ECLI:NL:PHR:2023:792

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 september 2023
Publicatiedatum
11 september 2023
Zaaknummer
21/04699
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 310 SrArt. 359 lid 6 SvArt. 4 PbwArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring openlijk in vereniging geweld en diefstal met strafmotivering

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, voor openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon en diefstal. Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter en achtte de bewezenverklaring voldoende gemotiveerd op basis van verklaringen van het slachtoffer en meerdere getuigen, medische rapporten en proces-verbalen van bevindingen.

De verdediging voerde aan dat de herkenning van verdachte door getuigen onbetrouwbaar was vanwege omstandigheden zoals duisternis, afstand en algemene signalementen. Het hof oordeelde echter dat de herkenningen betrouwbaar waren en dat het verweer onvoldoende overtuigend was. De Hoge Raad toetst in cassatie slechts beperkt aan de feitenrechterlijke waardering en oordeelt dat het hof voldoende heeft gemotiveerd waarom het van het verweer is afgeweken.

Daarnaast stelde de verdediging dat het hof niet had vermeld welk deel van de straf ten uitvoer zou worden gelegd met betrekking tot deelname aan een penitentiair programma of voorwaardelijke invrijheidstelling. De Hoge Raad stelt vast dat de opgelegde straf te kort is voor deelname aan dergelijke regelingen, zodat het hof niet verplicht was dit te motiveren.

De Hoge Raad concludeert dat de middelen falen en verwerpt het cassatieberoep, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot drie maanden gevangenisstraf, waarvan één maand voorwaardelijk, blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04699
Zitting19 september 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Bij arrest van 2 november 2021 heeft het gerechtshof Amsterdam het mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaat Haarlem, van 13 november 2020 bevestigd met dien verstande dat het mede acht slaat op het bepaalde in art. 63 Sv Pro en de verdachte wegens (in de zaak met parketnummer 15-156028-20) "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" en (in de zaak met parketnummer 15-212738-20) “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld over 1) de motivering van de bewezenverklaring en 2) het verzuim van het hof te vermelden welk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf, gelet op de mogelijkheid van deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in art. 4 Pbw Pro, ten uitvoer dient te worden gelegd (art. 359 lid 6 Sv Pro).
1.3
Nu het eerste middel een klacht bevat over het in de zaak met parketnummer 15-156028-20 bewezen verklaarde openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, geef ik als eerste de bewezenverklaring en de bewijsvoering uit het door het hof bevestigde mondelinge vonnis inzake dit feit weer.

2.Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

15.156028.20
hij op 9 april 2020 te [plaats], openlijk, te weten in de [a-straat], in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer], door meermalen in het gezicht en tegen het lichaam van die [slachtoffer] te stompen/slaan en trappen;”
2.2
De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen naar het proces-dossier):

I.
Een proces-verbaal van aangifte […] Dit proces verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 9 april 2020 door aangever [slachtoffer] ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring:
Op 9 april 2020, omstreeks 23.00 uur, bevond ik mij in de [a-straat] te [plaats]. Ik werd aangesproken door een groep jongens. Ik zag dat deze groep jongens uit ongeveer zeven personen bestond. Ik zag dat de jongens mij begonnen te duwen en probeerden vast te houden.
Ik heb geprobeerd mijn voordeur te openen met mijn sleutels. Op dat moment zag en voelde ik dat ik door een van de jongens werd geslagen. Ik zag en voelde dat de jongen mij met zijn vuist hard op mijn gezicht sloeg. Ik voelde direct een hevige pijn aan mijn gezicht. Vervolgens zag en voelde ik dat de rest van de jongens mij ook begonnen aan te vallen. Ik voelde dat de jongens mij op de grond duwden. Ik kwam ten val en voelde dat ik vervolgens door meerdere jongens werd getrapt en geslagen. Ik voelde dat ik overal op mijn lichaam werd geraakt. Ook voelde ik dat ik in mijn gezicht werd getrapt. Dit deed erge pijn.
Toen de politie aanwezig was zag ik een jongen uit de groep weer in de straat lopen. Ik herkende deze jongens als zijnde de jongen die mij als eerste sloeg. Ik herkende de jongen aan zijn ogen en zijn gezicht. Ik zag namelijk dat de jongen donkere ogen had en een baardje had. Ik zag dat de jongen nu alleen geen petje meer droeg.
II.
Een geschrift, te weten een Waarneembericht Huisartsenpost Spoedpost Zuid, van [betrokkene 1] d.d. 11 april 2020, pagina 10 e.v. Dit geschrift houdt het volgende in:
Patiënt: [slachtoffer]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1990
Contactdatum: 11 april 2020
Kneuzingen over hele lijf. Wat betreft het gelaat: een wond in de linker wenkbrauw die geplakt is, een dikke bovenlip en neus en ook in de mond een verwonding. Een hematoom onder het linker oog. Ook pijn in de nek en opzij kijken is beperkt en pijnlijk tot tussen schouderbladen. Hoofdpijn frontaal en achterhoofd.
III.
Een proces-verbaal van verhoor getuige […]. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 10 april 2020 door getuige [betrokkene 2] ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring:
Gisteren rond 23.00 uur hoorde ik ineens geschreeuw uit de [a-straat] komen. Ik zag een groep jongens slaan en schoppen tegen één jongen.
Ik zag een groep jongens die licht getinte huidskleur hadden. Een aantal droeg ook een pet. De meeste waren rond de 20 jaar oud schat ik in.
Ik zag dat de jongens met vuisten tegen het hoofd van een jongen sloegen. Ik zag dat deze jongens echt heel hard sloegen tegen het hoofd. De vuistslagen tegen het hoofd werd door meerdere jongens gedaan. Ik zag dat door de harde klappen die hij kreeg, naar achter vloog tegen een muur aan. Ik zag dat de groep jongens bleef slaan tegen zijn hoofd. Het leken wel echt allemaal kickboksers. Ik zag dat de jongen die tegen het hoofd geslagen werd vervolgens op de grond lag. Ik zag dat er zeker twee van deze jongens om de beurt hard tegen het hoofd van de man aan schopten.
Ik zag dat er een jongen aan kwam lopen uit de richting van de [b-straat], de [a-straat] in. Ik zag dat hij tot vlak naast de gewonde jongen liep om zijn pet te pakken die daar lag. Ik zag dat dit de jongen was die geslagen had en had geschopt. Ik herkende hem direct. Ik herkende de stem direct die ik eerder had gehoord.
Ik zag dat de man werd aangehouden.
IV.
Een proces-verbaal van verhoor getuige […]. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 12 april 2020 door getuige [betrokkene 3] ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring:
Ik woon sinds kort in de [a-straat] in [plaats]. Op 9 april 2020 omstreeks 23.00 uur zaten mijn vriend en ik in de woonkamer. Op dat moment hoorden wij plotseling het geluid alsof er geslagen werd. Ik hoorde twee doffe klappen. Hierop zijn mijn vriend en ik naar het open raam gelopen en keken naar buiten. Wij zagen een groepje van vijf jongemannen staan rond een manspersoon welke op de grond lag. Ik zag dat de manspersoon een schop in zijn buik kreeg.
De manspersoon was er nog en lag op straat. Er waren verschillende mensen naar buiten gekomen en de politie arriveerde ook en ontfermden zich over het slachtoffer die op straat lag. Terwijl mijn vriend (de politierechter begrijpt: en ik) daar zo stonden, kwam er een licht getinte jongen bij ons staan. Hij begon tegen ons te praten.
De jongeman begon op een nogal opdringende wijze tegen ons te praten. Hij klonk nogal agressief. Hij zei: "Zo...is hier een vechtpartij geweest, wat is 'r gebeurd?" Echter de manier waarop hij dit zei en zijn gebruikte gezichtsexpressie deed mij vermoeden dat hij er meer van wist. Ik zag dat hij namelijk een soort besmuikte lach op zijn gezicht had. Ik zag dat hij naar een pet keek die naast het slachtoffer op straat lag. Ik hoorde dat hij zei: "Hey…dat is mijn pet die daar ligt". Terwijl hij dit zei liep hij naar die pet toe en wilde hij deze op pakken. Op dat moment werd hij aangesproken door een van de politiemensen die ter plaatse waren gekomen. Ik hoorde dat de politieagent ze: "Is dat jouw pet dan?", waarop ik de jongen hoorden zeggen: "Uhhh ja hoezo?" Hierop werd de jongen aangehouden door de politie.
V.
Een proces-verbaal van verhoor getuige […]. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 10 april 2020 door getuige [betrokkene 4] ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring:
Op 9 april 2020 omstreeks 23.00 uur was ik in mijn woning gelegen op de [a-straat] in [plaats]. Ik hoorde doffe klappen waarop ik naar buiten keek de [a-straat] in. Toen ik naar buiten keek zag ik een groep mannen op een man inslaan die op de grond lag. Ik zag dat de groep bestond uit vijf mannen van ongeveer 20 jaar oud. Ik zag dat de mannen een licht getinte huidskleur hadden en donkere haren. Enkelen van hen droegen petjes.
Ik zag vier van de mannen inslaan op de man die op de grond lag. Ik zag een van de mannen schoppen tegen de man die op de grond lag.
Ik zag een pet op de grond liggen op ongeveer 2 meter afstand van het slachtoffer. Deze pet was grijs met een ruitmotief.
Kort daarna zag ik een man lopen. Deze man past qua leeftijd en signalement binnen de groep die ik had zien wegrennen. De man raapte de pet op die naast het slachtoffer lag en liep door. Ik zag dat het slachtoffer naar de man keek, terwijl hij die pet van de grond opraapte. Ik hoorde dat het slachtoffer daarbij zei: "He was there”.
VI.
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 april 2020 […]. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van verbalisanten, althans een van hen:
Op 9 april 2020, omstreeks 23:04 uur, kwamen wij ter plaatse op de [a-straat] te [plaats]. Wij zagen een man op de grond zitten, die later bleek te zijn genaamd: [slachtoffer]. Wij zagen naast [slachtoffer] rode spetters op de grond liggen, vermoedelijk bloed. Op twee meter afstand van [slachtoffer] zagen wij een "boerenpet" liggen, welke grijs van kleur was.
Ik zag dat [slachtoffer] een snee boven zijn linkeroog had. Ik zag dat [slachtoffer] bloed in zijn rechtermondhoek had.
Tijdens het aanhoren van de verklaring van [slachtoffer] zag ik een persoon, die later bleek te zijn genaamd: [verdachte], [verdachte] geboren op [geboortedatum] 2002, naar de boerenpet lopen. Wij zagen dat [verdachte] de boerenpet op zijn hoofd zette en weg liep in de richting van het [a-plein].
[verdachte] hebben wij aangemerkt als zijnde verdachte en aangehouden ter zake openlijke geweldpleging.”
2.3
Daarnaast berust de bewezenverklaring op de volgende bewijsoverwegingen:

3.2 Bewijsoverweging
De raadsman heeft zich in de zaak met parketnummer 15.156028.20 op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu onvoldoende zeker kan worden gemaakt dat de herkenningen van verdachte door getuigen berusten op een betrouwbare waarneming.
De politierechter is van oordeel dat het aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen en overweegt daartoe als volgt.
Aangever verklaart dat hij verdachte herkent als één van de daders. Hij omschrijft daarbij een aantal uiterlijke kenmerken waaraan hij verdachte herkent en verklaart verdachte te herkennen aan diens gezicht. Hoewel de omschrijving die aangever geeft vrij algemeen is, gaat de politierechter uit van de juistheid van zijn herkenning van verdachte als één van de daders. De confrontatie tussen aangever en de daders heeft immers pas kort daarvoor plaatsgevonden. Bovendien heeft de aanval van dichtbij plaatsgevonden, waardoor aangever de daders goed heeft kunnen zien.
Ook gaat de politierechter uit van de juistheid van de verklaring van getuige [betrokkene 2]. Hij verklaart dat hij verdachte op grond van specifieke (uiterlijke) kenmerken als één van de daders herkent. Hij verklaart namelijk stellig verdachte te herkennen aan zijn kleding, tas en stem. Dat de streep op de schouderband van de tas van verdachte niet wit is – zoals [betrokkene 2] verklaart – doet hier naar het oordeel van de politierechter niet aan af nu er op de foto in het dossier wel degelijk een streep te zien is op de schouderband die lichter van kleur is dan de rest van de schouderband.
Het gegeven dat aangever en getuige [betrokkene 2], die een getuige is zonder enig eigenbelang in deze zaak, los van elkaar verdachte allebei vrijwel direct na het incident herkennen als één van de daders, in combinatie met de verklaring van getuige [betrokkene 3] over het gedrag van verdachte na het incident, de aanwezigheid van de pet van verdachte naast het slachtoffer, het uitblijven van een aannemelijke verklaring van verdachte over de aanwezigheid van zijn pet naast het slachtoffer en de omstandigheid dat verdachte in het algemene signalement past dat door getuigen wordt gegeven van de daders, maakt dat naar het oordeel van de politierechter wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte één van de daders van de openlijke geweldpleging is.
Het verweer van de raadsman wordt verworpen.”
2.4
De raadsvrouw van de verdachte heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 19 oktober 2021 gepleit aan de hand van een op schrift gestelde pleitnota. Deze pleitnota houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:
“C CONCLUSIES
De verklaring van de
aangeverop het punt van de herkenning kan niet voor het bewijs worden gebezigd:
- Hij kan de jongens niet duidelijk omschrijven
- Het was donker
- Het ging allemaal erg snel
- Hij was door het gebeuren vanzelfsprekend erg van slag
- Het waren jongens van Marokkaanse afkomst
- De herkenning aan donkere ogen en baardje, terwijl [verdachte] geen baardje had
- [verdachte] is van Marokkaanse afkomst en dan voldoet hij al gauw aan dat signalement
- [verdachte] is van Marokkaanse afkomst en aangever is net door een groep jongens van
Marokkaanse afkomst in elkaar geslagen
Deze herkenning is daarom uiterst twijfelachtig.
Ook de verklaring van getuige
[betrokkene 2]kan niet voor het bewijs worden gebezigd:
- de afstand van 26 meter was te groot
- zeker in het donker
- er is sprake van ‘beïnvloeding’ omdat hij de aangever hoort roepen dat hij de jongen herkent
- de tas die hij beschrijft heeft geen witte lijn
- de stemherkenning is vrijwel onmogelijk (hij heeft geschreeuw gehoord, geen praten)
Deze herkenning daarom uiterst twijfelachtig.
Getuige
[betrokkene 4]herkent [verdachte] niet als een van de daders. Zij zegt het eigenlijk heel duidelijk: “Deze man past qua leeftijd en signalement binnen de groep die ik had zien wegrennen".
De verklaring van getuige
[betrokkene 3]kan evenmin voor het bewijs worden gebezigd: een besmuikte lach ([verdachte] was enigszins dronken en stoned) en het door haar uitgesproken vermoeden dat hij er meer van wist volstaat vanzelfsprekend geenszins.
Daar komt bij:
- [verdachte] was alleen
- [verdachte] ontkent bij de mishandeling betrokken te zijn geweest
- [verdachte] had geen verwondingen aan zijn handen
- Hij liep met een joint die hij naar eigen zeggen kort daarvoor bij [A] had gekocht, ongeveer een minuut lopen van de plaats delict
- De politie was snel ter plaatse, het is vrijwel onmogelijk dat [verdachte] binnen die paar minuten in de coffeeshop een joint heeft gekocht en is teruggelopen
- Maar vooral: het is buitengewoon onwaarschijnlijk dat [verdachte] naar de plaats delict en de daar aanwezige politie loopt, én dan ook nog eens ten overstaan van de politie zijn pet opraapt en zegt dat hij die van hem is, als hij net betrokken was bij het geweld.
CONCLUSIE: te veel ruimte voor twijfel, vrijspraak”

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof in afwijking van het namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt bewezen heeft verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging, maar heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom van dit standpunt is afgeweken, waardoor het arrest aan nietigheid leidt. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof niet heeft gerespondeerd op de volgende door de raadsvrouw aangevoerde argumenten inzake de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte als een van de daders van de openlijke geweldpleging:
- dat de aangever geen goede omschrijving kon geven van de jongens die hem aanvielen, dat het donker was en erg snel ging, en dat de raadsvrouw heeft opgemerkt dat de verdachte als van Marokkaanse afkomst al snel aan het door aangever gegeven signalement (donkere ogen) voldeed en dat hij – anders dan de aangever heeft verklaard – géén baardje droeg;
- dat de afstand van getuige [betrokkene 2], 26 meter, in het donker te groot was voor een goede herkenning en dat deze getuige ook nog was beïnvloed, omdat hij de aangever had horen roepen dat hij de jongen herkende, terwijl hij diens stem niet kan hebben herkend, omdat er eerder alleen geschreeuwd werd;
- dat het buitengewoon onwaarschijnlijk is dat de verdachte na het plegen van het delict naar de plaats delict zou zijn gelopen en in aanwezigheid van de politie dan ook nog zijn pet opraapt en zegt dat die van hem is.
3.2
Bespreking van het eerste middel
3.2.1
Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv. De rechter is gehouden om te responderen op een dergelijk standpunt, maar hoeft niet op elk detail van de argumentatie in te gaan. [1] Als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring is van belang dat in cassatie dergelijke oordelen gelet op de selectie en waarderingsvrijheid van de feitenrechter niet diepgaand worden getoetst. Wanneer de feitenrechter er blijk van geeft, acht te hebben geslagen op het verweer en overweegt dat het gevoerde verweer wordt weersproken of weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, is de verwerping van het verweer doorgaans voldoende gemotiveerd. Dit is alleen bij hoge uitzondering anders. [2]
3.2.2
Ik meen dat het hof door de bevestiging van de hiervoor onder 2.4. geciteerde bewijsoverweging ruimschoots heeft voldaan aan de verplichting om in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inzake de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte als een van de daders van de openlijke geweldpleging. Hierbij was het hof niet gehouden afzonderlijk te reageren op de door de steller opgesomde omstandigheden die door de raadsvrouw ter terechtzitting naar voren zijn gebracht. De bewezenverklaring is dus voldoende met redenen omkleed.
3.2.3
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof bij de motivering van de oplegging van de gevangenisstraf in strijd met art. 359 lid 6 Sv Pro, zoals dat ten tijde van het wijzen van het arrest luidde, heeft verzuimd om te vermelden welk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf, gelet op de mogelijkheid van deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in art. 4 Pbw Pro of de voorwaardelijke invrijheidsstelling, bedoeld in art. 15 Sv Pro in ieder geval ten uitvoer zal worden gelegd, welk verzuim in art. 359 lid 8 Sv Pro is bedreigd met nietigheid.
4.2
Juridisch kader
4.2.1
Bij de bespreking van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
Art. 359 Sv Pro (geldend sinds 1 juli 2021):
“6. Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet. Het vonnis vermeldt welk gedeelte van een opgelegde vrijheidsstraf, gelet op de mogelijkheid van deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire Beginselenwet of de voorwaardelijke invrijheidstelling, bedoeld in artikel 15 van Pro het Wetboek van Strafrecht, in ieder geval ten uitvoer wordt gelegd.”
Art. 6:2:10 Sv Pro (geldend sinds 1 juli 2021):
“1.
Voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden verleend:
a.
aan de veroordeelde tot vrijheidsstraf van meer dan een jaar en ten hoogste twee jaren wanneer de vrijheidsbeneming ten minste een jaar heeft geduurd en van het alsdan nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf een derde gedeelte is ondergaan;
b.
aan de veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren wanneer hij twee derde gedeelte daarvan heeft ondergaan, met dien verstande dat de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, niet langer kan zijn dan twee jaren.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a.
de rechter heeft bepaald dat een gedeelte van de vrijheidsstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd;”
Art. 4 Pbw Pro (in werking getreden op 1 december 2021):
“2.
Gedetineerden kunnen in de gelegenheid worden gesteld tot deelname aan een penitentiair programma direct voorafgaand aan de datum van invrijheidstelling, mits:
a.
de gedetineerde een of meer onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen ondergaat waarvan de duur onderscheidenlijk de gezamenlijke duur ten minste zes maanden en ten hoogste een jaar bedraagt;
b.
bij aanvang van de deelname aan het penitentiair programma nog ten minste vier weken van de vrijheidsstraf of vrijheidsstraffen moeten worden ondergaan; en
c.
er geen andere omstandigheden zijn die zich tegen zijn deelname verzetten.
De deelname aan het penitentiair programma duurt niet langer dan een zesde deel van de vrijheidsstraf of vrijheidsstraffen die de gedetineerde nog moet ondergaan. Indien de veroordeling tot een vrijheidsstraf nog niet onherroepelijk is, wordt de datum van invrijheidstelling voor de toepassing van dit lid berekend op grond van de veroordeling waartegen het rechtsmiddel is aangewend.”
4.2.2
Met de Wet van 24 juni 2020 tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met de wijziging van de regeling inzake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling (Wet straffen en beschermen [3] ) is een aantal wijzigingen doorgevoerd in art. 359 lid 6 Sv Pro, art. 6:2:10 Sv Pro en art. 4 Pbw Pro. Door de gefaseerde invoering van de wet zijn art. 359 lid 6 Sv Pro en art. 6:2:10 Sv Pro per 1 juli 2021 in werking getreden en de wijziging van art. 4 Pbw Pro per 1 december 2021. De Wet Straffen en beschermen voorziet in een overgangsregeling die erop neerkomt dat bij toepassing van de voornoemde artikelen
voorde respectievelijk inwerkingtredingsdata van de wet moet worden uitgegaan van de formulering zoals deze destijds luidde. [4]
4.2.3
Kortom, voor vonnissen of arresten die zijn gewezen na 1 juli 2021 schrijft de wet voor dat het vonnis of het arrest dient te vermelden “welk gedeelte van een opgelegde vrijheidsstraf, gelet op de mogelijkheid van deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire Beginselenwet of de voorwaardelijke invrijheidstelling, bedoeld in art.15 Sr Pro [AG Spronken: moet zijn art. 6:2:10 Sv Pro] [5] in ieder geval ten uitvoer wordt gelegd.”
4.3
Bespreking van het tweede middel
4.3.1
De verdachte is op 2 november 2021 door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan een maand voorwaardelijk. Dit betekent dat moet worden uitgegaan van de huidige formulering van art. 359 lid 6 Sv Pro en art. 6:2:10 Sv Pro. Art. 6:2:10 lid 1 Sv Pro sluit voorwaardelijke invrijheidstelling bij vrijheidsstraffen van minder dan een jaar uit. De verdachte komt hiervoor dus niet in aanmerking. Bovendien is een gedeelte van verdachtes vrijheidsstraf – namelijk een maand – in voorwaardelijke vorm opgelegd, zodat ook art. 6:2:10 lid 2 aanhef Pro en onder a Sv zich verzet tegen voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte. [6] Voor een penitentiair programma komt de verdachte op grond van art. 4 lid 2 aanhef Pro en onder a Pbw evenmin in aanmerking, nu de verdachte niet is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van ten minste zes maanden. [7] Het hof was dus op grond van art. 359 lid Pro 6, derde volzin, Sv niet gehouden tot een nadere motivering.
4.3.2
Het middel faalt.

5.Conclusie

5.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.7.1 en 3.8.4 onder c en onder d.
2.Zie HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:238, NJ 2014/279, m.nt. Schalken, rov. 2.4 en HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476, NJ 2014/281, m.nt. Schalken, rov. 3.4. Zie tevens de conclusie van AG Hofstee (onder 139-143) voor HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2336.
3.Stb. 2020, 224 (inwerkingtredingsbesluit Stb. 2021, 252).
4.Zie voor art. 4 Pbw Pro de Kamerbrief van 21 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35122, nr. 41). Het komt er kort gezegd op neer dat de oude regeling alleen dan van toepassing is als op 1 december 2021 reeds een positief besluit is genomen inzake de deelname aan het penitentiaire programma, of als met de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende maatregel (waaronder ook de voorlopige hechtenis valt) of een gevangenisstraf is aangevangen voor 1 december 2021 en die tenuitvoerlegging maximaal drie jaar na inwerkingtreding (dus na 1 december 2021) nog loopt. Zie ook S. Struijk in Tekst en Commentaar Strafrecht, commentaar op art. 4 Pbw Pro, aant. 1.
5.Hofstee merkt in zijn conclusie (onder 30) voor HR 12 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1695 (HR: art. 81 RO Pro) op dat het opmerkelijk is dat in art. 359 lid 6 Sv Pro nog wordt verwezen naar art. 15 Sr Pro, nu dit artikel bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) van 22 februari 2017 (
6.Voorwaardelijke invrijheidsstelling was overigens ook onder de oude formulering van art. 6:2:10 Sv Pro al uitgesloten bij straffen van minder dan een jaar of deels voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraffen.
7.Ook hier geldt dat de verdachte zowel onder de huidige als de oude formulering van art. 4 Pbw Pro niet in aanmerking komt voor een dergelijk programma.