misbruik had plaatsgevonden. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het geen aanwijzingen in het dossier voor misbruik van ‘sociale media’-accounts heeft gevonden. Aanwijzingen dat daarnaar onderzoek is gedaan, bevat het dossier echter evenmin. Ten slotte wijst de rechtbank op een Facebook-bericht van 15 oktober 2017. De aanvrager heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de persoon is geweest die dit bericht heeft verzonden. Dat bericht houdt, voor zover vastgesteld door de rechtbank, in:

“Doorjou is [aanvrager] zwerver. Jih hebt valse aangifte gedaan. Ik vriend van [aanvrager] typt dit nu in ik zeg niet mijn voor het geval datje weer valse aangifte gedaan [aanvrager] heeft een kamer nodig. Ik doe een schikkingsvoorstel. De kamer kost 400euro. Ik geef [aanvrager] 200euro. En u betaald 20euro. (.. .).”

44. De inhoud van het bericht is niet beledigend van aard. Evenmin behelst de inhoud een (strafbare) bedreiging. Dit bericht is dan ook niet gebruikt voor de feitelijke omschrijving van de ten laste gelegde bedreiging en belediging. De inhoud van dit bericht, dat overigens is geplaatst op de dag waarop aan de aanvrager een ‘Aanzegging wederrechtelijkheid belaging’ is uitgereikt, sluit zelfs aan bij het door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario. Bovendien heeft de rechtbank niet vastgesteld dat de wel in de bewezenverklaring betrokken uitlatingen zijn gedaan met behulp van hetzelfde Facebook-account als dat waarmee het bericht van 15 oktober 2017 is verzonden. Daarbij komt dat de aangeefster ten aanzien van de aangiften na het vonnis heeft verklaard dat zij valse, op naam van de aanvrager gezette Facebook-accounts heeft aangemaakt. Ook ten aanzien van de berichten die via Facebook (Messenger) zijn verstuurd, meen ik in het licht van het voorgaande dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan.

Slotsom

45. Deze conclusie strekt tot de gegrondverklaring van de aanvraag, met een bevel tot (voor zover nodig) de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak en met verwijzing van de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, in verbinding met art. 471, eerste lid, Sv naar een gerechtshof, opdat deze in zoverre opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.Voor de volledigheid merk ik op dat ik nadien, op 13 juni 2023, schriftelijk ben benaderd door de landelijk hoofdadvocaat-generaal van het Openbaar Ministerie waarbij het genoemde vonnis onder mijn aandacht is gebracht – inclusief de relevante processen-verbaal die volgens het Openbaar Ministerie de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een novum.
2.Bijlage 7 bij de herzieningsaanvraag.
3.In de brief wordt abusievelijk de datum 4 mei 2025 genoemd.
4.Zie HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3246, rov. 4.1 en mijn daaraan voorafgaande conclusie (ECLI:NL:PHR:2015:2026, onder 5).
5.Voor de concrete uitlatingen verwijs ik naar het vonnis van de rechtbank. Zie rb. Gelderland 5 maart 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:6391.
6.Voor de concrete uitlatingen verwijs ik naar het vonnis van de rechtbank. Zie rb. Gelderland 5 maart 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:6391.
7.Uit het vonnis wordt niet duidelijk of het gaat om een of meer accounts. Uit de onderliggende stukken blijkt dat sprake is van meer accounts op naam van de aanvrager. In het proces-verbaal van bevindingen van 31 oktober 2017 is het volgende geverbaliseerd:
8.De betekenis van de verwijzing naar de “parallelle zaak [naam] ” blijft in het verzoekschrift in het midden en vat ik niet op als zelfstandige grond voor herziening. Ik laat deze passage in het verzoekschrift verder onbesproken.
9.Zie ook AG Aben in zijn conclusie voorafgaand aan HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2549, onder 8.3.2.
10.Vgl. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455,
11.Bijlage 14 bij de herzieningsaanvraag.
12.Bijlage 11 bij de herzieningsaanvraag.
13.In het vonnis is (naar het mij dunkt abusievelijk) 21 oktober 2022 genoteerd, uit het proces-verbaal van de aangifte, waarnaar de rechtbank verwijst, maak ik op dat de aangeefster heeft verklaard het sms-bericht op zondag 22 oktober 2017 te circa 14:19 uur te hebben ontvangen.
14.Bijlage 11 bij de herzieningsaanvraag.
15.In het vonnis is 21 oktober 2022 genoteerd, maar uit het proces-verbaal van de aangifte, waarnaar de rechtbank verwijst, maak ik op dat de aangeefster heeft verklaard het sms-bericht op zondag 22 oktober 2017 te circa 14:19 uur te hebben ontvangen.
16.Bijlage 16 bij de herzieningsaanvraag.
17.Bijlage 17 bij de herzieningsaanvraag.
18.De meerkosten in november 2017 schrijft de verbalisant toe aan het gebruik van andere 0900-nummers, zoals het landelijk telefoonnummer van de politie.
19.Bijlage 4 bij de herzieningsaanvraag.
20.Bijlage 5 bij de herzieningsaanvraag.
21.Bijlage 7 bij de herzieningsaanvraag.