Conclusie
1.Inleiding
erfrechtelijke karakter moet worden aangemerkt als
schenking, waardoor de
schenkbelastingvrijstelling in art. 33(12°) SW van toepassing is en niet de
erfbelastingvrijstellingen in art. 32 SW Pro. De wetgever heeft bij de technische herziening van de Successiewet echter expliciet verklaard dat de vrijstelling van
schenkbelasting in art. 33(12°) SW voor voldoening aan een natuurlijke verbintenis niet geldt voor het
successierecht, dus niet voor (andere dan werknemers-)verkrijgingen krachtens erfrecht die aan een natuurlijke verbintenis voldoen. Hij heeft bovendien expliciet verklaard dat het niet de bedoeling is dat ook in de erfbelasting een algemene vrijstelling voor voldoening aan natuurlijke verbintenissen zou gelden omdat die zou kunnen leiden tot ongewenste cumulatie met de reeds ruime en op de verzorgingsgedachte gebaseerde vrijstellingen van erfbelasting en tot belastingontwijking. Uit de wetsgeschiedenis volgt overigens ook dat de wetgever de voldoening aan een natuurlijke verbintenis slechts als schenking heeft aangemerkt met het oog op de bewijspositie van de fiscus. Door die voldoening als schenking aan te merken, ontstaat een aangifteplicht en door die “schenking” vrij te stellen, wordt de bewijslast dat het om voldoening aan een natuurlijke verbintenis gaat bij de ontvanger gelegd. Die fictie kan wel tot veel spraakverwarring leiden, zoals ook in casu blijkt. De wezenskenmerken van een gift (bevoordelingsbedoeling en verarming) ontbreken immers bij de voldoening aan een natuurlijke verbintenis.
alsdie verklaringen al een ‘schenkingsbelofte’ zouden inhouden, die niet notarieel is vastgelegd, waardoor zij volgens art. 7:177(1) BW vervalt met het overlijden van de erflater, waardoor de belanghebbende toch weer in de erfbelasting en niet in de schenkbelasting terecht komt. Overigens staat mijns inziens weer ook art. 6:5(1) BW aan deze stelling in de weg, dat immers voor omzetting van natuurlijk in afdwingbaar een ‘overeenkomst’ eist.
2.De feiten en de gedingen bij de feitenrechters
erfbelasting in art. 32(1)(10°) SW terecht buiten toepassing is gelaten. Bij het Hof was in geschil of de vrijstelling van
schenkbelasting voor voldoening aan een natuurlijke verbintenis [3] in art. 33(12°) SW van toepassing is.
animus donandibestaat, dan zou het om een schenking onder opschortende voorwaarde gaan in de zin van art. 1(9) SW en zou een erfbelastingteruggaaf de voorwaarde vervullen en zou de gemachtigde schenkbelasting verschuldigd zijn naar het niet-verwantentarief van 30% (art. 24(1) SW).
3.Het geschil in cassatie
BNB2010/71. [8] Gezien art. 4:117(1) BW (zie 4.2 hieronder), meent de Staatssecretaris dat het Hof het legaat terecht niet als schenking maar als erfrechtelijke verkrijging heeft aangemerkt. Dat de voldoening aan een natuurlijke verbintenis wel is vrijgesteld van schenkbelasting maar niet van erfbelasting, acht hij geen discriminatie, nu de belastbare feiten niet vergelijkbaar zijn en de relevante vrijstellingen van beide heffingen blijkens de wetsgeschiedenis verschillende achtergronden hebben, waaronder de overweging dat voor de erfbelasting andere, ruime, op de verzorgingsgedachte gebaseerde vrijstellingen gelden. Hij citeert delen van de hieronder (4.6) opgenomen wetgeschiedenis. Hij acht het onderscheid daarom geenszins van redelijke grond ontbloot. De voor het eerst in cassatie gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel als bestuursbeginsel zou een onderzoek naar feiten vergen dat in cassatie niet mogelijk is, aldus de Staatssecretaris.
per sete willen voldoen aan zijn verplichting van moraal of fatsoen, aldus de belanghebbende. Aan die belofte is nog geen uitvoering gegeven maar het vorderingsrecht uit de natuurlijke verbintenis is volgens haar wel al tijdens het leven van de erflater ontstaan. Het legaat is slechts het recht op nakoming dat het vorderingsrecht bevestigt en er een rechtsvordering (afdwingbaarheid) aan toevoegt. Volgens de belanghebbende gaat het daarom om een schenking tijdens leven.
4.De wet en de wetsgeschiedenis
8. (…).
2. (…)
1. Van erfbelasting is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen:
(…);
Voor zover een verkrijging van een nabestaande van de werknemer aan periodieke uitkeringen ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van erfbelasting, wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding;
(…).
(…);
12° indien en voor zover de schenking heeft gestrekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Pro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
(…).”
2. De erflater kan een uiterste wilsbeschikking steeds eenzijdig herroepen.
3. Een uiterste wilsbeschikking kan alleen bij uiterste wil en slechts door de erflater persoonlijk worden gemaakt en herroepen.
1. De bepalingen van deze titel zijn van overeenkomstige toepassing op andere giften dan schenkingen, voor zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de handeling zich daartegen niet verzet.
2. Als gift wordt aangemerkt iedere handeling die er toe strekt dat degeen die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt. Zolang degene tot wiens verrijking de handeling strekt, de prestatie niet heeft ontvangen, noch daarop aanspraak kan maken, worden handelingen als bedoeld in de eerste volzin niet beschouwd als gift.
(…)
Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd;
9° door een nagelaten minderjarig kind van een werknemer, als bedoeld is onder 8°, zulks tot een bedrag, gelijk aan de overeenkomstig artikel 21 berekende Pro waarde van een periodieke uitkering tot de achttienjarige leeftijd of eerder overlijden, niet meer bedragende dan de helft van het voor de weduwe ingevolge de vorige bepaling vrijgestelde bedrag, met een maximum van f 5 per week. (…)
(…)
10° door iemand, die niet is de echtgenoot, noch behoort tot de bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad van de schenker of diens echtgenoot, noch is de echtgenoot van één van die personen, en die krachtens arbeidsovereenkomst tenminste tien jaar in dienst van het bedrijf van de schenker is geweest, zulks indien en voor zover de schenking kan worden aangemerkt te zijn gedaan tot redelijke beloning van bewezen diensten en zij niet meer beloopt dan een bedrag gelijk aan de contante waarde, ten tijde van de verkrijging van de overeenkomstig artikel 21 berekende Pro waarde van een periodieke uitkering, groot f 4000 per jaar, op het leven van een zestigjarige.
(…).”
(…)
a. WerknemersvrijstellingArtikel 32, eerste lid, 9°, bevat een vrijstelling voor verkrijgingen door een werknemer van de erflater of diens echtgenoot dan wel door een nabestaande van een dergelijke werknemer, voor zover het verkregene kan worden beschouwd als de voldoening aan een ter zake van de verrichte arbeid bestaande verplichting welke enkel berust op de voorschriften van de moraal of het fatsoen. Voor schenkingen kan in deze gevallen artikel 33, eerste lid, 12°, tot vrijstelling leiden. (…).
De huidige bepaling van artikel 32, eerste lid, 9°, dateert van 1956. Voor deze tijd werd de materie geregeld door artikel 79 van Pro de Successiewet 1859. De regeling was technisch zeer ingewikkeld en bevatte een formule aan de hand waarvan het maximum bedrag van de vrijstelling kon worden berekend. Dit leidde er in de praktijk toe, dat hoezeer een toegekende voorziening ook in de omstandigheden geacht kon worden in overeenstemming te zijn met de normen van de moraal of het fatsoen, deze voorziening toch gedeeltelijk belast diende te worden. Bij de parlementaire behandeling van de Successiewet 1956 is toen bij de derde nota van wijzigingen (zitting 1955-1956, 915, nr. 12) voorgesteld de regeling van artikel 79 van Pro de Successiewet 1859, welke in eerste instantie in het ontwerp van wet nr. 915 was overgenomen, te vervangen door de nu geldende regeling, welke inhoudt dat onbeperkt wordt vrijgesteld hetgeen verkregen wordt door personeel van de erflater ter voldoening aan een verplichting van de moraal of het fatsoen ter zake van verrichte arbeid. De omvang van de verplichting en dus van de vrijstelling moet worden vastgesteld aan de hand van objectieve maatstaven betreffende moraal en fatsoen. Bepaald zal moeten worden op welk bedrag een redelijke oudedagsvoorziening in het concrete geval gesteld kan worden en eventueel gedurende welke tijd tegen te laag loon is gewerkt, in vergelijking met het gemiddelde loon in de branche. De omvang van de vrijstelling is dus volledig afhankelijk van de omstandigheden in elk afzonderlijk concreet geval.”
nietde bedoeling van de wetgever dat ook in de erfbelasting een algemene vrijstelling voor de voldoening aan natuurlijke verbintenissen zou gelden omdat dat tot stapeling of uitbreiding van de wettelijke vrijstellingen en tot belastingontwijking zou leiden. De Memorie van Toelichting [14] bij de technische herziening van de Successiewet per 1985 zegt over art. 33(12°) SW en over de verhouding tot de vrijstellingen van erfbelasting het volgende:
5.Het beroep op de werknemersvrijstelling in art. 32(1)(10°) SW
De voorzitter:- In hoger beroep wordt dus geen beroep meer gedaan op de werknemersvrijstelling.
- Die opmerking is juist. Belanghebbende sluit zich aan bij het oordeel van de Rechtbank dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en erflater en dat er geen gezagsverhouding was. Een arbeidsovereenkomst hoeft niet op schrift te staan.”
(a)omdat art. 1(7) SW voldoening aan een natuurlijke verbintenis aanmerkt als schenking, zijn de schenkbelastingvrijstellingen van toepassing en niet de erfbelastingvrijstellingen;
(b)reeds bij ondertekening van zijn testament heeft de erflater aan zijn natuurlijke verbintenis voldaan, zodat hij reeds toen heeft geschonken in de zin van art. 1(7) van de SW; daarom zijn de schenkbelastingvrijstellingen van toepassing en niet de erfbelastingvrijstellingen;
(c)reeds met zijn meer malen herhaalde verklaringen dat hij ‘het later goed zal maken’ heeft de erflater aan zijn natuurlijke verbintenis voldaan, zodat hij reeds toen heeft geschonken in de zin van art. 1(7) van de SW; daarom zijn de schenkbelastingvrijstellingen van toepassing en niet de erfbelastingvrijstellingen;
(d)het verschil in fiscale behandeling van voldoening aan een natuurlijke verbintenis tijdens leven (vrijgesteld) en na overlijden (niet-vrijgesteld) schendt het discriminatieverbod of het gelijkheidsbeginsel.
alsdie verklaringen al een ‘schenkingsbelofte’ zouden inhouden, die schenking niet notarieel is vastgelegd, waardoor zij volgens art. 7:177(1) BW vervalt met het overlijden van de erflater, waardoor de belanghebbende toch weer in de erfbelasting en niet in de schenkbelasting terecht komt. Overigens staat mijns inziens weer ook art. 6:5(1) BW aan deze stelling in de weg, dat immers voor de omzetting van een natuurlijke verbintenis in een afdwingbare een ‘overeenkomst’ eist, waarvan niet is gebleken. ’s Hofs oordeel dat de natuurlijke verbintenis niet bij leven al door schenking is omgezet in een afdwingbare lijkt mij geenszins onverenigbaar met erflaters herhaalde verklaringen, en geenszins onbegrijpelijk en rechtens correct. Onduidelijk zou in belanghebbendes lezing ook zijn
water dan geschonken zou zijn, nu ‘later goedmaken’ mij te onbepaald lijkt voor een schenking. Zou erflaters testament geen legaat ten gunste van de belanghebbende hebben bevat, dan had zij mijns inziens met enkel die ‘later goedmaken’-verklaringen nog steeds niets meer hebben gehad dan een natuurlijke verbintenis.
7.Het discriminatieverbod en het gelijkheidsbeginsel
8.Buiten de orde
(…)
salaire differé(art. 4:36 BW Pro) waarop een kind of stief-, pleeg-, behuwd- of kleinkind van de erflater aanspraak kan maken dat in diens huishouding of in diens beroep of bedrijf gedurende zijn meerderjarigheid heeft gewerkt zonder daarvoor passende beloning. Een dergelijk kind heeft aanspraak op een som ineens strekkende tot billijke vergoeding. De Staatssecretaris heeft goedgekeurd dat
salaire differéis vrijgesteld van erfbelasting voor zover het bij het kind als belastbaar inkomen uit werk en woning in de inkomstenbelasting of de loonheffing is betrokken. [23]
BNB2022/27 [25] voor haar denkelijk geen pretje zou zijn geweest: niet alleen niet betaald krijgen voor haar arbeid, maar ook nog belasting moeten betalen. [26]