ECLI:NL:PHR:2023:818

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 juni 2023
Publicatiedatum
19 september 2023
Zaaknummer
22/00496
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 38 WEDArt. 39 WEDArt. 52 WEDArt. 64 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor valsheid in geschrift bij baggerwerkzaamheden

Verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een taakstraf wegens valsheid in geschrift. Het betrof het vervalsen van dwarsprofieltekeningen die de diepte van baggerwerkzaamheden in de Heafeart moesten aantonen. Verdachte had op verzoek van de aannemer [A] de tekeningen aangepast zodat het leek alsof het werk conform contract was uitgevoerd, terwijl dit niet het geval was.

De verdediging stelde dat verdachte slechts tekenaar was die werkte op basis van aangeleverde data en geen oogmerk had dat de tekeningen als echt zouden worden gebruikt. Het hof oordeelde echter dat verdachte zich bewust was van de onjuistheid en het oogmerk had dat de vervalste tekeningen door [A] aan de provincie zouden worden gebruikt.

De Hoge Raad behandelde onder meer de klacht over de bevoegdheid van de meervoudige kamer en de bewijsvoering. De Raad concludeerde dat de zaak terecht door de gewone meervoudige kamer was behandeld en dat de bewijsvoering toereikend was om het opzet en het oogmerk van verdachte aan te nemen. Wel werd de cassatietermijn overschreden, maar dit leidde niet tot vernietiging van het arrest.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de veroordeling van verdachte voor valsheid in geschrift met een geheel voorwaardelijke taakstraf.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt veroordeling verdachte voor valsheid in geschrift met geheel voorwaardelijke taakstraf.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00496

Zitting20 juni 2023
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum ] 1984,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 7 februari 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens ‘valsheid in geschrift’, veroordeeld tot 100 uren taakstraf, subsidiair 50 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

Bespreking van het eerste middel

3. Het
eerstemiddel bevat de klacht dat de ‘gewone’ meervoudige kamer voor strafzaken van het hof ten onrechte een zaak waarin door de economische kamer van de rechtbank vonnis is gewezen, heeft behandeld en beslist en/of ten onrechte (impliciet) heeft geoordeeld dat zij bevoegd was tot kennisneming van het strafbare feit en/of tot de inhoudelijke behandeling van de zaak. In ieder geval, zo begrijp ik, zou de economische meervoudige kamer voor strafzaken van het hof de onderhavige zaak ten onrechte hebben behandeld en beslist.
4. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de tenlastelegging, het procesverloop in eerste aanleg en hoger beroep en de relevante wetsartikelen weer.
5. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
‘verdachte in of omstreeks de maand december 2015, althans in of omstreeks het jaar 2015, in de gemeente De Wolden, althans in Nederland, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een dwarsprofieltekening (bijlage 02-B01doc 14, pagina 125 van het procesdossier AD/ZD) met daarin / daarop negen dwarsprofielen, waarin de hoogte van de bodem van (een deel van) de uitgebaggerde Heafeart was aangegeven / vermeld, althans een document met daarin / daarop negen dwarsprofielen, waarin de hoogte van de bodem van (een deel van) de uitgebaggerde Heafeart was aangegeven / vermeld, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door in zeven van die dwarsprofielen (in totaal) 46 keer, althans een of meerdere keren, aan te geven / te vermelden dat (zie geel gearceerde kopie van pagina 125 op pagina 152) de bodem op de plaats(en) waarop (de meetpunten in) die dwarsprofielen betrekking hadden, een bepaalde hoogte had(den), terwijl in werkelijkheid de bodem hoger was (en dus minder diep uitgebaggerd) dan op dat (die) dwarsprofiel(en) was aangegeven, althans door in een of meer van die dwarsprofielen een of meerdere malen aan te geven / te vermelden dat (zie geel gearceerde kopie van pagina 125 op pagina 152) de bodem op de plaats(en) waarop (de meetpunten in) die dwarsprofielen betrekking hadden, een bepaalde hoogte had(den), terwijl in werkelijkheid de bodem hoger was (en dus minder diep uitgebaggerd) dan op dat (die) dwarsprofiel(en) was aangegeven, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.’
6. De dagvaarding van de verdachte voor de terechtzitting in eerste aanleg van 11 februari 2019 houdt in dat de verdachte is gedagvaard om te verschijnen ‘ter terechtzitting van de meervoudige economische strafkamer’.
7. Zowel het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 11 februari 2019 als het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 26 april 2019 houdt in dat de zaak van de verdachte is behandeld door de ‘Meervoudige kamer’ van de rechtbank Overijssel.
8. Het vonnis van de rechtbank Overijssel van 10 mei 2019 houdt in dat het is gewezen door de ‘Meervoudige kamer’.
9. Het ‘extract vonnis’ van het vonnis van de rechtbank van 10 mei 2019 houdt in dat uitspraak is gedaan door de ‘meervoudige economische strafkamer’.
10. De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep voor de terechtzitting van 24 januari 2022 houdt in dat de verdachte is gedagvaard om te verschijnen ‘ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (…), economische kamer’.
11. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2022 houdt in dat de zaak van de verdachte is behandeld door de ‘meervoudige kamer voor strafzaken’ van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
12. Het bestreden arrest houdt onder meer in dat het is gewezen door de ‘meervoudige kamer voor strafzaken’ en dat de ‘economische kamer van de rechtbank Overijssel’ de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde heeft vrijgesproken.
13. Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Wet op de economische delicten (hierna: WED) is de kennisneming van economische delicten in eerste aanleg ‘bij uitsluiting opgedragen aan de rechtbank. Economische delicten worden behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52 van Pro Wet op de rechterlijke organisatie’. Die economische kamers behandelen en beslissen ingevolge artikel 39, eerste lid, WED ‘ook zaken betreffende strafbare feiten die geen economische delicten zijn, indien de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van die strafbare feiten en die strafbare feiten zijn begaan in samenhang met een of meer economische delicten, en die strafbare feiten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die economische delicten’. Daarnaast is berechting door een andere dan de economische kamer ingevolge artikel 39, tweede lid, WED mogelijk ‘indien economische delicten zijn begaan in samenhang met een of meer strafbare feiten, niet zijnde economische delicten waarvan de rechtbank bevoegd is kennis te nemen en die economische delicten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die andere strafbare feiten’. De competentieregeling in hoger beroep is in artikel 52 WED Pro terug te vinden: ‘De economische kamers van de gerechtshoven, bedoeld in artikel 64 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, behandelen en beslissen uitsluitend zaken waarin door de economische kamers van de rechtbanken vonnis is gewezen.’ [1]
14. In de toelichting op het middel wordt verwezen naar een arrest van Uw Raad van 12 november 2013. [2] In de zaak die aan dat arrest ten grondslag lag, was aan de verdachte primair valsheid in geschrift en subsidiair het gebruik maken of voorhanden hebben van een vals of vervalst geschrift tenlastegelegd. Het eerste middel bevatte de klacht dat de economische kamer van het hof in strijd met art. 39 WED Pro had geoordeeld over het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit (dat geen economisch delict was). In zijn conclusie voorafgaand aan het arrest besprak A-G Machielse de historische ontwikkeling van de competentieregeling betreffende economische delicten en concludeerde hij dat het middel faalde omdat de raadsheren die in hoger beroep de economische strafkamer vormden ‘klaarblijkelijk in dezelfde combinatie’ ook optraden als gewone meervoudige strafkamer van het hof. Onder die omstandigheden zou ‘geen enkel redelijk belang van verdachte’ gediend zijn bij vernietiging van het arrest (randnummer 3.8). Uw Raad kwam ook tot een verwerping van het cassatieberoep, maar langs een andere weg. Uw Raad stelde vast dat de verdachte blijkens de stukken van het geding in eerste aanleg was gedagvaard voor de meervoudige economische kamer van de rechtbank Dordrecht en dat deze kamer de zaak had behandeld en uitspraak had gedaan, en dat ingevolge artikel 52 WED Pro in verbinding met artikel 64 RO Pro de gerechtshoven in hoger beroep de zaken behandelen en beslissen ‘waarin door economische kamers van de rechtbanken vonnis is gewezen’. Daaruit leidde Uw Raad af dat de strafzaak in hoger beroep kon worden behandeld en beslist door de meervoudige economische kamer van het hof. Het middel was tevergeefs voorgesteld.
15. Net als in de zaak die ten grondslag lag aan dit arrest, is in de onderhavige zaak aan de verdachte louter een commuun delict tenlastegelegd (valsheid in geschrift). Dat betekent dat op grond van de wet slechts de ‘gewone’ meervoudige kamer van de rechtbank bevoegd was. En indien de zaak in eerste aanleg door een ‘gewone’ meervoudige kamer is behandeld, is in hoger beroep ook slechts de ‘gewone’ meervoudige kamer van het hof bevoegd. Indien de zaak in eerste aanleg door een meervoudige economische kamer van de rechtbank is behandeld, kan uit (de wettelijke regeling en) genoemd arrest worden afgeleid dat in hoger beroep – ondanks dat geen economische delicten ten laste waren gelegd – de meervoudige economische kamer van het hof bevoegd was.
16. De steller van het middel baseert de opvatting dat de zaak in eerste aanleg door de economische kamer van de rechtbank is behandeld op het zich in het dossier bevindende ‘extract vonnis’, de inleidende dagvaarding, een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte van 20 december 2021 en de overweging in het bestreden arrest dat de ‘economische kamer van de rechtbank Overijssel’ de verdachte van het tenlastegelegde heeft vrijgesproken. Gelet op een en ander had de zaak volgens de steller van het middel in hoger beroep moeten worden behandeld door de meervoudige economische kamer van het hof en was de ‘gewone’ meervoudige kamer van het hof onbevoegd.
17. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het vonnis niet is gewezen door de meervoudige economische kamer van de rechtbank. Noch de processen-verbaal van de terechtzittingen van 11 februari en 26 april 2019, noch het vonnis van 10 mei 2019 houdt in dat de zaak is behandeld en vonnis is gewezen door een economische kamer. Zeker nu aan de verdachte louter een commuun delict ten laste is gelegd, zodat behandeling door een ‘gewone’ meervoudige kamer aangewezen was, moet mijns inziens van de juistheid van de inhoud van deze processen-verbaal en dit vonnis worden uitgegaan. Ik merk daarbij op dat 1) een extract vonnis een stuk is dat ten behoeve van de executie wordt opgemaakt en in cassatie niet ten toets staat [3] , 2) de inhoud van de justitiële documentatie gelet op het voorgaande (waarschijnlijk) gebaseerd is op de (onjuiste) vermelding in het extract vonnis en 3) de passage in het arrest dat het vonnis waarvan beroep is gewezen door de economische kamer van de rechtbank kennelijk op een misslag berust.
18. Het middel gaat er ten onrechte vanuit dat de zaak in eerste aanleg is behandeld door de meervoudige economische kamer en faalt aldus bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Bespreking van het tweede middel

19. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat de bewijsvoering ‘onvoldoende redengevend is voor de bewezenverklaarde valsheid in geschrifte’. Gesteld wordt dat uit de bewijsvoering 1) de betrokkenheid van de verdachte bij de vervalsing niet kan volgen, 2) niet kan volgen dat de verdachte in het in de bewezenverklaring vermelde geschrift opzettelijk ‘in zeven van de negen dwarsprofielen (in totaal) 46 keer, heeft aangegeven/vermeld dat de bodem op de plaatsen waarop (de meetpunten in) die dwarsprofielen betrekking hadden, een bepaalde hoogte hadden (…), terwijl in werkelijkheid de bodem hoger was (en dus minder diep uitgebaggerd) dan op die dwarsprofielen was aangegeven’, en 3) niet kan volgen dat de verdachte het oogmerk had om het geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
20. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsvoering en hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door en namens de verdachte is aangevoerd weer.
21. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘verdachte in december 2015, in de gemeente De Wolden, althans in Nederland, een geschrift dat bestemd was om tot het bewijs van enig feit te dienen, te weten een dwarsprofieltekening (bijlage 02-B01doc 14, pagina 125 van het procesdossier AD/ZD) met daarin / daarop negen dwarsprofielen, waarin de hoogte van de bodem van (een deel van) de uitgebaggerde Heafeart was aangegeven / vermeld, heeft vervalst, door in zeven van die dwarsprofielen (in totaal) 46 keer aan te geven / te vermelden dat (zie geel gearceerde kopie van pagina 125 op pagina 152) de bodem op de plaatsen waarop (de meetpunten in) die dwarsprofielen betrekking hadden, een bepaalde hoogte hadden, terwijl in werkelijkheid de bodem hoger was (en dus minder diep uitgebaggerd) dan op die dwarsprofielen was aangegeven, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.’
22. Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1.
De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 24 januari 2022 voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
Ik ben zelfstandige. Ik doe meet- en tekenwerk voor opdrachtgevers. Als er sprake is van baggerwerk, werden wij door [A] gevraagd om tussenmetingen te maken. [A] voerde de baggerwerkzaamheden uit en wij deden dus de tussenmetingen. Ook in dit geval hebben wij de metingen gedaan.
Ze hebben mij inderdaad ingehuurd voor de eindmetingen en [B] voor de controlemetingen.
De eindmeting wordt met de opdrachtgever gedaan. Als tekenaar pas ik dat dan aan. Het is belangrijk dat wij de data alleen van hun terugkrijgen. Dit kunnen wij niet meer controleren. Ik krijg de data van [A] . Als de data zijn geconstateerd, dan teken ik die data in.
Er zijn destijds inderdaad tekeningen van [C] op verzoek van [A] aangepast en bijgesteld.
[C] kwam mij controleren. De metingen liggen dus bij hun en van hun kwam de vraag om de metingen aan te passen.
We praten hier over de dwarsprofielen. Ik krijg data om te verwerken.
Met aanpassingen van [B] ben ik de tekeningen gaan aanpassen. Toen kreeg ik argwaan.
[C] levert mij de eindmeting aan en wat de waardes zouden moeten zijn. Die pas ik vervolgens aan. Dit moet worden aangepast op mijn tekeningen en op de tekeningen van [C] .
Toen [betrokkene 2] met het verzoek kwam dat de tekeningen moesten worden aangepast, was het half december.
Ik voelde nattigheid door het gedoe met [C] . Het had namelijk al opgeleverd moeten zijn.
Ik heb alleen data gekregen van de eindmeting. Ik heb daar niets gemeten, alleen getekend aan de hand van de metingen die zij mij hebben aangeleverd. Op basis daarvan heb ik de tekeningen aangepast.
2.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –als proces-verbaal van verhoor van verdachte wonende te [plaats]:
[A] B.V. heeft mij benaderd om tekenwerk en meetwerk te doen. In december 2015 is volgens mij de uitvoering geweest.
Wij krijgen op een gegeven moment de profielen opgeleverd en kregen toen een vraag van [betrokkene 3] om een bijstelling. Als hij dat vraagt, dan doen wij dat. Hij vraagt mij om het naar beneden te stellen. Hij wilde de meting onder de legger hebben. Ik bedoel hiermee de meting die ik heb uitgevoerd. Mij was duidelijk wat [betrokkene 3] bedoelde met “bijtrekken”. Het ging om twee dwarsprofielen waarbij [betrokkene 3] de rode cirkels had gezet.
Op een gegeven moment vroeg [betrokkene 3] mij ook om de metingen van [C] bij te stellen.
Op 30 november 2015 kreeg ik wederom een verzoek van [betrokkene 3] om twee dwarsprofielen bij te trekken. Na het tweede verzoek kreeg ik een verzoek van [betrokkene 3] om de metingen van het meetbedrijf [C] aan te passen. Ik heb alle metingen aangepast. Ik overhandig u de mail van 13 december 2015.
In dit geval werd het mij duidelijk dat de aanpassing van mij niet voor intern gebruik was na het verzoek van [betrokkene 3] om de tekening van [C] aan te passen.
Je kunt zien dat deze tekening is gewijzigd aan de 01 in de onderzoek. Er staat ook in de onderzoek dat de originele tekening van 5 december 2015 is en de gewijzigde van 13 december 2015.
De controlemeetgegevens opgemaakt door [B] die ik heb ontvangen van [A] heb ik over elkaar geprojecteerd en naar [betrokkene 3] gestuurd. Ik kreeg toen het verzoek van [betrokkene 3] om ze aan te passen. Ik dacht toen: dit gaat helemaal mis. Ik heb toen de mail naar [betrokkene 3] gestuurd op 13 december 2015.
3.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –als bevindingen van verbalisant:
[A] stuurt overeenkomstig contract, de eindmeetgegevens baggerwerk uitgevoerd door Teken- en adviesbureau [D] in, bestaande uit de dwarsprofielen en Iengteprofiel. Tevens worden de controleprofielen van een derde en onafhankelijk meetbureau [C] ingediend.
4.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –als proces-verbaal van verhoor van aangevers:
Wij zijn beiden als ambtenaren in dienst van de provincie Fryslân , door de Commissaris van de Koning in de provincie Fryslân , de heer drs. A.A.M. Brok, gemachtigd om aangifte te doen.
Wij doen aangifte tegen het bedrijf [A] , gevestigd aan de [a-straat 1] , [plaats] , inzake fraude bij uitgevoerde baggerwerkzaamheden in de Heafeart in de gemeente Heerenveen.
De aanleiding van deze aangifte is de aanbesteding door de provincie van baggerwerkzaamheden in de provinciale vaarweg de Heafeart in de gemeente Heerenveen, om deze Heafeart op diepte te brengen.
De provincie heeft vastgesteld dat de door [A] uitgevoerde baggerwerkzaamheden niet conform contract zijn uitgevoerd. [A] heeft meetgegevens behorend bij de baggerwerkzaamheden gemanipuleerd, waardoor het leek alsof de werkzaamheden wel conform contract waren uitgevoerd. Na onderzoek door de provincie bleek de werkelijkheid niet in overeenstemming te zijn met de door [A] aangeleverde gegevens.
5.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verdenking met bijlagen, (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –als bevindingen van verbalisant:
Na de baggerwerkzaamheden zijn volgens contract eindmetingen gedaan, metingen bestaande uit dwarsprofielen als ook lengteprofielen. Deze eindmetingen zijn gedaan door het [D] . Tevens is er ter controle van de eindmeting door een ander meetbureau, [C] , een controlemeting uitgevoerd.
Uit de documenten (…) behorende bij deze metingen bleek het volgende:
Op 14 januari 2016 zijn door [A] door middel van het communicatieprogramma tussen opdrachtgever en -nemer VISI 50 (…) tekeningen van de eindmetingen (opgemaakt door [verdachte] ), gestuurd aan de provincie. Het betroffen hierbij de tekeningen van metingen dwarsprofielen, het lengteprofiel en de controlemeting van [B] .
De eindmetingen bestonden uit dwarsprofielen en het lengteprofiel, waarmee [A] beoogde aan te tonen dat er op diepte is gebaggerd en dat het werk definitief opgeleverd kon worden.
Door de provincie is een indicatieve meting (9 dwarsprofielen) uitgevoerd op 25 april 2016. Uit deze indicatieve meting bleek dat er op meetpunten geheel geen of te weinig bagger was verwijderd. De conclusie die de provincie trok uit deze meting was dat de peilingen een sterke afwijking lieten zien ten opzichte van de meetgegevens aangeleverd door [A] .
Uit een contra-expertise door meetbureau G2 trekt de provincie de conclusie dat de door [A] aangeleverde meetgegevens, die de brongegevens vormen voor de door [A] opgestelde profieltekening, niet voldoen aan de contracteisen.
Op grond van het contract moest 10 procent van de opleveringsmetingen door een onafhankelijke derde worden uitgevoerd. [A] had deze controlemetingen uitbesteed aan het bedrijf [B] gevestigd te [plaats] . De provincie constateerde dat de door [A] , op 14 januari 2016 aangeleverde tekening (…) en de op 5 februari 2016 aan de provincie aangeleverde controlemeetgegevens van [B] (…) dicht tegen de door [A] aangeleverde eindmeetgegevens van [verdachte] lagen, maar dat er sterke afwijkingen waren met de meetgegevens van G2. Naar aanleiding van deze constatering is [B] door de provincie benaderd.
Op 23 december 2016 heeft de provincie een profieltekening en een bestand met meetgegevens van 9 dwarsprofielen, welke gegevens door [A] aan de provincie waren overlegd bij de oplevering, per mail aan [C] van [B] voorgelegd. Desgevraagd geeft [C] aan dat deze tekening niet door [C] B.V. is gemaakt en dat zij op 11 december 2015 een andere tekening bij [A] hebben aangeleverd.
In vervolg hierop zijn op grond van een vordering verstrekking gegevens d.d. 16 juni 2017 (art, 126nd lid 1 WvSv) bij [B] gegevens gevorderd en door [B] verstrekt, welke gegevens betrekking hadden op het baggerproject, waaronder originele meetgegevens, rapportages, tekeningen en correspondentie. De gevorderde originele controlemeetgegevens van [B] , o.a. bestaande uit een tekening met dwarsprofielen en een ‘txt’ bestand met meetpunten (X,Y en Z coördinaten) zijn vergeleken met de door [A] aan de provincie verzonden meetgegevens. Uit een analyse van deze gegevens bleek dat deze 2 documenten niet met elkaar overeen kwamen. De controlemetingen die [A] (onder de naam van [B] ) had aangeleverd bij de provincie gaven aan dat de baggerdieptes voldeden aan de eisen uit het contract, terwijl de originele metingen van [B] aangaven dat dit niet het geval was.
Bijlage 02-B01doc 14, (pagina 125 van het procesdossier AD/ZD)
(…)
Bijlage kopie 02-B01doc 14, (pagina 152 van het procesdossier AD/ZD)
(…)
6.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –als proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 1]:
Wij doen werkzaamheden in de landmeetkundige dienstverlening. Wij werken voor zowel de overheid als particuliere bedrijven. De overheid zijn bijvoorbeeld gemeenten en de provincie.
De opdracht bij [A] was om op een door hun aangegeven aantal posities een meting te verrichten. Hier was [verdachte] bij. De meting heeft plaatsgevonden op 9 december 2015.
Mijn bedrijf heeft negen punten ontvangen via de mail en een tekening met locaties van de profielen. De tekening is ter informatie aangeleverd. [verdachte] heeft de locaties ter plaatse aangewezen. Mijn medewerker heeft toen vervolgens samen met [verdachte] de dwarsprofielen opgemeten. Toen wij de meetgegevens hadden zijn deze gegevens verwerkt in dwarsprofielen. Vervolgens wordt de tekening opgemaakt. [betrokkene 4] heeft een tekening opgestuurd van de dwarsprofielen van de Hoofdvaart A20. Hij heeft deze pdf verstuurd op 11 december 2015. De tekening is verstuurd naar [betrokkene 2] .
[betrokkene 5] heeft mij een tekening verstuurd. Ik heb deze tekening op verzoek van [betrokkene 5] nader bekeken. Ik zag toen dat de tekening niet de tekening was die mijn bedrijf had opgemaakt en ingestuurd naar [A] . Ik zag dat er opvallende lijnen waren in de tekening. Deze kwamen niet overeen met mijn oorspronkelijke tekening.
Opmerking verbalisant: Wij laten de getuige 02-B01 doc 14 zien.
Ik zie dat een aantal diepten dieper zijn en dat de lijnen zijn aangepast. Ik zie dus dat de diepten zijn aangepast.
Ik heb een meetbestand van de opdrachtgever, de provincie, van de aannemer [A] ontvangen om te vergelijk met mijn oorspronkelijke metingen. Er werd toen aan mij gevraagd: ‘is dit jouw meetbestand.” Ik heb toen een vergelijk gemaakt met het meetbestand wat ik in mijn archief had. Ik zag dus dat het niet hetzelfde bestand was. Er waren 46 punten waarbij een afwijking was in de Z-waarde. Dit is dus de diepte. Wat opvallend is dat de afwijkingen in de hoogte exact 10, 20 30 en 40 centimeter waren. Dit is niet normaal, het is opvallend dat het ronde getallen zijn.
7.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verdenking met bijlagen, (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –als bevindingen van verbalisant:
Op 11 december 2015 wordt door [B] per e-mail een dwarsprofieltekening met negen dwarsprofielen van de Heafeart verstuurd naar [betrokkene 2] van [A] .
Op 3 februari 2016 verstuurt [B] twee txt-bestanden met de data van de dwarsprofieltekening naar [A] . [betrokkene 2] van [A] verstuurt vervolgens op 14 januari 2016 naar Provincie Friesland een aangepaste dwarsprofieltekening als zijnde de tekening die [B] op 11 december 2015 heeft gemaakt. [B] geeft later aan dat zij deze tekening niet heeft gemaakt.
Op 5 februari 2016 verstuurt [betrokkene 2] van [A] door middel van VlSI-document 53 een aangepast txt-bestand, document 02-B01 doc 32, naar de Provincie Friesland.
In dit txt-bestand wijken 46 z-waarden af van de txt-bestanden die [A] van [B] krijgt. De 46 afwijkende punten hebben een afwijking van z-waarden in de orde van 0.10 meter t/m 0.40 meter. Door de aanpassingen van deze z-waarden lijkt het dat de bodem van de Heafeart dieper is uitgebaggerd.
De windroos, lettertype en kleur van de tekst op de tekening ontvangen door Provincie Friesland (02-B01 doc 14) komt niet overeen met de windroos op de originele tekening (15-02-B-02) verstuurd door [B] naar [A] .
8. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5o van het Wetboek van Strafvordering, te weten een
“een e-mailbericht van Tekenbureau [D] van 13 december 2015”, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
(…)
Van: “Tekenbureau [D] ” < [e-mailadres 1] >
Datum: zondag 13 december 2015 13:32
Aan: “ [betrokkene 2] ” < [e-mailadres 2] .nl>
Bijlage: Meetprotocol opmerkingen.pdf; [A] -018 legger 2.42 – ORGINEEL.pdf; [A] -019 legger 2.02- ORGINEEL.pdf
Onderwerp: Oplevering Hooivaart
Hallo [betrokkene 3] ,
Via wetransfer ontvang je de tekening van de dwarsprofielen en de inmeting hoofdvaart.
- Bijgevoegd is de orginele inmeting om de tien meter (deze niet doorsturen!!), deze is aangepast zodanig aangepast dat die onder de legger zit. Dit aangepaste bestand zit in het wetranfser bestand.
- Bijgevoegd is het meetprotol met mijn opmerkingen.
- Meting [C] is aangepast en bijgevoegd in het wetransfer bestand.
In opdracht van [A] zijn alle metingen zowel van [verdachte] als van [C] bijgesteld, zodat deze onder de desbetreffende legger vallen. Bij controle in situ zal de opdrachtgever andere waardes constateren. Mocht de opdrachtgever dit constateren zal de verantwoordelijkheid/verklaringen hierover bij [A] liggen.
Met vriendelijke groet,
[verdachte]
(…)
23. Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen:

Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Zij heeft hiertoe – kort samengevat en zakelijk weergegeven – naar voren gebracht dat verdachte moet hebben beseft dat het door hem vervalste document door [A] gebruikt zou worden als echt en onvervalst. De dwarsprofieltekening was bedoeld om te gebruiken richting de opdrachtgever (provincie) in de eindoplevering. Verdachte wist dit, zoals blijkt uit zijn e-mailbericht van 13 december 2015 (…). Het oogmerk kan derhalve wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
Verweren verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe - kort samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende naar voren gebracht. Het verschil tussen tekenen en meten is essentieel in het beroep waarin verdachte werkzaam is. Het is gebruikelijk dat verdachte gegevens aangeleverd krijgt op basis waarvan hij een tekenopdracht verricht. De tekening is eigendom van de opdrachtgever, in dit geval [A] . [A] heeft verdachte verzocht de betreffende tekening aan te passen. Destijds hoefde hij niet aan dit verzoek te twijfelen. Daarbij wordt opgemerkt dat er geen sprake was van een eindtekening. Het is in zijn branche gebruikelijk om elkaars tekening aan te passen. Er is derhalve geen sprake van een vervalsing. Daarnaast had verdachte niet het oogmerk dat [A] de tekening zou leveren aan de provincie. Dit blijkt uit het e-mailbericht van verdachte van 13 december 2015.
Oordeel hof
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Verdachte is, ten behoeve van [A] , betrokken geweest bij metingen die zijn verricht in het kader van baggerwerkzaamheden, tevens heeft hij meetgegevens daarvan in tekeningen omgezet. Teneinde bij de opleveringen van de baggerwerkzaamheden te controleren of deze juist zijn verricht is, als te doen gebruikelijk, door een derde partij, [C] , een eind(controle)meting verricht en daarvan een dwarsprofieltekening opgesteld. Op verzoek van [A] , die de baggerwerkzaamheden uitvoerde en dus belang had bij een vaststelling dat de door haar verrichte werkzaamheden overeenkomstig de opdracht zijn uitgevoerd, heeft verdachte de betreffende dwarsprofieltekening van deze eind(controle)meting van [C] aangepast en wel op zodanige wijze dat het daarmee leek alsof de baggerwerkzaamheden voldeden aan de daaraan door de opdrachtgever (de provincie) van [A] gestelde eisen. Dit stuk is één op één ingediend bij de provincie, ten bewijze dat [A] het werk deugdelijk zou hebben opgeleverd. De vraag die in hoger beroep aan de orde is, is de vraag of verdachte het oogmerk had dat de door hem aangepaste tekening als echt en onvervalst door [A] zou worden gebruikt.
Vast staat dat op de betreffende dwarsprofieltekening, die door verdachte is aangepast, de vaart op de goede diepte was uitgebaggerd, maar dat dit niet in overeenstemming was met de feitelijke situatie. Verdachte was hiervan als gezegd op de hoogte. In zijn e-mail van 13 december 2015 gericht aan [A] , spreekt hij over de zodanig aangepaste meting van [C] dat die onder de legger zit. (het hof begrijpt het contractueel vastgestelde vaarwegprofiel). Tevens schrijft hij in deze e-mail dat: “Bij controle in situ zal de opdrachtgever andere waardes constateren. Mocht de opdrachtgever dit constateren dan zal de verantwoordelijkheid/verklaring hiervoor bij [A] liggen.” Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte beseft moet hebben wat het belang was van de door [A] verzochte aanpassing van de profieltekening en voorts dat het verzoek van [A] geen enkel ander aannemelijk doel kon dienen dan de aangepaste profieltekening te gebruiken tegenover de opdrachtgever. Dat verdachte in voornoemd e-mail de verantwoordelijk voor het gebruik daarvan bij [A] legt disculpeert hem niet, maar duidt er eens te meer op dat verdachte zich realiseerde dat de aangepaste profieltekening gebruikt zou worden, en dat bij een
controlede onjuistheid daarvan aan het licht zou komen. Het hof is daarom van oordeel dat verdachte daarmee het “oogmerk” heeft gehad, in de zin van zekerheids- of noodzakelijkheidsbewustzijn op het als echt en onvervalst gebruiken van de tekening door [A] richting de provincie in de eindoplevering.’
24. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2022 houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte verklaart:
(…)
Toen ik bij de politie heb verklaard dat het voor mij wel duidelijk was dat de tekeningen niet voor intern gebruik waren en ik hen heb duidelijk gemaakt dat ik hier niet achter stond, was het in de laatste fase. Toen was het werk in principe al klaar en het hele proces doorlopen.
(…)
We praten hier over de dwarsprofielen. Ik krijg data om te verwerken. Ik had er ook een compleet nieuwe tekening van kunnen maken. Achteraf gezien had ik dat beter kunnen doen. (…) Met aanpassingen van [B] ben ik de tekeningen gaan aanpassen. Toen kreeg ik argwaan. Ik dacht: het is voor intern gebruik, dus wat zou je ermee willen?
(…)
Toen [betrokkene 2] met het verzoek kwam dat de tekeningen moesten worden aangepast, was het half december. Het werk zou toen al klaar zijn. Op dat moment dacht ik: we hebben toch al opgeleverd? Wat speelt er nog dan?
(…)
Ik voelde nattigheid door het gedoe met [C] . Het had namelijk al opgeleverd moeten zijn.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging:
In de eerste plaats wil ik opmerken dat we het allemaal moeilijk vinden. Verdachte zit in deze wereld. Voor hem zijn dit gebruikelijke dingen, terwijl het voor ons allemaal nieuw is. Wij zitten niet in de baggerwereld. De advocaat-generaal heeft gezegd dat er naar haar mening sprake is van een vervalsing. Is hier sprake van een vervalsing? Verdachte heeft gezegd dat hij de eerste keer heeft gemeten. Dan krijgt hij vervolgens voortdurend aangeleverd wat hij moet tekenen. Dat verschil is essentieel. In zijn wereld is het gebruikelijk dat je cijfers gemaild krijgt en dat je die gaat tekenen. Bij de rechtbank zaten er behoorlijk wat tekenaars in de zaal. Dit is gebruikelijk in de tekenwereld. Tekenaars kunnen dat niet allemaal gaan meten. Zij krijgen de opdracht om te tekenen. Zij krijgen gegevens aangeleverd en geven dat terug. De tekening is eigendom van de opdrachtgever. Voor verdachte was [A] de opdrachtgever, niet de Provincie. Hij deed een klus voor [A] .
Had verdachte hier moeten twijfelen? Achteraf zegt hij van wel, maar toentertijd niet. Hij krijgt profielen en levert die in.
De advocaat-generaal zegt dat het om een eindtekening gaat die verdachte heeft vervalst. Verdachte zegt dat dit niet de eindtekening is, maar de controletekening. Dit is niet de tekening die naar de Provincie gebracht had moeten worden.
[A] vraagt verdachte de tekening aan te passen. Dat vond hij wel een beetje gek gezien het stadium waarin ze zich verkeerden en gezien de snelheid waarmee extra gebaggerd moest worden. Dat heeft hem doen besluiten om de e-mail van 15 december 2015 op te stellen. Hij schrijft ook dat ze die tekening niet moeten doorsturen. Het is geen eindmeting. Dit is gebruikelijk in zijn branch. Je kunt elkaars tekening aanpassen. Achteraf had hij zich kunnen afvragen of hij het wel had moeten doen, maar met de kennis van achteraf. Als hij nieuwe gegevens krijgt, tekening hij die uit en levert hij die tekening in. Dat is geen vervalsing, maar dat is een manier van werken. Ik wijs er nogmaals op dat dit geen eindtekening was.
Dan krijgen we het oogmerk. Had verdachte het oogmerk dat [A] de tekening zou leveren aan de Provincie? Nee, nadrukkelijk niet. Verdachte vindt het een beetje gek, maar dan bedenkt hij zich dat deze tekening niet kan worden doorgestuurd. Dat zegt hij ook in zijn e-mailbericht van 15 december 2015. Hieruit blijkt uitdrukkelijk dat hij niet wil dat de tekening wordt gebruikt. Niet gesteld kan worden dat verdachte het oogmerk had.’
25. Uit de bewijsmiddelen kan kort samengevat het volgende worden afgeleid. Nadat in de Heafeart baggerwerkzaamheden zijn uitgevoerd door [A] B.V. (hierna: [A] ) zijn eindmetingen gedaan door het [D] (bewijsmiddel 5). De eindmeting wordt met de opdrachtgever gedaan; de verdachte heeft deze data ingetekend (bewijsmiddel 1). Ter controle van de eindmeting is door een ander meetbureau, [C] B.V. (hierna: [C] ), een controlemeting uitgevoerd (bewijsmiddel 5). De resultaten van die controlemeting zijn op 11 december 2015 door [C] aan [A] gestuurd (bewijsmiddelen 5 en 7). Op 13 december 2015 stuurt verdachte een e-mail aan [betrokkene 2] van [A] , met bijgevoegd ‘de originele inmeting’ en het ‘aangepaste bestand (…) in het wetransfer-bestand’, alsmede de ‘ [C] (die) is aangepast en bijgevoegd in het wetransfer bestand’ (bewijsmiddel 8). Vervolgens verstuurt [betrokkene 2] van [A] op 14 januari 2016 naar de Provincie Friesland een aangepaste dwarsprofieltekening als zijnde de tekening die [C] op 11 december 2015 heeft gemaakt (bewijsmiddel 7), naar ik begrijp samen met de eindmeetgegevens baggerwerk uitgevoerd door het teken- en adviesbureau van verdachte (bewijsmiddel 3). De provincie trekt uit een indicatieve meting die op 25 april 2016 is uitgevoerd en een contra-expertise door meetbureau G2 de conclusie dat de door [A] aangeleverde meetgegevens niet voldoen aan de contracteisen (bewijsmiddelen 4 en 5). [C] verklaart dat er (in het meetbestand dat door [A] als het zijne is ingediend) op 46 punten een afwijking is van de diepte die in zijn bestand (dat in zijn archief zit) is aangegeven (bewijsmiddel 6).
26. De
eerstedeelklacht betreft als gezegd de vraag of de betrokkenheid van de verdachte bij de vervalsing van de dwarsprofieltekening uit de bewijsmiddelen kan volgen. De steller van het middel meent dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Uit de bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen dat de verdachte betrokken is geweest bij de vervalsing van ‘de op 14 januari 2016 door [betrokkene 2] van [A] aan de Provincie Friesland verstuurde dwarsprofieltekening, die een aanpassing zou zijn van de op 11 december 2015 door [C] aan [A] verzonden dwarsprofieltekening’. Niet zou kunnen blijken dat de verdachte ‘de op 11 december 2015 door [B] aan [A] verstuurde dwarsprofieltekening op enig moment van [A] of op een andere manier heeft ontvangen en/of dat hem door [A] is verzocht die dwarsprofieltekening aan de hand van door [A] en/of [B] verstrekte gegevens aan te passen’.
27. Uit de bewijsmiddelen volgt, zo bleek, dat de verdachte op 13 december 2015 een e-mail heeft gestuurd aan [betrokkene 2] van [A] met bijgevoegd ‘de originele inmeting’ en het ‘aangepaste bestand (…) in het wetransfer-bestand’, alsmede de ‘ [C] (die) is aangepast en bijgevoegd in het wetransfer bestand’. De verdachte geeft in dat e-mailbericht aan dat in opdracht van [A] ‘alle metingen zowel van [verdachte] als [C] (zijn) bijgesteld, zodat deze onder de desbetreffende legger vallen’ (bewijsmiddel 8). Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij is ‘ingehuurd voor de eindmetingen en [B] voor de controlemetingen’ en dat er destijds ‘inderdaad tekeningen van [C] op verzoek van [A] (zijn) aangepast en bijgesteld’. Hij verklaart voorts dat [betrokkene 2] ‘met het verzoek kwam dat de tekeningen moesten worden aangepast’ (bewijsmiddel 1). En uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de verdachte tijdens een verhoor door de politie heeft verklaard hij ‘een verzoek van [betrokkene 3] (kreeg) om de metingen van het meetbedrijf [C] aan te passen’ en dat hij ‘alle metingen’ heeft aangepast (bewijsmiddel 2).
28. Daaruit heeft het hof naar het mij voorkomt kunnen afleiden dat verdachte de persoon is geweest die de dwarsprofieltekening van [C] heeft aangepast op zodanige wijze dat het ‘leek alsof de baggerwerkzaamheden voldeden aan de daaraan door de opdrachtgever (de provincie) van [A] gestelde eisen’. Dat de verdachte de eindmeting van [C] heeft ontvangen en dat [betrokkene 2] vervolgens met het verzoek kwam ‘dat de tekeningen moesten worden aangepast’ volgt uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 1). Daaraan doet niet af dat in de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte die ter terechtzitting in hoger beroep is afgelegd ook wordt gesproken over aanpassingen die hij anders dan op verzoek van [betrokkene 2] heeft aangebracht. En daaraan doet evenmin af dat de verdachte in zijn bij de politie afgelegde verklaring spreekt over een originele tekening van 5 december 2015. Dat de tekening op 11 december 2015 aan [A] is gestuurd, sluit niet uit dat ‘in de onderhoek’ staat dat ‘de originele tekening van 5 december 2015’ is.
29. Aan de toereikendheid van de bewijsvoering doet evenmin af dat uit de tot het bewijs gebezigde verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd blijkt dat er meerdere verzoeken zijn geweest om dwarsprofielen en metingen aan te passen, waaronder een verzoek op 30 november 2015 ‘om twee dwarsprofielen bij te trekken’ (bewijsmiddel 2). Het hof heeft uit deze verklaring van de verdachte en andere bewijsmiddelen kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat verschillende verzoeken zijn gedaan en uitgevoerd die de meetgegevens die op de ‘aangepaste’ originele inmeting vermeld zijn betroffen, en dat de dwarsprofieltekening die [C] op 11 december 2015 heeft verstuurd daar voorafgaand aan het e-mailbericht van 13 december 2015 aan is aangepast.
30. De steller van het middel maakt tenslotte enkele opmerkingen over bewijsmiddel 7, waarin de verbalisant zijn waarneming heeft vermeld dat de ‘windroos, lettertype en kleur van de tekst op de tekening ontvangen door Provincie Friesland’ niet overeenkomt ‘met de windroos op de originele tekening’ die door [C] naar [A] is gestuurd. Vastgesteld zou niet kunnen worden dat de verdachte ‘in een tekening van [C] zou hebben getekend en daarbij ook de kenmerken van een originele tekening van [C] zou hebben gebruikt’. De steller van het middel voert daarbij aan dat de ‘via Wetransfer te verzenden tekening (…) geen onderdeel van de bewijsvoering’ is. Bovendien zou uit de bewijsvoering niet volgen dat aan de verdachte is verzocht ‘om dergelijke wijzigingen aan windroos, lettertype en tekst door te voeren, laat staan dat hij dergelijke wijzigingen feitelijk heeft doorgevoerd’.
31. Geen rechtsregel brengt mee dat de waarneming van de verbalisant omtrent de windroos, het lettertype en de kleur van de tekst op de tekening ontvangen door de provincie slechts voor het bewijs mag worden gebezigd als ook die tekening zelf onder de bewijsmiddelen is opgenomen. Dat uit de bewijsvoering niet volgt dat aan de verdachte is verzocht om een en ander te wijzigen staat evenmin aan het gebruik voor het bewijs van deze verklaring, die slechts verschillen constateert, in de weg. Wat betreft het belang van deze passage uit de bewijsmiddelen wijs ik erop dat aan de verdachte niet is ten laste gelegd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan valsheid in geschrifte door de windroos, het lettertype of de kleur van de originele tekening van [C] aan te passen. Zonder deze passage zou de bewijsvoering ook nog steeds zonder meer toereikend zijn.
32. De steller van het middel voert voorts aan dat het wijzigen van een tekening aan de hand van nieuwe metingen zou betekenen dat een nieuwe tekening wordt gemaakt waarop de ‘handtekening’ komt te staan van degene die deze maakt en dat de tekening waarom het in de bewijsvoering gaat niet door de verdachte kan zijn aangepast omdat deze volgens de bewijsvoering kennelijk als van [C] afkomstig had te gelden.
33. Het wijzigen van een tekening impliceert niet noodzakelijkerwijs dat op de (nieuwe) tekening de ‘handtekening’ komt te staan van degene die deze maakt. Het hof heeft uit de waarneming van verbalisant kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat de verdachte een (nieuwe) tekening heeft gemaakt die als van [C] afkomstig had te gelden en van een logo was voorzien dat op dat van [C] leek maar daar tevens van afweek. Daaraan doet niet af dat het hof, zoals de steller van het middel opmerkt, geen nadere vaststellingen omtrent het logo heeft gedaan. Ik merk daarbij op dat ter terechtzitting in hoger beroep niet is bestreden dat de verdachte een tekening van [C] heeft bewerkt, en dat noch de verdachte noch de raadsman is ingegaan op de waarneming van de verbalisant omtrent de windroos, het lettertype en de kleur van de tekst op de tekening die door de provincie is ontvangen.
34. Ik merk naar aanleiding van de opmerkingen van de steller van het middel nog op dat in de cassatieschriftuur niet wordt betoogd dat het maken van een nieuwe tekening het valselijk opmaken van een geschrift en niet het vervalsen daarvan oplevert. Nu na cassatie tevens het valselijk opmaken ten laste zou kunnen worden gelegd en de keuze tussen beide gedragingen voor de strafrechtelijke waardering van het feit niet van belang is, meen ik dat het belang bij cassatie ingeval van een dergelijke klacht ook toelichting zou behoeven.
35. De eerste deelklacht faalt.
36. De
tweededeelklacht betreft de vraag of het (in het bewezenverklaarde vervalsen besloten liggende) opzet uit de bewijsmiddelen kan volgen. De steller van het middel voert aan dat uit de bewijsmiddelen, uit hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard en uit het pleidooi van de verdediging zou volgen dat de verdachte ‘heeft getekend op basis van door [A] aangeleverde data en dat dit de gangbare praktijk was’. Het hof zou ten onrechte de juistheid in het midden hebben gelaten van het verweer dat de verdachte niet zou hebben vermoed dat deze data niet in overeenstemming waren met de werkelijkheid. In ieder geval zou de verwerping van dit verweer (zonder motivering, die ontbreekt) onbegrijpelijk zijn.
37. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte heeft verklaard dat hij op verzoek van [betrokkene 2] de tekeningen is gaan aanpassen en dat hij toen ‘nattigheid’ voelde door ‘het gedoe met [C] ’ omdat het al opgeleverd had moeten zijn (bewijsmiddel 1). De verdachte heeft voorts verklaard dat hij nadat hij de controlemeetgegevens opgemaakt door [B] van [A] had ontvangen en van [betrokkene 2] het verzoek kreeg om ‘ze’ aan te passen, dacht: ‘dit gaat helemaal mis’. En dat hij daarop de mail naar [betrokkene 3] heeft gestuurd op 13 december 2015 (bewijsmiddel 2). Uit die onder de bewijsmiddelen opgenomen e-mail volgt dat is bijgevoegd ‘de originele inmeting’ en het ‘aangepaste bestand (…) in het wetransfer-bestand’, alsmede de ‘ [C] (die) is aangepast en bijgevoegd in het wetransfer bestand’. En de verdachte geeft aan dat de bijgevoegde originele inmeting niet doorgestuurd moest worden, dat ‘alle metingen zowel van [verdachte] als [C] (zijn) bijgesteld, zodat deze onder de desbetreffende legger vallen’ en dat de opdrachtgever bij controle in situ andere waardes zal constateren waarvoor de verantwoordelijkheid/verklaringen bij [A] liggen (bewijsmiddel 8).
38. Het hof heeft vastgesteld dat ‘op de betreffende dwarsprofieltekening, die door verdachte is aangepast, de vaart op de goede diepte was uitgebaggerd, maar dat dit niet in overeenstemming was met de feitelijke situatie’. En dat de verdachte hiervan ‘als gezegd op de hoogte’ was. Het hof verwijst daarbij naar de inhoud van de e-mail van 13 december 2015. Aldus heeft het hof de juistheid van de stelling dat verdachte niet zou hebben vermoed dat de door [A] aangeleverde data niet in overeenstemming waren met de werkelijkheid niet in het midden gelaten. Uit de vaststelling dat verdachte aan [A] heeft aangegeven dat de opdrachtgever bij controle in situ andere waardes zal constateren, volgt immers dat de verdachte wist dat dat zijn aanpassingen in de dwarsprofieltekening niet in overeenstemming waren met de werkelijkheid. Ook overigens is ’s hofs oordeel dat de verdachte wist dat de wijzigingen die hij had aangebracht in strijd met de werkelijkheid waren en dus opzet had op het vervalsen van de dwarsprofieltekening toereikend met redenen omkleed. Ik merk daarbij nog op dat het beroep op een ‘gangbare praktijk’ niet aan een bewezenverklaring in de weg staat en evenmin een beroep op een strafuitsluitingsgrond oplevert, zodat het hof daaraan voorbij mocht gaan.
39. Ook de tweede deelklacht faalt.
40. De
derdedeelklacht betreft de vraag of uit de bewijsvoering kan blijken dat de verdachte de bedoeling had het vervalste geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken. De steller van het middel voert aan dat uit het e-mailbericht slechts zou volgen dat ‘de opdrachtgever bij een controle andere waardes zou constateren’. Daarmee zou niets gezegd zijn over de kans dat de tekening gebruikt zou worden. En in de e-mail zou voorts besloten liggen dat de verdachte ‘ervan uitging dat de opdrachtgever (voor de inzending van de tekening) nog een controle zou uitvoeren’.
41. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij ‘meet- en tekenwerk voor opdrachtgevers’ doet, dat zij als er ‘sprake is van baggerwerk’ door [A] werden gevraagd ‘om tussenmetingen te maken’ en dat zij hem hebben ‘ingehuurd voor de eindmetingen’. Hij verklaart voorts dat hij ‘nattigheid’ voelde ‘door het gedoe met [C] . Het had namelijk al opgeleverd moeten worden’ (bewijsmiddel 1). Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij de controlemeetgegevens opgemaakt door [B] heeft ontvangen van [A] , dat hij van [betrokkene 2] het verzoek kreeg om ze aan te passen en dat hij toen dacht: ‘dit gaat helemaal mis’ (bewijsmiddel 2). De e-mail die hij daaropvolgend naar [betrokkene 3] heeft verstuurd, heeft als onderwerp ‘Oplevering Hooivaart’ en houdt in dat de originele meting is bijgevoegd en vermeldt daarbij: ‘(deze niet doorsturen!!)’. De e-mail eindigt met de zinnen: ‘Bij controle in situ zal de opdrachtgever andere waardes constateren. Mocht de opdrachtgever dit constateren dan zal de verantwoordelijkheid/verklaringen hierover bij [A] liggen’ (bewijsmiddel 8).
42. Het hof leidt, zo begrijp ik, in het bijzonder uit deze laatste beide zinnen af ‘dat verdachte beseft moet hebben wat het belang was van de door [A] verzochte aanpassing van de profieltekening en voorts dat het verzoek van [A] geen enkel ander aannemelijk doel kon dienen dan de aangepaste profieltekening te gebruiken tegenover de opdrachtgever’. Dat verdachte in de e-mail de verantwoordelijkheid voor het gebruik daarvan bij [A] legt duidt er, aldus het hof, ‘eens te meer op dat verdachte zich realiseerde dat de aangepaste profieltekening gebruikt zou worden, en dat bij een
controlede onjuistheid daarvan aan het licht zou komen.’ Gelet daarop heeft het hof geoordeeld dat de verdachte het oogmerk heeft gehad, ‘in de zin van zekerheids- of noodzakelijkheidsbewustzijn’ op het als echt en onvervalst gebruiken van de tekening door [A] richting de provincie in de eindoplevering.
43. Anders dan de steller van het middel meen ik dat uit de e-mail van de verdachte van 13 december 2015 kan worden opgemaakt dat de verdachte het oogmerk had dat de door hem aangepaste dwarsprofieltekening zou worden gebruikt (door deze te verzenden naar de opdrachtgever, de provincie). Immers heeft de verdachte in die e-mail aangegeven dat de originele inmeting niet doorgestuurd moest worden en dat de opdrachtgever bij een controle andere waardes zou constateren.
44. Al met al heeft het hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte het oogmerk had dat de door hem aangepaste tekening door [A] zou worden gebruikt en dat hij de dwarsprofieltekening aldus heeft vervalst met het oogmerk om dit valse geschrift ‘als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken’, zoals art. 225, eerste lid, Sr eist. Dat oordeel is voorts toereikend gemotiveerd.
45. De derde deelklacht faalt eveneens. Daarmee faalt het middel.

Bespreking van het derde middel

46. Het
derdemiddel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn in cassatie.
47. Op 15 februari 2022 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 11 november 2022 op de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendingstermijn van acht maanden met afgerond één maand is overschreden.
48. Het middel slaagt. Nu de taakstraf geheel voorwaardelijk is opgelegd behoeft dat niet tot strafvermindering te leiden. [4]

Afronding

49. Het eerste en het tweede middel falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering. In verband met het tweede middel wijs ik erop dat de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken. [5] Het derde middel slaagt, maar leidt niet tot cassatie. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
50. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie over deze wettelijke regeling nader D.R. Doorenbos,
2.HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1182.
3.Vgl. HR 7 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2791,
4.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
5.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,